01 mrt '21

Stadsenclaves

1336
door Koen Demarsin
Haren en Diegem-Lo, twee rebelse dorpen die elke logica van de stadsuitbreiding tarten. Tegen de wil in van de altijd maar groeiende stad doorstonden ze de tand des tijds. Ze lijken wel eilanden omsingeld door wegen en bedrijven, vreemde plekken om te koesteren te midden van de drukte en het lawaai.

In de lucht klinken de scherpe motoren van een vliegtuig dat met een bocht boven de graven wegtrekt. Een volle trein suist haastig door het talud naast de kerkhofmuur. Rust zit er voor de bewoners van de begraafplaats niet in. Aan hen jaagt alles voorbij. De doden slapen zoals ze leefden, omringd door de stad. Verweven in het kluwen van sporen, wegen, bedrijven en afgedankte industrie ligt Haren ingesloten in een uithoek van het Brusselse Gewest. Het spoorterrein van Schaarbeek, de Haachtsesteenweg en de Woluwelaan bepalen zijn grenzen. In de verte klinkt de aanhoudende cadans van het verkeer op het viaduct van Vilvoorde. Achtergrondruis die geen stilte toelaat. Wie in Haren woont, leeft met de stad maar maakt er niet echt deel van uit. 

Heerlijkheid

Ooit was het anders. Tot zo’n 70 jaar geleden was de omgeving bezaaid met kasteeltjes en villa’s. De heuvels en de dalen langs de Zenne en de Woluwebeek boden de nodige ruimte en de afstand tot de stad was beperkt. In hun namen Beau Séjour of Beaulieu droegen ze de verwachtingen van hun bezitters in zich mee. In de 18e eeuw kreeg het dorp zelfs een bijzondere faam en die had alles te maken met de banden met de naburige stad. In de Brusselse kringen maakten de telgen van de Servandonifamilie Haren meer berucht dan beroemd. In 1754 schopte JeanNicolas Servandoni d’Hannetaire het tot artistiek leider van de Muntschouwburg. Zijn verblijf in Brussel leek van langere duur te zijn, want zo’n vijf jaar later kocht hij het heerlijke kasteel Ter Elst in Haren. Maar zijn heerlijkheid werd vooral berucht om haar liederlijkheid. In zijn fraai buitengoed bracht hij de theaterwereld en de welgestelde families samen, waarbij de onderlinge contacten tussen de actrices en de adellijke gasten niet steeds beperkt bleven tot het samen toneelspelen. d’Hannetaires dochters hielden er alvast de spotnaam ‘dochters van de wellust’ aan over. Zo raakte Haren al vroeg verweven met het wel en wee van de hoofdstad.

Geen eeuw later was de noblesse er ook bij toen in 1835 de eerste stoomtrein door Haren reed. De trein vertrok aan de Groendreef, net buiten de kleine Brusselse ring, en volgde zijn spoor langs het kanaal naar Willebroek richting Mechelen. Vanaf dan was de rook niet meer weg te denken van de Zenneoevers, niet alleen de pluimen van de treinen, maar ook de roetwolken van de opkomende industrie. Goed gelegen aan het kanaal en de nieuwe spooraansluiting boden de vlakke moerasgronden een uitstekende plaats voor de bedrijven die ten noorden en ten zuiden van Brussel overal de kop opstaken.

Omstreeks 1910 stond Villa Beau Séjour er nog, maar in de verte was de industrie van Haren-Buda niet meer weg te kijken. Postkaarten uit het eind van de 19e eeuw tonen een verwarrend beeld van de gemeente. De grote fabrieken en luxekasteeltjes staan er apart op afgebeeld. Het lijkt alsof ze elkaars aanwezigheid ontkennen: twee aparte werelden in een dorp. In de loop van de 20e eeuw verdwenen bijna alle domeinen, al was het niet de industrie maar wel vaker de oorlog die de genadeslag toebracht. Net als het Goed van Flodorp werd het Goed van Désir in 1944 vernield. Vijf jaar later ging het 16e eeuwse Kasteel Kortenbach voor de bijl. Alleen het Beaulieukasteel kwam gehavend uit de strijd. Het staat er nog, al is het in een veel bescheidener vorm. Haar zijvleugels verdwenen, net als het omliggende park dat moest wijken voor de drukke Woluwelaan die aan haar voordeur passeert. Het gebouw staat er nu wat bij te kijken, een vreemde in de haar druk geworden buurt.

Fleur de Buda

De kastelen werden niet meer opgebouwd, de rol van Haren als buitenverblijf was uitgespeeld. Alleen in straatnamen als Cortenbachstraat of Flodorp leven de herinneringen aan de landhuizen verder. De achtergebleven bewoners vonden meer heil in het witloof dat ze in de velden rond het dorp teelden en dat Haren haar nieuwe rijkdom bezorgde. De oude Sint-Elisabethkerk zag hoe eeuw na eeuw Brussel steeds dichter kwam tot het Haren uiteindelijk in maart 1921 officieel inlijfde. Toen werd het dorp echt stad, maar het bleef nog lang dorp.

De verhouding werd er niet helderder op. Dat zag ook kleinkunstenares Della Bosiers toen ze eind jaren 1960 Fleur de Buda componeerde. ‘We maakten bij de toenmalige BRT een reportage over de industrie in België en hoe die op de omgeving en de mensen ingreep. Ik was toen regieassistente. Voor de reportage stapten we uit nabij het station van Haren-Buda. Ik herinner me vooral de verffabriek, de grote bloemmolens, zelfs de tabakfabriek, maar ook de cafés waar altijd mensen waren en die op de meest vreemde plekken lagen. Na het filmen van de nachtploegen, belandden we ‘s ochtends in zo’n cafeetje aan de Ca-va-Seulfabriek in Vilvoorde, waar de mannen zaten die aan hun dagshift begonnen. De industrie die 24 uur doordraaide, de mensen die er werkten, de hele sfeer maakte zo’n indruk op mij dat in de trein op weg naar huis de zinnen er zo uitkwamen. Ik herinner me vooral de stank die er hing. Vandaar de titel. Net als de parfums die namen krijgen als Fleur d’Oranger, was er die reuk van Haren-Buda.

De bomen zien er grijs en de mensen groen
Maar ergens draaft nog een paard
En in het tuintje van de waard
Spelen de kinderen de Zevensprong

In Fleur de Buda spelen de industrie en het platteland haasje over. ‘Ik was vooral onder de indruk van de afwisseling tussen de fabrieken en de laatste poëtische resten van het platteland. Ik reed er elke dag met de trein voorbij en zag het geschakeerde landschap van Haren en Machelen aan me voorbijflitsen. Het paard dat in de wei stond naast de fabriek. Elk jaar groeiden de boontjes er opnieuw. Ik vroeg me vaak af hoe het mogelijk was dat daar mensen leefden. Het was mooi en lelijk tegelijk, net als Brussel: een stad vol contrasten zoals geen andere stad die ik ken.’

Onze-Lieve-Vrouw-der-Zeven-Smarten, bid voor ons

Diegem-Lo: een viertal straten omsingeld door een snelweg, een kantorenzone en een luchthaven. Een vlek in een oksel van de Brusselse buitenring. Er zijn amper wegwijzers die het dorp weten liggen. Een gehucht, meer is het niet, een paar straten verbonden door een naam. Dit dorp treft het niet. Toch zag aan het begin van de 20e eeuw de toekomst voor Diegem-Lo er rooskleurig uit. De bedrijvigheid in de Brusselse noordrand trok mensen aan. Het dorp groeide mee en in de jaren 1920 werd het een eigen parochiekerk gegund. Naar verluidt struinde de gekende pastoor Davidts de dorpen uit de buurt af en bracht van zijn omzwervingen blokken Diegemse zandsteen mee die hij in vervallen boerderijen en kastelen vond. Zo verrees de kerk van Diegem-Lo uit de puinen van een deel van het Beaulieukasteel en het Kasteel Ter Elst. Het leed van Haren werd de vreugde van Diegem-Lo.

Niets deed toen vermoeden dat ook dit dorp de strijd zou moeten aanbinden met de vooruitgang waarvan het nog rijkelijk de vruchten kon plukken. De verhuis van de activiteiten van de te klein geworden luchthaven in Haren naar Melsbroek in 1938 zorgde voor de kentering. Ten noorden van Diegem-Lo lag immers het Saventerlo, een groot landbouwgebied dat ooit jachtgebied van de Bourgondische aartshertogen was geweest. De open vlakte was erg geschikt voor de uitbouw van de groeiende luchthaven in de buurt van de hoofdstad. Het noordelijke deel van Diegem-Lo werd in de jaren 1950 opgeslokt. Het zuidelijke deel lijkt bijna te berusten in haar lot. Zijn kerk waarvan de toren tijdens de Tweede Wereldoorlog werd afgeplat, stelt zich onderdanig op aan de rand van de luchthaven. Voor het dorp lijkt elk ambitie, toekomst of groei gefnuikt. Zijn patroonheilige, Onze-Lieve-Vrouw-der-Zeven Smarten, lijdt van boven het portaal van de verminkte kerk de vele pijnen van het dorp mee.

Er werd wel eens de vergelijking gemaakt met polderdorp Doel dat gewurgd tussen de havenuitbreidingsgebieden alle leefbaarheid verloor. De aanleg van de Brusselse Ring in de jaren 1970 verkleinde het dorp tot het afgesloten gehucht dat het vandaag nog is. De achterblijvers die niet gedwongen werden om te verhuizen, leerden leven met de inperking.

‘De bouw van de Ring deed het dorp pijn. De boeren trokken weg richting Kampenhout. Het Trefke, het schoonste stuk landbouwgrond van het land, is zo verloren gegaan’, zegt Simonne Hermans. Met 84 jaar op haar palmares is ze het levende geheugen van het dorp. Al loopt ze wat stroever, haar herinneringen aan de voorbije jaren zijn krachtig en helder. In het gehucht leven er nog maar amper mensen, maar toch is de stemming bij de achterblijvers hoopvol. ‘Het plan voor de bouw van een hotel midden in het restdorp kan hopelijk terug worden tegengehouden. De grote hotels werden vroeger ook al afgeleid naar de bedrijventerreinen errond waar nu veel kantoorruimte leeg staat. En waarom zou het dorp geen rustpunt kunnen worden voor de luchthaven-community van Brussels Airport, een groene oase binnen een hectische omgeving?’, zegt Rik Haegebaert, de trekker van het buurtcomité hoopvol.

Wie in Haren woont, leeft met de stad maar maakt er niet echt deel van uit.

Simone was erbij toen de kerk van Diegem-Lo door kardinaal Van Roey in 1936 werd ingewijd. Nu komen er nog maar weinig bewoners naar de mis, maar de Zeven Smartenkerk lijkt er niet onder te lijden. Aan de binnenkant straalt ze een opgewekte frisheid uit. De felle paarse kleuren steken sterk af tegen de oude strakke art-decoversiering. De Filipijnse christenen die hier een vaste stek vonden, geven de kerk haar tweede adem. Ze komen van heinde en verre om er samen de eucharistie te vieren. Zo zorgen de nieuwkomers en de kerk mee voor de leefbaarheid van het dorp. ‘De eerste nieuwkomers kwamen in de jaren 1980. De huizen kwamen toen te koop. Hun huizen zijn nu mooier opgekuisd dan vroeger het geval was’, zegt Simonne. Al lijkt het dorp er wat beter voor te staan dan voor enkele jaren, toch is het evenwicht broos. Want echte garanties voor de leefbaarheid van het dorp blijven beperkt.

Heel Gallië?

Intussen is ook Haren in de weer om dorp te blijven. Tot voor kort nam dat in eerste plaats de vorm aan van protesten tegen de bouw van de grote gevangenis of maxiprison zoals het project aan de Keelbeeksite berucht werd. Megagevangenis of gevangenisdorp, het woordgebruik verraadt de verbeten strijd die op het terrein gevoerd werd. Protesten tegen de gevangenis brachten een bonte mengeling van actievoerders op de been. Bevlogen activisten, maar ook buurtbewoners verzetten zich tegen de nieuwe indringer. Zij vonden elkaar in hun protest tegen het verdwijnen van het dorp, het verdwijnen van de open ruimte of tegen de bouw van de gevangenis zelf.

‘Er waren niet veel mensen uit Haren die meededen met het protest’, zegt Jos Michiels die jarenlang actief is in de plaatselijke cultuurraad. ‘Er waren wel mensen uit het dorp bij, maar zij waren niet zo verbeten als de anderen. Verschillende actievoerders kwamen ook uit het buitenland, zo stonden er zelfs auto’s uit Frankrijk.’

Het dorp moest uiteindelijk het onderspit delven. Intussen verrijst het gevangeniscomplex in snel tempo. In een bosje aan de Keelbeekstraat liggen nog restanten van barakken, caravans en zetels die de bezetters van de site er achterlieten. Voor wandelaars die de weg nog gebruiken, is het laveren tussen het afval van het aangroeiende stort dat hier ontstond. De Harenaars berusten in wat er met hun dorp gebeurt. Zoals hen de stad steeds overkomt, zo overkwam hen de gevangenis en daarmee ook de protesten. De actievoerders zijn intussen verdwenen, de gevolgen zijn voor het dorp.

Zo zien de Harenaars dat het opnieuw hun dorp is dat de lasten voor de vooruitgang te dragen heeft. Net als het kleine Gallische dorp uit de verhalen van Asterix dat omsingeld is door de Romeinse heersers, zo ligt hun dorp gevangen tussen grote instellingen als Brussels Airport, NAVO en de spoorwegen. De Harenaren zijn volhardend in de strijd voor het behoud van hun bedreigde thuis, al lijkt er voor hen geen toverdrank te bestaan. Gelatenheid en machteloosheid zijn deel van hun identiteit geworden. Een gevoel dat over generaties heen doorgegeven wordt, van Nederlandstaligen op Franstaligen, van oude inwoners op nieuwkomers.

In maart 2021 is het honderd jaar geleden dat Haren deel werd van Brussel-Stad. Van een feeststemming is maar weinig te merken. De aansluiting bracht de gemeente niet veel heil, veeleer desillusie. De plaatselijke KWB denkt eraan om aan de stad symbolisch de echtscheidingsakte aan te bieden. Voor hen is het huwelijk mislukt. Oude wonden helen niet snel.

En toch…

En toch zijn ze er nog steeds, die twee weerspannige dorpen die maar niet wijken voor de logische gang der dingen. De blijvende twijfel of ze nu een vergeten deel zijn van de stad of een restgebied van het platteland dat intussen weggetrokken is, geeft hen een gezicht. Ondanks de geluids- en milieuhinder en de onzekerheid wonen mensen hier graag. De afzondering geven de dorpen een zekere rust die door geen lawaai overtroffen wordt. De begrenzing heeft zo zijn voordelen. De laatste woorden uit Fleur de Buda klinken nog steeds als een bijzondere uitnodiging: ‘U moest er eens gaan kijken, ga eens zien hoe ’t deugt.

 Heb je een bedenking of aanvulling? Reageer via de Facebook-pagina van RandKrant. Auteur Koen Demarsin vult aan of geeft antwoorden.







Bronnen

  • Interview Della Bosiers, 17/9/2020
  • Interview Rik Haegebaert en Simonne Hermans
  • Interview Jos Michiels 22/10/2020
  • Interview Harry Coenen, 23/10/2020
  • Migom, Serge. 2016. ‘Het galante netwerk van de Servandoni’s’, in Kasteel d’Urselmagazine, 12e jaargang nr. 46. P 7-9.
  • Verbelen, Jan. 1980. Haren in oude prentkaarten. 1880-1930. Brussel.
  • Gids voor Vlaanderen. ‘Machelen’, p 917. 2007

 

Websites