Ook het Atomium lijkt klein van hieruit. Alles lijkt kleiner van hieruit: Grimbergen, Vlaanderen, Brussel,... en ook de visies op ons land, de taal en cultuur die hier soms slechts enkele meters uit elkaar liggen, maar die wel kilometers lijken.

Aan de overkant van de Ring rond Brussel, op het grondgebied van Koningslo, ligt een tuinwijk, bij Nederlandstaligen gekend als Het Voor. Kort na de Tweede Wereldoorlog zetten de Brusselse immobiliënmakelaars Crollen en Lemercier daar hun zinnen op de grote hoeve en omliggende landerijen. 

Het gebied sluit goed aan bij Strombeek en de Mutsaardwijk in Laken (Brussel). Dan gaat het snel. In amper twee jaar tijd, tussen 1948 en 1950, stampen ze een moderne wijk uit de grond, Beauval, want zo heet de wijk volgens de reclame, is gericht op een cliënteel van ambtenaren uit de groeiende middenklasse van de stad op zoek naar een betaalbare woning niet ver van Brussel. De wervingscampagne verloopt in het Frans, en Beauval wordt een Franstalige wijk in het voor de rest Nederlandstalige Koningslo. 

Franse wijken

De komst van Beauval verdubbelt het aantal inwoners van Koningslo, en er wordt een nieuwe taalgroep aan de plaatselijke gemeenschap toegevoegd. In het begin zorgt dat voor geen al te grote problemen. De nieuwe wijk brengt nieuwe winkels mee die door alle inwoners worden bezocht. Al leven ze niet mét elkaar, ze leven in redelijke verhouding naast elkaar. 

Op het moment dat Beauval het licht ziet, lag de taalgrens nog niet vast, net als hoe groot de Brusselse agglomeratie zou worden. Het zou een kwestie van tijd zijn tot de agglomeratie tot daar zou uitbreiden. Voor Franstaligen was de uitbreiding van Brussel een natuurlijk proces. 

Dat begonnen de Nederlandstaligen stilaan anders te zien. De sfeer verandert begin jaren 60 toen ook op nationaal niveau de communautaire spanningen stijgen en Nederlandstaligen feller in het verweer komen tegen de toenemende verstedelijkingsdruk rond Brussel en de daarbij horende verfransing.

‘De kentering was Expo 58 hier vlakbij op de Heizel’, zegt Rik Sauwen die er als kind bij was. ‘De expo was fantastisch, maar heel erg Brussel-Frans. Er kwam een tegenreactie van voornamelijk jonge Vlamingen, onder wie de latere premier Wilfried Martens, waardoor er uiteindelijk toch een Vlaamse dag kwam.’

Knokploeg aan de kerk

De bestuurstaalwet van 1963 schept duidelijkheid. Het Voor blijft in Vlaamse handen. Terwijl daarvoor de verfransing van Koningslo en de Rand nog bijna onvermijdelijk leek, komen vanaf nu beide gemeenschappen vaker en openlijker in conflict. Als gevolg van de nieuwe taalwetgeving verdwijnen in Koningslo de transmutatieklassen, bedoeld om Franstalige leerlingen geleidelijk aan het Nederlands te doen wennen, en het onderwijs wordt helemaal Nederlandstalig.

De concrete aanleiding is een lokaal incident in de kerk: de misvieringen worden er nog in twee talen gehouden, om 10 uur in het Nederlands, om 11 uur in het Frans. Dat is in strijd met de nieuwe taalwetgeving. De pastoor probeert de kerk in het midden te houden, zelfs met een mis in het Latijn, maar in het najaar van 1967 escaleert de boel. Op zondag 15 oktober wordt de misviering het toneel van gevechten tussen Vlaamse actievoerders die de strikte toepassing van de taalwet eisen en Franstaligen die hun verworven gebruiken willen vrijwaren. Het levert Koningslo twee gescheiden kerken op: een officiële en een officieuze. En een communautaire kater. 

Verkavelen

Het Voor is geen alleenstaand geval, ook op andere plekken in de Rand rond Brussel zien Franstalige wijken het licht. De reclame van Crollen en Lemercier brengt gronden aan de man in zowat de hele Rand rond Brussel: Grimbergen, Overijse, Lennik en Hoeilaart aan de Vlaamse kant van Brabant, Eigenbrakel, Limelette en Dion-le-Mont aan de Waalse kant. Voor Nederlandstaligen roept de uitdijende stad het schrikbeeld op van Brussel als een niet te stoppen olievlek die alles verstikt. 

Voor Nederlandstaligen moet het Brusselse tweetalige gebied beperkt blijven. De wet van 1963, die de taalgrens definitief vastlegt, beperkt de Brusselse agglomeratie tot de 19 gemeenten die ze vandaag nog telt. Voor Franstaligen mocht Brussel gerust groter worden, want het taalregime hing immers ook af van het taalgebied waarin een gemeente ligt: eentalig Nederlands of tweetalig Brussels. De stadsuitbreiding was verknoopt met de gevoelige taalpolitiek.

Vlaamse wijken

Het verstedelijkingsproces stopt niet aan de juridische grens en de strijd om het land en wie het toebehoort, wordt hard gespeeld in de Rand. Het studiebureau Mens en Ruimte voorziet het onbehagen met een verdere onderbouw toen het in 1964 de nauwe band aantoont tussen de verstedelijking en de verfransing van de stadsrand. Het Vlaamse antwoord hierop is een paradox: de Rand rond Brussel kon alleen Vlaams en groen worden gehouden door zelf te beginnen bouwen.

De strijd om de grond was niet alleen een taal-culturele strijd, maar ook een sociale strijd onder de opkomende middenklasse die een plaats zocht in de Rand: van Franstaligen die in de Rand de logische uitbreiding van Brussel zagen, van Brusselaars die op de sociale ladder stegen en in de Rand hun suburbane droom konden verwezenlijken. Terwijl groeit in de binnenstad een nieuwe sociale onderklasse van inwijkelingen en gastarbeiders die de vrijgekomen jobs en uitgeleefde huizen langs het kanaal in Molenbeek, Anderlecht en Vorst invullen.

De NV Expansie ziet in 1965 het levenslicht met als doel om in de Rand woonwijken voor een Vlaams publiek te ontwerpen en zo de Vlaamse gemeenschap ten aanzien van Brussel cultureel te ontvoogden. Met architectencollectief Dimensie 3 bouwt het in de tweede helft van de jaren 60 de wijken Drogenberg in Overijse en Zonneveld in Grimbergen, de laatste als een totaalconcept van woningen, stratenplan en een wijkwinkel. De huizen waren sleutel-op-de-deur woningen met een ingerichte keuken en een tuin. De wijk moet het leven in gemeenschap stimuleren.

In wijk Zonneveld verwijzen de Palieterlaan, Reinaardlaan, Beatrijslaan of Max Havelaarlaan naar literaire meesterwerken uit het Nederlandse taalgebied, net als de Lanceloetlaan, Harbalorifalaan en Elcerlyclaan in de wijk Drogenberg. Ze beklemtonen het Nederlandstalige karakter van de buurten en dragen bij tot de culturele ontwikkeling van de Rand vanuit een herontdekking van hun Nederlandstalige culturele eigenheid.

Tongbrekers als wapens

‘Meer dan een antwoord op de Franstalige uitbreiding, was het een uiting van de culturele ontvoogding die gericht was op de toekomst’, zegt Sauwen. ‘Zonneveld werd hier in het dorp ook wel de miljoenenwijk genoemd. Hier kwam het kruim van de Vlaamse ontvoogde klasse wonen: professoren, officieren, of acteurs zoals Senne Rouffaer. De nieuwe inwoners spraken geen dialect, maar Nederlands en dat hoorde dus niet echt bij het dorp.’ De wijk was een rolmodel voor het Vlaanderen van de toekomst dat haar dorpsheid ontsteeg.

Straatnamen worden zo gekozen dat ze moeilijk te vertalen zijn. Zij zijn een wapen in de symbolische strijd om het gebied en dienen om de Vlaamse of Franstalige claims kracht bij te zetten.

Straatnamen en toponymie worden een wapen in de symbolische strijd om het gebied en dienen om de Vlaamse of Franstalige claims kracht bij te zetten. Terwijl Beauval nog weinig intentioneel klinkt en vooral aansluit bij het voorstellingsvermogen van het beoogde doelpubliek, dat uitkeek naar een schone en groene omgeving buiten de stad, krijgen in de loop van de jaren 60 en 70 de spanningen rechtstreeks hun weerslag in de lokale toponymie, zoals het onvertaalbaar maken van straatnamen.

In Sint-Genesius-Rode wordt wel eens beweerd dat de Spaanderboerstraat en Bezembinderlaan uit het einde van de jaren 70 niet alleen verwijzen naar de vroegere inwoners van het dorp die van de houtsprokkel uit het Zoniënwoud leefden, maar dat de straatnamen zo gekozen werden dat ze niet in het Frans vertaald konden worden.

Dit soort disputen bleven recent aanhouden, bijvoorbeeld toen er in 2016 nog moest blijken of straten als de Hutteweg ook Chemin de l’Espinette mochten heten, of toch Chemin du Hut moest zijn. Los van de argumentatie ligt aan de basis een andere zienswijze: Vlaams gebied met straatnamen die omwille van de taalfaciliteiten die er gelden vertaald worden of een tweetalig gebied met een andere toponymie per taal?

Egmontpact

Na de escalatie van 1967 volgt tien jaar later een grotere clash met een impact op Brussel en de Rand: Het Voor werd een Egmontwijk. Met het Egmontpact wou de Belgische regering in 1977 de lont uit het communautaire kruitvat halen in een allesomvattende poging om aan te pakken wat tot dan toe taal- en staatkundig was blijven liggen, waaronder de situatie van Nederlandstaligen en Franstaligen in Brussel en de Rand.

Voor Nederlandstaligen betekent het Egmontpact een bevestiging van wat ze al langer voorvoelden: de nieuwe wijken hadden niet alleen een verstedelijking en een verfransing met zich meegebracht, maar die praktijk dreigde nu ook politiek gelegitimeerd te worden doordat Franstaligen in de zogenaamde Egmontgemeenten en -wijken, zoals Het Voor, fictieve inschrijvingsrechten in een Brusselse gemeente dreigden te verwerven, zodat ze alsnog van bepaalde taalfaciliteiten gebruik konden maken.

Het pact sneuvelt uiteindelijk, onder andere door het hevige verzet in de Rand; voor de Egmontwijken verandert er uiteindelijk niets. Het Voor blijft Beauval, maar voor Franstaligen is het een nederlaag. En voor België betekent het stilaan het einde van de eenheidsstaat, omdat eens te meer blijkt dat samenleven over taal-culturele grenzen minder mogelijk was dan ooit. Franstaligen uit Het Voor trokken zich terug in hun eigen kerk, jeugdverenigingen en cafés. Voor Nederlandstaligen was het net zo. Hetzelfde gebeurde op nationaal niveau. 

Nu liggen de zaken anders. Jongeren groeien op in een heel andere Rand dan die van 50 jaar geleden. Hun wortels liggen niet in de taal, maar bij hun vrienden, verenigingen, jeugdbewegingen. Ze gaan naar Brussel om te studeren, werken of feesten.

Voor de Nederlandstaligen is het een overwinning met een zure bijsmaak, want de vrees voor een sluipende Franstalige gebiedsuitbreiding blijft. Sinds 1977 werden gemeenten in de Rand nadrukkelijker een plek Waar Vlamingen thuis zijn, zoals nog in zuivere maar verkorte vorm bij het binnenrijden van Dilbeek te lezen valt, of in afgeleide vorm in Mooie Vlaamse gemeente Tervuren, Verrassend, veelzijdig en Vlaams Asse, Zaventem - Vlaams en Gastvrij of Vlaamse gemeente Ternat.

Voor een hybride vorm was er geen plaats meer in een land dat bipolair was geworden. Zo leek het toen. Nu liggen de zaken weer anders. Jongeren groeien op in een heel andere Rand dan die van 50 jaar geleden. Hun wortels liggen er bij hun vrienden, verenigingen en jeugdbewegingen, maar ze lopen uit tot in Brussel waar hun leven zich ook afspeelt om er te studeren, te werken of te feesten. 

Verder is hun blik gevormd door de omgeving die cultureel en qua taal veel diverser werd, en communautair rustiger, want van de agressiviteit van de jaren 60 en 70 is al even geen sprake meer en taal al zeker geen strijdpunt. Hun identiteit is gevoed door wat de Rand geworden is als complexe plek dicht bij de stad, maar er niet helemaal mee samenvalt. 

Voor Vlaanderen is de Rand gewoon als de rest van Vlaanderen. Voor Brussel intussen trouwens ook. Later dan in Brussel krijgt ook de Rand stilaan een eigen mentaliteit: iets tussen Vlaanderen en Brussel met bijbehorend gevoel door de twee kanten niet echt begrepen te worden; het kenmerkende sentiment van bewoners langs een grens. 

Tussenruimte

Het trekken van de gewest- en taalgrenzen rond Brussel bracht uiteindelijk communautaire rust. De status quo was een moeilijk afgedwongen maar leefbaar compromis. Franstaligen verloren hun grip op de Rand rond Brussel; Nederlandstaligen kijken nog steeds aan tegen Brussel waar hun taal een minderheidstaal is geworden. 

Paradoxaal genoeg maakte de ontspanning langs de grenzen dat de stadsrand opnieuw hybride kon worden. Maar anders dan Brussel is die nieuwe hybriditeit niet gebouwd op de stedelijke microkosmos, maar wel op die van een tussenpositie op de Rand tussen de stad en het land errond zonder echt centrum.

Het hybride karakter maakt intussen deel uit van de eigenheid van de Rand. Culturele diversiteit neemt de plaats in van culturele bipolariteit en meertaligheid die van tweetaligheid. De taalbarometers voor de Vlaamse Rand van 2014 en 2019 geven aan dat Nederlands de meest gesproken taal is in de Rand, Frans de meest gekende en ook de kennis van het Engels is gestegen, terwijl het aandeel van meertalige communicatie stijgt.

Dat hoeft niet problematisch te zijn, want het helpt de stadsrand communautair te ontspannen en toont het randgebied waartoe het nu bestemd is: een tussenruimte waarin onderhandeling nodig is om samen te leven, maar met een bestuurlijk kader dat intussen duidelijk Nederlandstalig is.

Terug naar de Vergezichtweg in Grimbergen. Het Atomium toont waar België eind jaren 50 naartoe moest: een modern land dat komaf had gemaakt met de communautaire demonen uit haar verleden, maar daarmee wel de eigenheid van haar samenstellende delen negeerde.

Het land liet zich niet plannen aan de tekentafel van de utopistische architectuur. De Abdij van Grimbergen aan de andere kant van het plateau toont waar het land op rust: het complexe erfgoed dat niet zomaar te negeren valt. Ertussen ligt het veld open.

Lees ook

Samenleving & politiek

Lees meer
Samenleving & politiek

Lees meer
Samenleving & politiek

Lees meer