Met die gedachte wandelde ik Brussel binnen via Alsemberg, Beersel, Linkebeek, Ukkel en Vorst op zoek naar waar de Rand overgaat in de stad. Steden hebben de neiging om uit te dijen en steeds meer plaats in te nemen, zeker als het hen goed gaat. Dan trekken ze inwoners en bedrijvigheid aan en verwelkomen ze toonaangevende instellingen. Zoals Brussel. Het geldt voor wel meer steden: Gent, Antwerpen of Luik bijvoorbeeld. 
Waar begint Brussel trouwens? Aan de rand van het gewest of van de agglomeratie? Steden laten zich niet tegenhouden door hun administratief voorziene grootte. Al zijn de randen van Brussel poreus, toch blijft het duidelijk tot waar de stad mag groeien. Hoezeer onderzoek van BRIO ook mag suggereren hoe het één in het ander overloopt, stad en Rand zijn anders en daar is de voorbije decennia hard aan gewerkt om dat zo te houden. 

Groeistoornis

Brussel is geen vlakke, uitdijende stad. Voor Brussel bepaalt de topografie tot waar de stad mag komen. Brussel ligt aan een uitloper van de Brabantse Ardennen, waar de heuvels uit het zuiden zich vergalopperen en bijna plat in Vlaanderen vallen. Beschermd in het dal van de Zenne ligt de middeleeuwse stad met hoger op de heuvelflanken errond de nieuwere wijken van de stad: Vorst, Ukkel en in de verte Koekelberg. Voormalige randgemeenten die inmiddels ook stad zijn geworden. Ik stap vanuit het zuiden naar Brussel. Aan de Sanatoriumstraat in Alsemberg ontvouwt het landschap zich als een werk van Pieter Bruegel: voorplan-middenplan-achterplan. Vooraan liggen velden, weides en bossages. In het midden ligt het Hof te Hongarije alsof het er altijd zo heeft bijgelegen. De bomen erachter beschermen de goed bewaarde idylle tegen de dreigende achtergrond, want anders dan bij Bruegel speelt de actie zich niet af in het midden, maar achteraan. Hoe lang nog zal de vierkantshoeve er zo bijliggen? 

Aan de horizon kijken de torens van Hoogte 100, het justitiepaleis en Madou gevaarlijk over de rand van de stad. Ze waarschuwen dat de stad dichtbij is en de groene Rand zich te verdedigen heeft. Intussen heeft de Rand zich gewapend. De vanzelfsprekende stadsgroei stoot op barrières die haar groei en haar invloed afremmen. Het ruimtelijk beleid is erop gericht om de streek landelijk te houden. Het laat geen hoogbouw toe en zet in op strategische vergroening. Het taalregime is er, anders dan in het tweetalige Brussel, eentalig en wordt geflankeerd door maatregelen en beleid om de omgeving Nederlandstalig te houden. Soms met succes. 
‘Dat hebben ze in het Pajottenland goed geregeld’, hoorde ik een Brusselaar ooit zeggen. ‘Met de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde houden ze Brussel buiten en Brussel springt er gewoon over naar de Denderstreek.’ Al ben ik niet zeker of ze in het Pajottenland er ook zo over denken. Argwaan ten opzichte van de invasieve stad werd intussen een kenmerk van de Rand. 

Als steden groeien, hebben ze de gewoonte om de omgeving die ze veroveren naar hun hand te zetten en ze om te vormen naar hun beeld en gelijkenis. De grenzen van Brussel houden dat gedeeltelijk tegen en dwingt Brussel tot kleinschaligheid.

Groeten als graadmeter

Hoe ver reikt het platteland? Als verbinding tussen mensen hiervoor een graadmeter is, dan is groeten de test. Al stappend begin ik bewust mensen te groeten. Ik krijg hoofdknikjes terug in Alsemberg, een goeiedag en een bonjour in Beersel. Nog steeds ligt het silhouet van de stad voor mij. In Linkebeek verdwijnt de stad uit beeld. Ik voel de afstand verkleinen. Maar in het dorp groeten de mensen nog. Linkebeek is een dorp op de stadsrand, maar is nog niet van de stad. Ik steek de grens over naar Ukkel langs de Horzelstraat, een uitloper van Linkebeek, maar dan in een gemeente van het Brussels Gewest. Hier kijken de mensen raar op wanneer ik hen groet. 
Niet alleen de mensen veranderen de geografie, de geografie verandert ook de mensen. Ligt hier de onuitgesproken grens tussen de stad en de Rand, daar waar het zicht op de stad verdwijnt en het groeten stopt? Ergens tussen de geborgen anonimiteit van de stad, waar mensen voordoen dat ze elkaar niet hoeven te kennen en die andersoortige geborgenheid van de dorpen van de Rand waar mensen alvast doen alsof ze elkaar zouden kunnen kennen? Het verschil tussen stad en daarbuiten heeft hier niet veel met taal of cultuur te maken, of met het platteland, maar bij het willen behoren tot de stedelijke of de dorpse omgang met elkaar. De stad mag dan de Rand overspoelen, zo lang ze er geen deel van uitmaakt, kan de Rand zich nog dorps voelen.

Zeezicht

Verder in de Horzelstraat maken de huizen plaats voor braakland en een geïmproviseerd afbraakterrein. Spoorwegtaluds en betonnen stroken zomen de weg af. De spoorwegkruising Moensberg is eerder een halte dan een station; de anonieme non-plaatsen van de voorstad. Bussen rijden verder, want een halte lijkt hier overbodig. Bij gebrek aan mensen ben ik gestopt met groeten. Als ik naar links kijk, zie ik dat ook het perspectief is veranderd. Voor het eerst kijk ik niet meer de stad in vanaf de Rand, maar vanuit de stad naar de Rand. Voorbij Moensberg ligt de begraafplaats van Sint-Gillis dat op eigen grondgebied geen plaats meer vond en uitweek naar Ukkel. Ze ligt op een heuvelflank die afbuigt naar het Pajottenland in het westen. De graven kijken uit naar het spilzuchtige groen van de Rand met haar jaloersmakend te veel aan open ruimte en haar spilzuchtige gebruik van grond voor te grote huizen en tuinen.

Station Moensberg © Filip Claessens

De doden van Sint-Gillis doen niets anders dan wat ze bij leven deden: staren naar de groene horizon, het onbereikbare vluchtpunt. Belgen zijn goed in het bouwen van kustarchitectuur: plaatsen waar we alles bezitten om te kunnen verlangen naar plaatsen die we nooit zullen bezitten: de horizon, de zee, het platteland. We bouwen er niet alleen de kust mee vol, maar ook de steden. Zo’n vier kilometer verder in Vorst, bovenaan het Dudenpark ligt de Jupiterlaan. Begin 1900 werd hier de oude Galgestraat rechtgetrokken en verbreed om deel uit te maken van de moderne uitbreiding van de stad nabij het park. Tijdens het interbellum werd de straat langs één kant verkaveld en volgebouwd met flats als de moderne stadspaleizen. Enkele monumentale hoekgebouwen volgden in de jaren 1950. Ze kijken uit over de onbebouwde kant van de straat waar het Jupiterpark aansluit op het Dudenpark.

Vaak wordt beweerd dat de stad haar rug keert naar het land en erop neerkijkt, maar dat klopt niet. De flatcomplexen dragen namen als Duden Horizon of Bel Horizon. De topografie van de stadsrand is gebouwd als vlucht naar buiten. Hun grote vensters kijken voorbij het park naar de oude heuveltoppen van het opstandige Vlaamse land. In de verte zien ze de Kesterheide, een getuigenheuvel van zo’n 112 meter, die hoger reikt dan Hoogte 100 vlakbij en waar ergens tussen 55.000 en 35.000  jaar geleden Neanderthalers leefden toen Brussel nog een onbewoond moeras was. Vanuit hun livings langs de Jupiterlaan kijken de bewoners naar het land als naar levende schilderijen. Het zijn de moderne versies van de pittoreske taferelen die de landschapsschilders vanaf de late 19e eeuw schilderden van de zuidelijke stadsrand tussen Tervuren en Linkebeek en waarmee de stedelijke burgerij hun herenhuizen vol hing. Het ontsnappen aan de stad is zo oud als de stad zelf.

Meerwaardigheidscomplex

Naarmate de Rand meer afstand nam, veranderde ook Brussel zelf. De stad internationaliseerde. Gastarbeiders gaven de stad vanaf de jaren 1960 mee vorm in ruil voor een job in de industrie, de bouw, of een ondersteunende job als afwasser, schoonmaker of taxichauffeur. Brussel was, ondanks haar grootte en het beperkte politieke gewicht van België zelf, op weg een kleine wereldstad te worden, en werd dankzij de komst van de NAVO in de jaren 1960 en daarna van de Europese Instellingen eind jaren 1990 tot hoofdstad van Europa gemaakt. Intussen is het één van de meest bedrijvige diplomatieke hoofdsteden en een thuis voor het grootste aantal ambassades, consulaten en politieke conferenties ter wereld. Mede dankzij haar afbakening kon Brussel een eigen mentaliteit ontwikkelen die zich aftekent rond het kosmopolitische karakter van de stad, die verder wordt gevoed door haar tweetalig statuut en haar culturele en talige diversiteit. 
Of in de woorden van Brusselonderzoeker Hans Vandecandelaere: ‘... dat veel voetgangers - in tegenstelling tot in Antwerpen - niet wachten op groen om het zebradpad over te steken. Maar het oversteken zelf verloopt wel vreedzaam. Op de een of andere manier ontplooien Brusselaars een minimale hoffelijkheid ten aanzien van elkaar’. Voor vele toekomers voelt Brussel aan als een veilige haven. De veelheid aan culturen en talen zorgt ervoor dat de ruimte die de mensen er delen telkens weer onderhandeld moet worden, want er is geen meerderheidscultuur meer die bepaalde gedragscodes oplegt en dat kan bevrijdend aanvoelen.

Die veelstemmigheid maakt dat iedereen die dat wil, zich hier een plek kan toe-eigenen en gelijkgezinden vinden om bij te horen. Die veelstemmigheid leidt ook tot creativiteit, bijvoorbeeld in het maken van nieuwe gerechten, producten en kledij die hun inspiratie vinden in de kruisbestuiving tussen de culturen die hier op elkaar stuiten. Creatieve hybridisering is de energieke output van kosmopolitisch Brussel en ook dat trekt mensen aan. 
Wie niet de aansluiting vindt en zich in een fragiele thuissituatie bevindt, zoals de 31% Brusselaars met een inkomen onder de armoederisicogrens, of zich al geconfronteerd zag met het drugsgeweld rond metrostation Clemenceau of lastiggevallen werd omwille van zijn/haar geaardheid en ‘s nachts bij het uitgaan discreet bij het barpersoneel naar ‘Angela’ moet vragen omdat die zich bedreigd voelt, ziet ook de donkere kanten van deze stad.

Trots kan leiden tot overmoed en steden hebben wel eens de neiging om zichzelf te overschatten. Brussel werd hoogmoedig, zeker toen ze in de 19e eeuw de hoofdstad werd van het  unitaire België. Toen zette het liberale en burgerlijke Brussel de toon. Ze was de polsslag van het land en haar zelftrots dreef voort op culturele, politieke en economische leidende positie, het verlichte centrum van een nieuwe natie gedreven door een franco-Belgische eenheidscultuur. De rest had maar te volgen. Oude gewoonten verdwijnen niet zomaar. Ondanks de deuken in haar imago en haar afgenomen belang binnen België, bleef haar zelftrots behouden, maar die neemt soms bizarre vormen aan, bijvoorbeeld wanneer Brusselaars het geweld in hun stad relativeren, door de chaos en het geweld niet alleen te aanvaarden als de onvermijdelijke donkerte van het leven in de hyperdiverse stad, maar ook als een deel van de urban culture te zien, iets wat hen onderscheidt van de Rand. De stad is vrij, de stad is ruig en wie daar niet mee omkan, kan maar beter vertrekken.

Argwaan ten opzichte van de invasieve stad werd intussen een kenmerk van de Rand.

Cocon - carcan

Of is er nog iets anders aan de hand? Het groeiende verschil schiep afstand en de geografie benadrukt het verschil. Afstand werd vervreemding die uiteindelijk onoverbrugbaar werd. Vervreemding werd een hooghartig neerkijken van Brussel dat niet de Rand wou zijn en evengoed andersom. Er is geen hoofdstad die zoveel aanzien heeft toch zo’n laag zelfbeeld heeft als Brussel. Dankzij haar rol op het internationale toneel kan ze nog volhouden hoofdstad te zijn, maar nationaal heeft ze stevig ingeboet. Wat zou de stad nog zijn zonder haar grote instellingen en eurobubbel? Vlaanderen ging zijn weg, Franstalig België uiteindelijk ook en Brussel bleef achter als een lastig randverschijnsel, bevoogd maar niet bevoegd, schreeuwend om aandacht, maar niemand lijkt te luisteren.

De stad is het lijdend voorwerp van het land. Dat zien de Brusselaars ook. Wie hoort graag kritiek op zijn eigen kind? Brusselaars kunnen rekenen op kritiek en ongeloof, hoogstens op mededogen en compassie over het geweld en de chaos in de straten en in de politiek, en de bestuurders die hun stad besturen als kleine gemeenten, niet als een hoofdstad. De Brusselse hooghartigheid is dan een reflex uit onmacht. Bovendien komen armere Brusselaars uit het noorden van de stad amper buiten hun kleine gekende grenzen. Ze worden zenuwachtig als ze met de trein richting de kust rijden, naar onbekend Vlaams gebied, waar ze de culturele gedragsregels en de taal vaak niet kennen. Vlaanderen is die andere plek, rechts en racistisch, waar je in het beste geval terechtkomt als je economisch erop vooruit gaat, maar waardoor je ook je wortels achterlaat.  Ze kennen ook vaak de eigen stad niet en komen amper voorbij het kanaal richting de rijke gemeenten uit het zuiden. Dan is de stadscultuur ook een cocon die hen beschermt tegen het onbekende, maar die hen ook gevangen houdt in stereotype denkbeelden over de andere kant. Maar dat laatste geldt evengoed over de Rand ten aanzien van Brussel.

Als steden groeien, hebben ze de gewoonte om de omgeving die ze veroveren naar hun hand te zetten en ze om te vormen naar hun beeld en gelijkenis. Niet andersom. De grenzen van Brussel houden dat gedeeltelijk tegen en dwingt Brussel tot kleinschaligheid. In Brussel wordt weleens gezegd dat het opgesloten zit in een carcan. Maar wil Brussel wel groter worden en uitbreken uit het keurslijf dat haar heeft gevormd? Intussen is de grens een stevige muur, die Brussel compact en bevattelijk maakt in haar complexiteit, een comfortzone waarbinnen de stad wordt gedoogd en haar chaotische identiteit kan gedijen; een plek van stabiele onzekerheid. De doden op de begraafplaats van Sint-Gillis wisten het al. Soms is het gemakkelijker om te ontsnappen aan het leven dan aan de stad.

© Filip Claessens

Lees ook

Samenleving & politiek

Lees meer
Samenleving & politiek

Lees meer
Samenleving & politiek

Lees meer