Professor doctor Mark De Ridder heeft zijn roots in Wemmel, vlakbij het UZ Brussel. Van jongsaf was hij geïnteresseerd in geneeskunde, waarin hij aan de VUB afstudeerde. Eerst een jaar in Etterbeek, dan in Jette, waar hij bijna 35 jaar later nog altijd aan de slag is. Oncologie, meer bepaald radiotherapie of het bestralen van kankerpatiënten, werd zijn specialiteit. Na zijn doctoraat deed hij jaren ervaring op op de dienst radiotherapie. In 2010 werd hij diensthoofd. In 2011 werd hij ook ondervoorzitter van de Raad van Bestuur. Na nog eens 15 jaar ervaring op klinisch én bestuurlijk vlak lag het bijna in de lijn der verwachtingen dat De Ridder ceo van het UZ zou worden.
De welgezinde professor heeft daar duidelijk geen spijt van. ‘Het is een functie waarvoor je eigenlijk niet kan studeren. Het gaat om een combinatie van opleidingen en vaardigheden. Het is mooi om leiding te kunnen geven aan een organisatie waar je sinds je achttien in rondloopt. Ik heb hier mijn vrouw leren kennen, mijn kinderen zijn hier geboren, veel van mijn studievrienden hangen hier nog rond. Ik zal niet zeggen dat ik alle nieuwe personeelsleden bij naam ken, maar ongeveer 70% van het personeel ken ik persoonlijk. Dan kijk je anders naar een organisatie dan wanneer je van buitenaf komt en misschien eerder de cijfertjes dan de mensen ziet. Ik krijg voortdurend feedback van wat goed of minder goed loopt, en iedereen voelt zich deel van een gemeenschap. Op dat gemeenschapsgevoel blijf ik inzetten. Het draait hier om universitaire, innovatieve topgeneeskunde en toptechnologie, maar de mensen die alles doen draaien zijn minstens zo belangrijk.’
Het aantal personeelsleden van het UZ Brussel ligt rond de vijfduizend, met ook nog eens enkele duizenden studenten en personeel van de faculteit. Tel daar de zevenhonderd patiënten en de honderden ambulante bezoekers bij en je zit met een groot dorp waar dagelijks zo’n tienduizend mensen rondlopen.
Dat dorp is een afspiegeling van de internationale gemeenschap die Brussel en de Rand geworden zijn. ‘Ik denk dat wij vrij vlot, met respect en zonder grote discussies, omgaan met die diversiteit. Wij zijn een universitair ziekenhuis nauw verbonden met de faculteit geneeskunde van de VUB. Levensbeschouwelijk zijn wij strikt neutraal. Mensen van alle geloofsovertuigingen zijn welkom als patiënt of personeelslid.’
Artsenquota
Over het personeelsbestand in zijn eigen ziekenhuis is De Ridder dus niet bezorgd. Al is hij natuurlijk vertrouwd met heikele thema’s in de zorg, zoals communicatie in het Nederlands, lange wachtlijsten en wachttijden of eresupplementen die zorg soms duurder maken. Volgens hem doen de artsenquota daar geen goed aan.
‘We worstelen in Vlaanderen met het feit dat het aantal studenten dat elk jaar aan de artsenopleiding mag beginnen, door het toelatingsexamen beperkt is tot 1.723. Daarnaast zijn er ook nog eens strikte subquota voor bepaalde specialisaties, waardoor er per jaar bijvoorbeeld maar vier radioterapeuten mogen afstuderen. Tel daar de vergrijzing en de veranderende work-life-balance bij, en er ontstaat een gebrek aan artsen die opgeleid zijn aan onze Vlaamse universiteiten en die ook onze taal kennen. Terwijl Europese artsen die een taalattest kunnen voorleggen wel vrij instromen op de arbeidsmarkt, en wij hun expertise gezien deze context ook hard nodig hebben. Onderfinanciering van onze sector in combinatie met overbevraagde artsen maken ereloonsupplementen vaak onvermijdelijk. Ook voor het wegwerken van wachtlijsten zijn wij afhankelijk van het beleid. Taal is voor ons dan weer een constant aandachtspunt. We weten dat tweederde van alle medische fouten gebeuren door problemen met de communicatie. Zelfs een begrip als ‘hoofdpijn’ betekent in verschillende talen en culturen vaak iets anders. Ik vind dus dat je als ziekenhuis volop moet inzetten op communicatie met de patiënten. Wij willen iedereen kunnen behandelen.’
Voor sommigen begint die behandeling op de spoedafdeling, een van de meer zichtbare afdelingen van een ziekenhuis. Loopt daar alles zoals het hoort? ‘Ons triage-systeem zorgt ervoor dat iedereen die ‘kritische zorg’ nodig heeft, zoals iemand die net een infarct of een potentieel dodelijke allergische reactie kreeg, meteen wordt behandeld. Anderen krijgen een ander label en moeten in functie daarvan hun plaats in de zorgstraat innemen.’
’De spoed draait dag en nacht. En omdat sommige mensen extreme stress ervaren, is er ook beveiliging nodig. Het respect tussen zorgverleners en patiënten moet van beide kanten komen. Dat is waarom we samen met de overheid ook sensibiliseren tegen agressie in de zorg.’
Uniek in België
Radiotherapie, de specialisatie van De Ridder, is een van de sterktes van het UZ. Hoe zag hij de technologie evolueren? ‘Toen ik hier in 1998 begon, bestraalden we mensen op basis van een gewone tweedimensionale foto in de zone waar de tumor zat. Daardoor konden we slechts lage dosissen geven en hadden mensen veel neveneffecten, zoals diarree, huidproblemen of slik- en ademhalingsproblemen. Vandaag kunnen we door de vierdimensionale beeldvorming gericht genezende dosissen geven, met weinig neveneffecten. Ik heb de radiotherapie zien evolueren van een weinig genezende discipline met veel nevenwerkingen tot een behandeling voor mensen die medisch moeilijker te opereren zijn, en die bijvoorbeeld bij prostaat- of longkanker dezelfde genezingscijfers heeft als de chirurgie die we vooral aan fitte patiënten bieden. Het UZ Brussel zit wereldwijd aan de top wat betreft de snelle implementatie van high-tech radiotherapie. Ons machinepark is uniek in België. Als een firma een nieuw toestel heeft, dan zijn wij de eerste om die uit te testen en feedback te geven voor de verdere ontwikkeling.’
Specialisering is noodzakelijk en onvermijdelijk in het moderne ziekenhuislandschap. ‘De tweedelijnsfunctie blijft voor het UZ heel belangrijk voor diegenen die in de Vlaamse Rand door hun huisdokter worden doorverwezen. Ondertussen bekijken we met de ziekenhuizen rondom ons en met de Raad van Universitaire Ziekenhuizen van België waar welke zorg het beste kan worden verstrekt. De komende 20 jaar gaan we naar een model waarvoor we de taken zullen moeten verdelen en samenwerken. Hopelijk met een overheid die daarin beslissingen durft nemen.’
Mijlpaal
Die samenwerking is één van de punten uit het zespuntenplan dat op het bureau van de ceo ligt. ‘Daarnaast ligt onze uitdaging op het financiële vlak. We zitten in een sector waarop wordt bespaard en waar medicatie en technologieën almaar duurder worden. In april of mei openen we hier een volledig nieuw medisch technisch gebouw van 175 miljoen euro vol nieuwe operatiekamers, een afdeling intensieve zorgen, ook voor kinderen, nieuwe labo’s, een oncologisch centrum,… Echt een mijlpaal voor ons ziekenhuis dat volgend jaar vijftig jaar bestaat. Om zo’n dingen te kunnen realiseren, heb je een financieel plan nodig. Samen met de gemeente en het gewest moeten we ook de mobiliteit bekijken, want met de bewoning en de scholen in de buurt zit het wat dat betreft niet goed. Dan is er het luik IT en AI. Artificiële intelligentie is een containerbegrip, maar voorspellende modellen kunnen ons helpen om overlevingskansen in te schatten of behandelingen te kiezen. En taalmodellen kunnen ons helpen bij verslaggeving, maar ook bij het maken van afspraken. Voor de kwaliteitscultuur rond medische beslissingen, communicatie en informatieverwerking staan we dus voor een kantelpunt. Voorts willen we maatschappelijk verantwoord blijven ondernemen op het vlak van bijvoorbeeld energie en afvalverwerking. En dan is er natuurlijk de constante aandacht voor het medische, voor de ploeg aan toptalenten die hier elke dag moet staan.’