‘Het is complex’, zegt ze terwijl ze me werken blijft toestoppen. ‘Er zijn oude wonden. In iedere familie hier ontbreekt er wel een broer, een zus of een tante die niet terugkwam na de deportatie.’ Voor de Friulanen hier aan de Adriatische kunst was de 20e eeuw ongemeen hard. Eerst was er het bloedbad langs de Isonzo in de Eerste Wereldoorlog waarin duizenden Oostenrijk-Hongaarse en Italiaanse soldaten het leven lieten. 

Daarna was er de culturele moord op de Sloveense cultuur onder fascistisch Italië tijdens het interbellum gevolgd door de deporatie van de Slovenen onder het nazibewind en na de oorlog de weerwraak op de Italianen. ‘Er zijn vier generaties nodig om te beginnen met genezen’, zegt ze daarop. ‘We zitten nog maar aan de derde.’ 

Alleen schrijvers schrijven er al over, hun werken hier in mijn handen zijn slechts het begin van het genezingsproces. Friuli heeft al veel te verduren gehad, maar schijnbaar niet genoeg, want in 1947 was daar de grens die het land doorsneed tussen Italië in het westen en Joegoslavië in het oosten. 

Gorizia lag in het midden en voor de bewoners op de grens was het kiezen. Blijven of vertrekken? Waarvoor kiezen: voor familie, dorp of grond? Of ideologie? Voor oost of west? Of verstard niets (kunnen) doen?

In 2004 werd Slovenië lid van de EU en ging de grens echt open. Aan beide kanten van de grens spreken families nog de twee talen, maar dat neemt af. ‘Zeker bij de generatie onder de dertig. Die gaat naar Ljubljana en leert daar Engels. In Italië is het evenzeer zo.’ 

Of de tweetaligheid even groot is aan beide kanten, wil ik nog weten, want het valt me op hoeveel Italiaans er nog aan de Sloveense kant klinkt. Ze lacht wat verlegen, zoekt naar het goede antwoord. ‘Het is echt een grote cultuur’, zegt ze dan. ‘Ze zijn blij met zichzelf.’ En ik denk dat ik het begrijp.

De volgende dag stap ik in Gorizia een boekenwinkel binnen, vol Sloveense boeken. ‘Zeker wordt er hier nog veel Sloveens gesproken’, zegt de eigenares. ‘Vooral in de dorpen rondom.’

‘Il sloveno ha un peso’, zegt ze, het culturele gewicht van een taal die al sinds de 16e eeuw geschreven wordt als gevolg van het opkomende protestantisme dat de bijbel in de eigen volkstaal vertaalde. 

Net als het Nederlands bijvoorbeeld. ‘Maar vergeet Friulisch niet’, zegt ze dan, de volkse taal van haar vader, het lichtgewicht dat wel vaker vergeten wordt tussen de twee zware talen en nationaliteiten langs weerskanten van de grens. En ik denk: bezoek altijd minstens twee boekenwinkels. 

In verscheidenheid verenigd (In varietate concordia)

Vlaanderen, Wallonië en Brussel met de taal- en gewestgrenzen ertussen. Nergens botsen zoveel grenzen op elkaar. Of toch, dat denken we. Van culturele grenzen, het IJzeren Gordijn of de buitengrenzen in Griekenland: overal lopen er grenzen door en langs Europa. Overal wonen er mensen langs een grens en verhouden zich tot een overkant. Dat merkten we ook in onze reeks Grensgebieden over de (taal)grenzen binnen België.

Soms zijn de grenzen flou, soms vast. Soms bieden ze mogelijkheden, soms houden ze tegen. En soms is het waarom nog moeilijk te begrijpen. Net als bij ons. Maar overal verbinden de grenzen al die mensen en wereldbeelden met elkaar, geheel in lijn met de leuze van de Europese Unie - In varietate concordia. In verscheidenheid verenigt. Op verkenning in het buitenland.