Koen Pelleriaux groeide op in Sint-Genesius-Rode. In het secundair onderwijs volgde hij de technische richting industriële wetenschappen met veel wiskunde, maar uiteindelijk koos hij toch voor de opleiding sociologie aan de VUB.

Waarom koos je voor geesteswetenschappen en niet voor een STEM-richting?
‘Talen lagen mij minder, en hoewel veel klasgenoten industriële ingenieursstudies gingen doen, zag ik dat niet zitten. Via uitsluiting kwam ik terecht bij richtingen als psychologie, pedagogie en sociologie. En sociologie won, omdat ik wou begrijpen hoe een maatschappij werkt. Wat ook meespeelde, was de interesse die ik had voor geschiedenis en politiek.’
‘1988, mijn laatste jaar in het secundair onderwijs, was een verkiezingsjaar. De Amerikaanse verkiezingen waren toen razend spannend, met Reagan die geen derde termijn kon doen en George Bush die het haalde van Michael Dukakis. Bij ons thuis werd er aan tafel over politiek gesproken. Mijn ouders waren niet politiek actief, maar ze vonden het wel belangrijk dat hun kinderen wisten hoe politiek werkte en waar ze voor stemden. Die aandacht voor burgerschapsvorming vind ik vandaag nog altijd een kernopdracht voor het GO! Wat uiteindelijk de doorslag gaf, was het boek Invitation to Sociology van Peter Berger. Dat boek, geschreven voor jonge studenten, legde op een heel toegankelijke manier uit wat sociologie is. Het bevestigde mijn keuze.’

Welke leerkracht heeft jou het meest gevormd? 
‘Dat waren er twee. De eerste is juffrouw Sonja van de onthaalklas in de kleuterschool. Ik raakte zo aan haar gehecht dat ik weigerde om naar de volgende klas over te stappen. Ik was zo lastig dat ik uiteindelijk toch een beetje langer bij haar mocht blijven, tot ik eindelijk aanvaardde dat ik verder moest. Nu, als volwassene, denk ik dat ze uitzonderlijk goed was in haar job.’ 
‘De tweede is Victor Ameys, mijn leraar wiskunde in de laatste twee jaren industriële wetenschappen. Ik kreeg acht uur per week les van hem. Meneer Ameys was gepassioneerd door zijn vak. Hij kende de leerstof door en door, maar had tegelijkertijd ook veel aandacht voor zijn leerlingen als individu. Ik heb later, bij mijn studies sociologie, veel gehad aan de wiskundige basis die ik van hem heb meegekregen. Hij was echt zo’n leerkracht die je iedereen gunt: iemand die zijn vak beheerst, het met overtuiging overdraagt en oog heeft voor jongeren.’

Je zei ooit in een interview dat leerkracht het belangrijkste beroep ter wereld is. Sta je daar nog achter?
‘Helemaal. Leerkrachten dragen kennis en cultuur over van de ene generatie op de andere. We hebben veel respect voor bijvoorbeeld artsen of piloten; ze hebben mensenlevens in handen, da’s waar. Maar niemand heeft een fundamentelere taak dan wie jonge mensen vormt, opleidt, hen kennis en cultuur meegeeft. Het beroep van leerkracht krijgt vandaag niet de maatschappelijke waardering die het verdient. Eén tot twee generaties geleden stond het beroep van leerkracht veel hoger aangeschreven. Dat is veranderd; dat zie je in heel veel dingen.’
‘Een voorbeeld? Het is nog maar sinds de vorige legislatuur normaal dat leerkrachten van hun werkgever een computer krijgen. In andere sectoren is dat al heel lang vanzelfsprekend. Als maatschappij moeten we opnieuw respect tonen voor leerkrachten. Dat vraagt om investeringen en veel geld. Dat besef ik, maar ze zijn nodig voor betere werkomstandigheden, een aantrekkelijk statuut, zodat mensen opnieuw voor het beroep kiezen. Het is niet alleen de overheid die moet investeren, ouders spelen hierin ook een rol. Ze moeten beseffen dat de kansen en de toekomst van hun kinderen in grote mate afhangen van de kwaliteit van de leerkrachten.’

‘Juffrouw Sonja van de onthaalklas in de kleuterschool heeft een diepe indruk op mij gemaakt. Achteraf denk ik dat ze uitzonderlijk goed was in haar job.’

Ondertussen staan de kranten vol over de dalende kwaliteit van ons onderwijs. Was het vroeger beter? 
‘Je moet goed beseffen dat het onderwijs van vandaag niet meer het onderwijs van een of twee generaties geleden is. De samenleving is veel complexer geworden en dat zie je in de school. Er zijn meer zorgnoden, meer diversiteit, meer verwachtingen. En ja, het is ontegensprekelijk zo dat de onderwijskwaliteit in Vlaanderen onder druk staat. Daarom zijn ambitieuze leerplannen en minimumdoelen zo belangrijk, ook in het basisonderwijs. Ook jonge kinderen moeten al fundamentele kennis meekrijgen. Als ouders zien dat scholen effectief die basis overdragen, groeit ook het vertrouwen. Onderwijs is namelijk de belangrijkste factor voor latere kansen op een baan.’

Vaak wordt gezegd dat scholen ook opvoedingstaken moeten opnemen die vroeger bij de ouders lagen. Is dat zo?
‘Kijk, opvoeding is altíjd een deel van het onderwijs geweest. Hoe je het draait of keert, kinderen brengen een groot deel van hun tijd door op school. Je kan onmogelijk lesgeven zonder ook waarden en gedrag mee te geven. De leerkracht die je je als volwassene herinnert als ‘de beste’ zijn meestal degenen die méér deden dan leerstof overdragen, ze hadden ook invloed op je persoonlijke ontwikkeling. Dat zijn leerkrachten met karakter.’
‘Natuurlijk is de context veranderd. De samenleving is een stuk complexer en er zijn meer zorgvragen. De verlenging van de leerplicht tot 18 jaar in 1984 heeft de eisen voor leerkrachten ook verhoogd. Daarvoor stroomde 16 tot 20% van de leerlingen uit zonder diploma en ging ongeschoold werken. Vandaag is er geen nood meer aan ongeschoolde arbeid, onze economie is een kenniseconomie. Leerlingen die het moeilijk hebben, kan je niet meer ‘laten gaan’. Ze moeten mee en dat vraagt om veel meer differentiatie en een sterk zorgbeleid. Dat maakt het werk voor leerkrachten veel zwaarder dan vroeger.’
‘Daar komt nog bij dat het gezinsmodel ondertussen veranderd is. Van een situatie met vaak één kostwinner zijn we geëvolueerd naar een model waarin tweeverdieners de norm zijn. Waar een gezin vroeger samen ongeveer vijftig uur per week aan betaalde arbeid deed, is dat vandaag vaak tachtig uur. Dat betekent dus minder tijd voor de kinderen thuis en meer verwachtingen voor de school. Waarmee ik absoluut niet wil zeggen dat dit per definitie niet goed is voor kinderen, nee, maar het stelt in ieder geval andere eisen aan het onderwijs.’

Zou je zelf graag lesgeven? Of ligt je hart vooral bij het beleid?
‘Ik héb lesgegeven, in het hoger onderwijs. Dat lesgeven in de lerarenopleiding vond ik onwaarschijnlijk plezant. Ik heb er soms spijt van dat ik nooit in het leerplichtonderwijs heb gestaan, met jongere leerlingen. Tijdens de coronaperiode, met grote tekorten aan leerkrachten, dacht ik er wel aan om zelf een vak te gaan geven, bijvoorbeeld in de humane wetenschappen, maar dat is er nooit van gekomen. Het idee is wel blijven knagen, moet ik zeggen. Doorheen mijn carrière is onderwijs altijd de rode draad geweest. Na mijn studies werkte ik tien jaar aan de VUB als socioloog. Ik deed er onderzoek naar werkloosheid, kinderen van werklozen en naar cultuur in het beroepsonderwijs. Daarna gaf ik vier jaar onderwijssociologie aan de universiteit van Antwerpen. En toen ben ik in het beleid terecht gekomen, eerst als directeur van de studiedienst van de SP.A en dan als kabinetschef bij verschillende ministers van Onderwijs. Later werkte ik in de onderwijsadministratie, waar ik het beleid soms te abstract vond. In 2020 ben ik dan bij het GO! aan de slag gegaan als afdelingshoofd regelgeving. Toen mijn voorgangster Raymonda Verdyck met pensioen ging, heb ik mij kandidaat gesteld voor mijn huidige functie. Ik doe mijn job ontzettend graag. Ik heb het gevoel dat ik in deze functie veel dichter bij de scholen sta dan in mijn beleidsfuncties vroeger, al is het natuurlijk niet hetzelfde als zelf voor de klas staan.’

‘Als maatschappij moeten we opnieuw respect tonen voor leerkrachten. Dat vraagt om investeringen en veel geld, dat besef ik.’

Dilemma: beleid maken via de administratie of de politiek of zelf minister van Onderwijs worden?
‘Dat tweede zal niet gebeuren. In mijn kabinetstijd heb ik gezien hoe zwaar die job is: complexe dossiers, snelle beslissingen, voortdurende politieke aanwezigheid, weekends vol verplichtingen,… Ik heb drie kinderen en besef - zoals veel ouders - dat ik misschien te weinig tijd in mijn gezin kon steken. De stap naar een ministerschap, met nog minder privacy en vrije tijd, zie ik niet zitten. Ik bewonder de mensen die aan politiek doen, in alle partijen, maar het past niet bij mijn aard. Vanuit mijn huidige job kan ik tot aan mijn pensioen actief werken aan de onderwijskwaliteit. Ik vind dat een bijzondere uitdaging die perfect bij mij past.’

Is de Vlaamse Rand de lakmoesproef voor ons onderwijssysteem? Het is een regio die vooruitloopt op de rest van Vlaanderen wat betreft uitdagingen als armoede, integratie en veranderde sociale netwerken?
‘De institutionele grens tussen Brussel en Vlaanderen is sociologisch niet zo hard als op papier. Veel leerlingen uit Brussel lopen school in de Rand. In Sint-Pieters-Leeuw, Vlezenbeek, Halle, Vilvoorde,… Scholen zijn daar veel groter dan het aantal kinderen dat er lokaal woont omdat ze leerlingen uit de hoofdstad aantrekken. Zo komt de grootstedelijke problematiek - meertaligheid, armoede, integratie - ook in de Rand terecht. In die zin is de Rand enerzijds een lakmoesproef voor ons onderwijssysteem. Anderzijds zijn er ook elders gelijkaardige situaties, bijvoorbeeld in Ronse of de regio aan de taalgrens. Wat de Rand vooral specifiek maakt, is de anderstaligheid. Franstaligheid in gemeenten als Kraainem en Wemmel, en een brede meertaligheid vanuit Brussel.’

Wat betekent de Rand voor jou persoonlijk? 
‘De Rand is voor mij een plek van familie en ontspanning. Mijn familie woont in Halle, Schepdaal, Buizingen, Beersel en Rode. Ik ga nog altijd wandelen in het Hallerbos en vertrek dan vaak vanuit Sint-Genesius-Rode.’


Randportret

Naam Koen Pelleriaux
Geboren in Ukkel, 1968
Functie Belgisch topambtenaar en socioloog, afgevaardigd bestuurder van GO! Gemeenschapsonderwijs, vader van drie kinderen