Vandaag vind je ze veel minder terug langs wegbermen en in tuinen, want enkele schreeuwlelijke, grote cultivars hebben het zaakje overgenomen. Ze komen allemaal uit de goedbedoelde bloemenmengsels die je tegenwoordig zowat overal koopt, bij ettelijke leveranciers of via het internet. Het zijn bijna allemaal snelgroeiende, grote en ietwat verstikkende soorten die vooral esthetische waarde hebben. Daar is het de meeste liefhebbers om te doen.
Dat is jammer, want onze wilde insecten hebben er weinig aan. Ten eerste produceren ‘klaprozen’ geen nectar, enkel stuifmeel. Ten tweede is de kwaliteit daarvan in de cultivars beduidend minder dan die van enkele wilde soortgenoten. Inderdaad, behalve de ooit algemene grote klaproos, de poppy uit de Eerste Wereldoorlog, heb je nog de ruige en de bleke klaproos. Die groeien wel degelijk allemaal nog in het wild, maar hun gecultiveerde evenknieën zijn te opdringerig om het veld aan hen te laten, zoals het tot een dertigtal jaar geleden het geval was.
Het ziet er naar uit dat de lokale soorten alweer het loodje moeten leggen voor door de mens geselecteerde vervangers. Dat is niet de eerste keer, en het zal zeker ook niet de laatste keer zijn. Daarmee heb je er een reden bij waarom onze insecten maar blijven achteruit gaan: hun natuurlijk voedsel wordt steeds meer vervangen en weggeconcurreerd door gedomesticeerde varianten. Aan die waanzinnige wedloop komt voorlopig geen einde. Wat zou het fijn zijn als we daar wat meer aandacht aan zouden besteden, al was het maar om de dramatische achteruitgang van insecten tegen te gaan.