Wilde tuinen in Wezembeek-Oppem
John maakt meteen duidelijk dat hij geen bioloog is en je van hem geen wetenschappelijke uitleg over planten en bomen hoeft te verwachten. Het is vooral zijn grenzeloze liefde voor de natuur die aan de basis ligt van zijn verwilderde tuin. Een liefde die verder reikt dan Wezembeek-Oppem. Want ook in Brazilië, waar hij regelmatig verblijft, zet hij zich in voor de natuur en reservaten van de Potiguara: een inheemse indiaanse stam die vooral langs de noordoostkust van het land leeft.
Dichter bij huis was het Bonlez, een dorpje in les Ardennes Brabançonnes, dat hem naar een leven omringd door natuur lokte. ‘De prachtige natuur gaf me een gevoel van vrijheid. Dat deed me de stap zetten om er een stuk bos te kopen. Vijf jaar heb ik er met mijn gezin gewoond. Tot we vaststelden dat een centralere ligging ons leven op veel vlakken makkelijker zou maken. Mijn schoonmoeder spotte een huis met grote tuin in Wezembeek. Zij moet geweten hebben dat deze plek met 30 are grond iets voor mij was. Ik heb iets met grond. Veel minder met gras maaien.’ (lacht)
Natuur die zichzelf kan zijn
Een strak aangelegde tuin, waarin alles er perfect uitgelijnd en symmetrisch uitziet, is de tuin van John nooit geweest. Maar het is vooral de laatste vijf jaar dat hij into the wild is gegaan. Zijn tuin werd een plek die zichzelf continu vormgeeft. De prachtige blauweregen is daar een levend bewijs van. Die werd niet langs gevels geleid, aan de strenge hand van de tuinier, maar mocht volledig zichzelf zijn: een indrukwekkende plant met een overvloed aan lila bloemen.
Samen met de witte seringen, daslook en stinkende gouwe trakteert deze tuin je op een heerlijk lenteparfum. Lager bij de grond krioelt het van de blauwe basterdhyacinten. Dezelfde bloemen die je deze periode van het jaar in het Hallerbos aantreft.
Panta rhei
Zo’n verwilderde tuin oogt misschien wat rommelig, maar precies in die imperfectie schuilt de charme. ‘De enige interventie die ik doe, is het vrijhouden van een kronkelend wandelpad. Door de natuur die ruimte te geven, zie je ook hoe alles voortdurend verandert. Of zoals de Griekse filosoof Heraclitus zei: panta rhei, alles stroomt.’
Je hoeft inderdaad maar naar de seizoenen te kijken om het verhaal van groeien, bloeien, loslaten en verval te begrijpen. ‘Het is een verhaal dat ook bevrijdend kan werken, omdat het ons eraan herinnert dat verandering nu eenmaal de natuurlijke staat der dingen is.’
Kennis over de natuur doorgeven
Voor de kleine indiaanse gemeenschap in Brazilië, waar John met zijn Braziliaanse vrouw leeft, zijn onze seizoenen een raadsel. Ze kennen er alleen zomer en winter. Maar hun kennis over de natuur is onbegrensd. ‘Velen van hen kunnen niet lezen of schrijven’, vertelt John. ‘Toch dragen ze een grote wijsheid in zich. Zo is er een oudere vrouw die perfect weet hoe je met schors en wortels van bomen een ontsmettingsmiddel kan maken. Dat soort kennis mag niet verloren gaan. Zelf heb ik ook veel inzichten over de natuur gekregen via Louis Declerck, de zoon van een serrist en witloofkweker in Wezembeek. Hij verdient een hommage voor al de kennis over fruit en groenten die hij doorgaf.’
De legende van de kolibrie
John noemt zichzelf een activist die het opneemt voor de rechten van de natuur. ‘Verwondering voor de kracht en pracht van de natuur loopt als een rode draad door mijn leven. Ik wil doen wat ik kan om de natuur te beschermen. Ze staat symbool voor het leven. Maar dat leven staat onder druk, omdat wij onze aardbol niet met respect behandelen.’
In Brazilië verzamelt John consequent alle plastic zakken die hij tegenkomt. ‘Ken je de legende van de beija-flor?’, vraagt hij. ‘Dat is het Portugese woord voor kolibrie. Letterlijk vertaald betekent het ‘bloemenkusser’. Een Braziliaanse visser die, net als ik, plastic aan het ruimen was, vertelde me over dat kleine vogeltje dat tijdens een bosbrand telkens naar de zee vloog om zijn snaveltje met water te vullen en dat over een brandend woud uit te strooien. De andere dieren verklaarden hem gek. Maar zijn antwoord was: ik doe wat ik kan. Voor mij vat dat de essentie van mijn sociale en ecologische activisme samen.’
Een stille bewonderaar
De aanblik van Johns tuin voert ook dorpsgenoot Jan Struelens, die vroeger in dezelfde straat woonde, terug naar een ver verleden van verwilderde en verlaten boomgaarden. ‘Ik kan me herinneren hoe de tuin er 70 jaar geleden uitzag, toen hij nog van mijn grootoom was. Er stond een monumentale kerselaar: een koepel van neerhangende takken. In mijn kinderogen was die boom zo groot als het Pantheon.’
‘Er waren ook druivenserres en lammetjes die we soms met de papfles mochten voeden. Alles werd omgeven door een rijkdom van groen, ontzettend mooi. Op het loof van de wortels zat de rups van de koninginnenpage. Zo groot als je wijsvinger was ook de rups van de pijlstaart, die van de ligusterhagen smulde. Naast de tuin had grootoom ook een soort wei: een moerassig bos met stroompjes die uitmondden in de bochten van de beek. In het midden lag een kleine vijver met glashelder water. In de oever nestelde een winterkoninkje. We gingen er in de zomervakantie bijna dagelijks naartoe.’
‘Als ik nu, zo veel jaren later, bij John langsga, zitten we soms samen te filosoferen in zijn tuin. Dezelfde plek, die nu helemaal anders maar tegelijk nog steeds even authentiek en betoverend is.’
Dit artikel komt uit Uitgekamd juni. Lees de volledige Uitgekamd hier