Sport en jeugd zijn twee domeinen die hem ook als kabinetsmedewerker van burgemeester Jo De Ro na aan het hart liggen. Dat, en nog veel meer. ‘Ik heb geen zittend gat en sociaal engagement zit in mijn DNA. Vilvoorde is de jongste stad van Vlaanderen. Hier valt nog veel te realiseren.’
Je studeerde politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Had je al jong ambities als politicus? ‘Politicus worden?
Nee, niet meteen. Ik heb nooit op de voorgrond gestaan in de politiek. Ik werk al bijna heel mijn carrière achter de schermen. Maar ik wou wel altijd iets betekenen, dat wel ja. Dat was de reden waarom de richting politieke wetenschappen mij zo interesseerde. Toen ik aan de VUB studeerde, was ik actief in de jongerenbeweging van de Volksunie. In mijn laatste jaar waren er verkiezingen en ik stelde mij kandidaat. Die eerste keer op een lijst was een positieve ervaring. Ik heb toen heel wat mensen leren kennen. Nadien is de Volksunie in de regering gestapt en ik kreeg de vraag om op het kabinet van Bert Anciaux te komen werken. Sport, cultuur en jeugd, waren zijn bevoegdheden. Dat is uiteindelijk ook de rode draad geworden in mijn carrière. Sport en beleid maken: dat vat alles samen.’
Kom je uit een sportief gezin?
‘Niet echt. Mijn ouders zijn recreatieve fietsers en mijn oudere zus heeft een tijdje basketbal gespeeld. Als kind stuiterde ik van de energie, dus vonden mijn ouders het een goed idee om mij in te schrijven bij een sportclub. Dat werd Bavi, de basketbalclub van Vilvoorde. Ik heb zowat heel mijn jeugd in de sporthal doorgebracht. (lacht) Ik heb er alle leeftijdscategorieën doorlopen, van de jongste tot de eerste seniorsploeg. Als jeugdspeler heb ik zelfs twee jaar meegedraaid in de eerste ploeg, net in de periode dat we kampioen werden. Da’s ondertussen alweer dertig jaar geleden, maar het voelt aan als gisteren. Jammer genoeg kreeg ik daarna een rugblessure waardoor ik moest stoppen met spelen, maar daardoor ben ik in het trainerschap gerold. Ik ben jarenlang trainer geweest bij de basketbalclub. Ondertussen vind je me meer op de atletiekpiste. Het is nu een kleine tien jaar dat ik in de atletiek zit.’
Als je moest kiezen: basketbal of atletiek? Welke van de twee wordt het?
‘Goh, moeilijke keuze. Had je mij dat tien jaar geleden gevraagd, dan had je waarschijnlijk een ander antwoord gekregen, maar nu is het toch echt wel atletiek. Momenteel ben ik trainer en sportief coördinator van de atletiekclub en daar kan ik mijn ei volledig in kwijt. Ik haal er veel voldoening uit, maar ik ben met evenveel plezier twintig jaar basketcoach geweest. Alleen: de basketclub had een strikter trainingsritme en met mijn drukke werkagenda was dat moeilijk te verenigen. Het is eigenlijk door mijn dochter Margo, die bij de VAC trainde, dat ik bij de atletiekclub terechtkwam. Het was een logische stap om daar trainer te worden. Daarna ben ik doorgegroeid tot jeugdcoördinator en tot trainer van de oudere leeftijdsgroepen.’
‘Als sportief verantwoordelijke heb ik contacten in de hele club, ook met onze elite-atleten. Ik ben regelmatig op wedstrijden aanwezig om te supporteren en steun te geven. Ik ben net terug van een trip naar Bergen (Noorwegen), waar drie van onze U23-atleten deelnamen aan het EK U23, en dat wordt serieus geapprecieerd, merk ik.'
De sfeer in de club is belangrijk. Iedereen krijgt een warm welkom en hoort erbij.
‘De sfeer in de club is belangrijk. We zijn een hechte familie. Neem nu bijvoorbeeld Noor Vidts. Zij is bij ons opgegroeid en heeft alle jeugdcategorieën doorlopen. We zijn allemaal zo trots op haar. Ze komt nog altijd met plezier een demonstratietraining geven voor onze jonge atleten. Die kijken naar haar op natuurlijk, zeker na haar bronzen medaille op de Olympische Spelen van Parijs. Zoiets mag je haar altijd vragen, net als de andere atleten trouwens. Ja, we zijn echt een gemoedelijke club. Natuurlijk willen we goede resultaten behalen, maar onze atleten moeten plezier aan hun sport beleven. Die fijne sfeer is de reden waarom ik er graag energie insteek. Onze filosofie is dat we iedereen een warm welkom heten, en ze laten voelen dat ze bij dat groen/witte clubje horen.
In een stad als Vilvoorde met een grote diversiteit is dat niet altijd makkelijk.
‘Onze jeugd is een afspiegeling van de jeugd in Vilvoorde. Allemaal verschillende kleurtjes. Dat brengt uitdagingen met zich mee, alleen al qua talen. Onze jeugdcoördinator zet daar zwaar op in om dat zo goed mogelijk te laten draaien. We hebben een paar moeilijke jaren gekend, bijvoorbeeld om genoeg jeugdtrainers te vinden, maar ondertussen zijn we terug op de goede weg. Daar mogen we echt trots op zijn.’
Jouw inzet voor de atletiekclub sluit op het eerste zicht niet zo dicht aan bij jouw functie als kabinetsmedewerker van burgemeester Jo De Ro?
‘Toch wel. Het gaat in beide functies om sociaal engagement. Mijn job als kabinetsmedewerker is heel divers, van agendabeheer tot inhoudelijk dossiers mee opvolgen, contacten leggen en onderhouden,… Mee beleid maken, is iets wat ik met hart en ziel doe. Ik ken Jo al lang. Ik was ook al zijn medewerker in het Vlaams Parlement. Hij was toen naast parlementslid ook schepen van Onderwijs in Vilvoorde en samen hebben we bijvoorbeeld het fietsexamen in het leven geroepen. Dat bestond op dat moment nog niet; elke school deed zo’n beetje haar eigen ding. We hebben het gecentraliseerd en een parcours uitgestippeld. Ik ging op heel wat scholen persoonlijk langs om de kinderen aan te moedigen. Het is belangrijk dat kinderen zelfstandig met de fiets naar school kunnen en durven gaan. En da’s niet in alle culturen ingeburgerd, dus dan moet je vanuit het beleid ervoor zorgen dat alle kinderen die kans krijgen. Nu is dat fietsexamen een vaste waarde geworden, stevig ingebed in de werking van de stad.'
Wat zou je vanuit jouw plek graag veranderd zien in Vilvoorde?
‘Da’s geen geheim, de accenten zijn vertaald in het bestuursakkoord. Een van de grotere thema’s waarmee we naar de kiezer zijn getrokken, is de veiligheid in onze stad. Ik denk dat het wel duidelijk is met alle gebeurtenissen van de afgelopen jaren, dat daar echt nood aan is. Maar het mag niet alleen repressie zijn, overleg is belangrijk. Al moet je op een gegeven moment ook een streep kunnen trekken en zeggen: Dit is de grens. Ga je hierover, dan volgen er sancties. We willen een samenleving die leefbaar is voor iedereen. Zoiets kan je natuurlijk niet van de ene dag op de andere realiseren. Daar is tijd voor nodig. En geld. En vooral een volledig bemand politiekorps, iets wat we om dit moment niet hebben. Er staan nog veel vacatures open.’
Hoe komt dat?
‘Da’s typisch voor de randgemeenten. We verliezen mensen aan de hoofdstad omdat ze in Brussel een extra premie krijgen. Dat scheelt behoorlijk wat per maand, dus logisch dat zij daarvoor kiezen, maar dat maakt het in de Rand moeilijker om op volle capaciteit te werken. Met een randpremie kunnen we de concurrentie met de hoofdstad beter aan en dat is echt nodig.’ (n.v.d.r. in het federaal regeerakkoord is een randpremie voor de politie in de Vlaamse Rand opgenomen).
‘We kennen heel wat grootstedelijke problemen. Vilvoorde is de jongste stad van Vlaanderen, ook een van de meest diverse steden intussen. Alleen het feit dat er in de Rand al twintig jaar wordt gevraagd om van Vilvoorde een centrumstad te maken, zegt genoeg. Die extra middelen voor centrumsteden hebben we nodig om heel wat zaken in gang te zetten. Tot nu toe blijven we op onze honger zitten en zijn we beperkt in onze acties, terwijl wij geconfronteerd worden met een reeks specifieke problemen die vaak te maken hebben met diversiteit. Pas als we de erkenning krijgen, en de financiële middelen die daarbij horen, kunnen we samen het beleid maken dat Vilvoorde volgens mij echt nodig heeft.'