01 sep '19

Nederlands houdt stand, maar...

434
door Tina Deneyer
De kennis van het Nederlands in de Vlaamse Rand is de voorbije vijf jaar niet noemenswaardig gedaald en dat ondanks de sterke instroom van anderstaligen.

Tot die conclusie komt de tweede Taalbarometer over de Vlaamse Rand. Het Nederlands houdt dus stand, al is - zoals zo vaak in de Rand - de ene gemeente de andere niet. De tweede Taalbarometer van BRIO, het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum peilde vijf jaar na het eerste onderzoek opnieuw naar de taalkennis en het taalgebruik van een representatieve groep van 2.500 inwoners uit de 19 gemeenten van de Vlaamse Rand.

‘Het aantal mensen dat aangeeft goed tot uitstekend Nederlands te spreken, is licht gedaald van 69,9 in 2014 naar 68,5 procent in 2019. Dat verschil is wat we in wetenschappelijke termen ‘niet significant’ noemen. Je mag dus eigenlijk zeggen dat de kennis van het Nederlands dezelfde is gebleven’, legt BRIO-onderzoeker Rudi Janssens uit. ‘Hetzelfde geldt trouwens voor de kennis van het Frans, die lichtjes steeg van 79,2 naar 79,6 procent. Het Engels maakt wel een duidelijke sprong van 44,2 in 2014 naar 50 procent. Vooral bij de huidige twintigers die school liepen in het Franstalig onderwijs zie je een forse stijging van de kennis van het Engels. Voor hen is Engels in de Rand een alternatief voor het Nederlands. Opvallend is ook dat intussen al een derde van de randbewoners drietalig is. Dat weerspiegelt zich in het taalgebruik. Randbewoners gebruiken minder vaak het Nederlands als enige contacttaal in de winkels of met de buren. Er is een verschuiving naar een combinatie van het Frans en het Nederlands.’

VIA DE SCHOOL NAAR DE HUISKAMER

De Taalbarometer onderzocht, net als vijf jaar geleden, ook het verband tussen taalkennis en nationaliteit. Daaruit blijkt dat alleen bij de Belgen de kennis van het Nederlands daalt. ‘Bij de niet-EU-burgers zie je de omgekeerde beweging’, merkt Janssens op. ‘In 2014 kende 14,6 procent van hen Nederlands, nu is dat 24,5 procent. Dat is een stevige stijging.

‘De kennis van het Nederlands daalt bij de Belgen, bij niet EU-burgers zie je het omgekeerde.’

Ik vermoed dat enerzijds de inspanningen van het beleid lonen en dat anderzijds ook de kennis van het Nederlands op de arbeidsmarkt almaar belangrijker wordt. Dat maakt dat mensen de taal gaan leren.’ Een deel van de verklaring is ook dat het Nederlands via de school binnen sijpelt in anderstalige gezinnen. ‘Dat zie je bijvoorbeeld goed bij gezinnen waar er thuis Nederlands noch Frans wordt gesproken. Almaar meer ouders kiezen er in dat geval voor om hun kinderen naar een Nederlandstalige school in de Vlaamse Rand te sturen. Zij leren Nederlands op school en brengen zo de taal binnen in de huiskamers.'

GROTE VERSCHILLEN

Geografisch geeft de Taalbarometer een aantal opmerkelijke verschillen aan. Zo spreken in de faciliteitengemeenten meer mensen Nederlands dan vijf jaar geleden. ‘Vooral bij de jongeren onder de 30 jaar neemt de kennis toe: van 35,6 naar 44,4 procent. Dat is goed nieuws, want het cijfer van die jongste leeftijdsklasse zegt veel over het potentieel van het Nederlands in die gemeenten. De faciliteitengemeenten worden net als de andere van de Vlaamse Rand wat diverser, en in de zes komt dat het Nederlands blijkbaar ten goede’, meent Janssens. Maar er is ook minder goed nieuws. Hoewel de kennis van het Nederlands in de totale Vlaamse Rand dan wel ongeveer status-quo is gebleven, is ze in de zogenoemde ‘tewerkstellingsgemeenten’ Vilvoorde, Machelen en Zaventem er sterk op achteruit gegaan. ‘Daar zie je inderdaad een forse daling van 71,6 naar 63,1 procent. De migratiedruk is in de kanaalzone een stuk groter dan elders. Er wonen veel meer mensen met een andere thuistaal dan het Nederlands of het Frans dan in de andere gemeenten van de Rand. Hun eerste keuze na hun thuistaal is bijna altijd het Frans en dus heeft het Nederlands het in die tewerkstellingsgemeenten extra moeilijk.’

INZETTEN OP TAALBELEID EN OEFENKANSEN

De Taalbarometer formuleert traditiegetrouw ook een aantal aandachtspunten voor de beleidsmakers in de Vlaamse Rand. ‘De toenemende diversiteit stelt het beleid voor een aantal belangrijke uitdagingen’, concludeert Janssens. ‘Steeds meer niet-Nederlandstaligen kiezen voor het Nederlandstalig onderwijs in de brede Vlaamse Rand, met een diverse schoolpopulatie tot gevolg. Het beleid heeft daar de voorbije jaren op ingespeeld, maar forse inspanningen blijven nodig. Het is en blijft volgens mij een van de grootste uitdagingen voor het beleid. Belangrijk om in het achterhoofd te houden, is dat een verplicht inburgeringsbeleid maar een beperkt deel van de huidige niet-Belgische inwoners van de Rand bereikt. Taalbeleid moet dus veel ruimer gezien worden dan de verplichte taalcursussen.’

‘Taalbeleid moet ruimer gezien worden dan de verplichte taalcursussen.’

Dat blijkt ook uit het oordeel van de randbewoners over een aantal beleidsmaatregelen die mensen moeten aanzetten om Nederlands te leren. ‘Maatregelen die het Nederlands opleggen, blijken uit de analyse van de Taalbarometer wel de goedkeuring van de Nederlandstaligen weg te dragen, maar anderstaligen reageren afwijzend’, stelt Eddy Frans, algemeen directeur van vzw ‘de Rand’, vast. ‘Oefenkansen Nederlands aanbieden daarentegen wordt door iedereen als positief beoordeeld. Die informele stimulans en taalpromotie is net waar vzw ‘de Rand’ al jaren op inzet. Tegelijk toont de Taalbarometer aan dat we verder moeten werken aan de ontwikkeling van instrumenten om het Nederlandstalige karakter van onze sportclubs te ondersteunen. Inwoners met een andere taalachtergrond blijken namelijk vooral lid te worden van sportverenigingen.’ 

Inspelen op de intrinsieke motivatie om Nederlands te leren en te gebruiken is volgens vzw ‘de Rand’ cruciaal. En dat is precies ook de manier waarop het Huis van het Nederlands in Brussel al jaren te werk gaat. ‘Hoewel de context in Brussel niet dezelfde is als die in de Vlaamse Rand lopen de tendensen toch voor een groot stuk gelijk’, meent Gunther Van Neste, directeur van het Huis van het Nederlands Brussel. ‘Precies daarom kan het voor lokale besturen en organisaties zoals vzw ‘de Rand’ en het Huis van het Nederlands nuttig zijn om expertise en hulpmiddelen te delen.’

GEDIVERSIFIEERDE AANPAK

De diversiteit die de Vlaamse Rand kenmerkt qua taalkennis en taalgebruik kan dus maar beter worden doorgetrokken in het taalbeleid. Die boodschap geeft ook Ben Weyts (N-VA), uittredend Vlaams minister voor de Vlaamse Rand, mee aan de volgende Vlaamse regering. ‘Dankzij de nieuwe Taalbarometer hebben we nu herhaald en stevig onderbouwd studiewerk waaruit blijkt dat de Vlaamse Rand een soort lappendeken is. Dat heeft tot gevolg dat je een andere aanpak nodig hebt naargelang het gaat over residentiële gemeenten met klassieke verfransingsproblemen of de tewerkstellingsgemeenten die met sociale aspecten kampen en waar de noden heel anders zijn. De studie toont ook aan dat de Vlaamse scholen in de Rand een goede motor zijn voor het Nederlands. Wie kiest voor Nederlandstalig onderwijs, zelfs al wordt er thuis een andere taal gesproken, heeft een grotere kans om op termijn ook thuis het Nederlands te gebruiken. Dat biedt kansen. Via de schoolpoort kunnen we niet alleen kinderen, maar ook hun ouders binnenloodsen in de Vlaamse gemeenschap. We kunnen dit ondersteunen door bijvoorbeeld binnen de schoolmuren nog meer cursussen Nederlands aan te bieden voor volwassenen, terwijl er opvang wordt voorzien voor de kinderen. Nu al lopen er 21 van zulke projecten in de Vlaamse Rand.’

Dat klinkt als muziek in de oren van Fatima Lamarti (SP.A), schepen voor Sociaal Beleid en Gelijke Kansen in Vilvoorde, een van de tewerkstellingsgemeenten waar het Nederlands rake klappen krijgt. ‘Een drietal scholen in Vilvoorde bieden samen met het centrum voor basiseducatie zulke conversatieklassen Nederlands aan. En die zijn een succes, vooral omdat ze heel laagdrempelig zijn en perfect inspelen op een belangrijke behoefte. Anderstalige ouders zijn namelijk op zoek naar een manier om een basiskennis Nederlands te verwerven, zodat ze met de leerkrachten en directie kunnen communiceren en hun kinderen wat kunnen helpen. Een echte cursus die maanden of jaren duurt, schrikt hen af. Zo’n conversatiegroep is voor hen het perfecte alternatief. Het is cruciaal dat er in Vilvoorde en de andere tewerkstellingsgemeenten sterker wordt ingezet op zulke initiatieven, want die maken echt een verschil. Studies als die van de Taalbarometer zijn heel interessant, maar cijfermateriaal wordt pas nuttig als het beleid er ook iets mee doet.’

 www.docu.vlaamserand.be