01 nov '17

Glazen dorp

157
door Tine De Wilde
Stel je voor: een landschap met, zover het oog reikt, glazen serres. Zo zag Hoeilaart er van 1870 tot 1970 uit.

In 1860 slaagde de jonge Felix Sohie erin om serredruiven van een uitzonderlijke kwaliteit te kweken. In 1865 legde hij zijn eerste verwarmde serre aan. Het bedrijf van hem en zijn broers groeide uit tot 300 serres. Het succesverhaal van de gebroeders Sohie inspireerde streekgenoten en zo schitterden er enkele jaren later duizenden serres op de heuvelruggen van Hoeilaart, Overijse, Huldenberg en Duisburg, tot wel 35.000 in de glorietijd.

Deze tafeldruiven waren luxeproducten. Een kilo druiven kostte in 1900 drie Belgische frank, evenveel als het dagloon van een mijnwerker. Met de winsten bouwden de serristen prachtige, statige villa’s, de ene al groter en hoger dan de andere. Zij stonden, te midden van de serres, op de hoogst gelegen plaatsen van het dorp als bakens van rijkdom en weelde.

De villa’s uit de eerste periode, van 1870 tot WO I, hadden een vierkant grondplan met een centrale gang en aan weerszijden twee kamers, twee verdiepingen en een schilddak. Ze werden opgetrokken uit kareelsteen, volle bakstenen, die meestal ter plaatse gevormd en gebakken werden uit plaatselijke klei. Typisch zijn de witte decoratieve muurbanden en dambordmotieven in de gevels.

De echt gefortuneerden spaarden kosten noch moeite en bouwden ware kasteeltjes met torentje. Zo registreerde ‘wijngaardkweeker’ Jan-Baptist Vandervaeren zijn woning in 1900 als ‘kasteel en lusthof’. Geen taferelen van lust en weelde zonder hemelse druiven. Het Interbellum luidde een nieuwe periode in met een eigen Hoeilaartse architectuur. Wordt vervolgd.