In ons gesprek blikt Sigrid Bousset terug op een leven in de kunsten, op verschuivende machtsverhoudingen in het literaire veld, en op het moment waarop zij zichzelf resoluut schrijver durfde noemen.
Met Wat ik haar niet vertelde schreef je het levensverhaal van Ivo Michiels en Christiane Faes, maar ook dat van een tijdperk. Je toont een wereld van mannelijke schrijvers en vrouwen in de schaduw. Is er sindsdien veel veranderd?
‘Ontzettend veel. Toen ik in de archieven dook, viel ik van de ene verbazing in de andere. Interviewers, critici, uitgevers, programmatoren; het waren bijna uitsluitend mannen. Dat was in de jaren zestig en zeventig een gesloten mannenwereld, met sterke hiërarchieën en duidelijke rolpatronen. Vrouwen waren er wel, maar vaak onzichtbaar, of in een dienende rol. Dat is vandaag anders. De culturele sector is sterk vervrouwelijkt. Vrouwen zijn niet alleen in de meerderheid bij de nieuwe schrijvers, ze staan vaak ook aan het hoofd van redacties en culturele instellingen. Dat is geen detail. Het verandert de manier waarop verhalen worden verteld en wie daarin een stem krijgt.’
Geldt die verschuiving ook binnen het schrijverschap zelf, bijvoorbeeld binnen koppels?
‘Ja, ook daar zie je andere modellen ontstaan. We leven niet langer vanzelfsprekend in het patroon van de sterke vrouw achter de man, waarin haar zorg, organisatie en emotionele arbeid de voorwaarde vormen voor zijn kunstenaarschap. Vandaag zijn er evengoed vrouwelijke schrijvers die ondersteund worden door hun partner, of koppels die het creatieve en praktische werk bewust proberen te delen. Bovendien is de sacraliteit van het kunstenaarschap afgebrokkeld. De schrijver is niet langer een onaantastbare figuur die boven het dagelijkse leven zweeft, maar iemand die participeert aan het maatschappelijke verkeer, zichtbaar en aanspreekbaar moet zijn. Dat heeft te maken met bredere maatschappelijke evoluties, maar ook met nieuwe media en een andere economie van aandacht.’
Die vraag raakt ook aan jouw eigen positie. Word jij in het literaire wereldje gezien als ‘mevrouw Stefan Hertmans’ of als Sigrid Bousset?
‘Er zijn parallellen natuurlijk. Ook ik ben in een relatie met een bekende schrijver met, net zoals bij Ivo en Christiane, een behoorlijk leeftijdsverschil. Maar daar stopt het. Ik heb mij persoonlijk nooit beknot gevoeld in mijn relatie. Integendeel, mijn man heeft mij altijd gesteund in mijn keuzes. We hebben van bij het begin een gelijkwaardige taakverdeling gehad. Er zijn ook periodes geweest waarin ik degene was die het meest uithuizig was, met directiefuncties en grote verantwoordelijkheden. In het culturele veld ziet men mij om wat ik zelf heb gerealiseerd. Tegelijk verschijn ik met vreugde aan de zijde van mijn man, ondersteun ik hem in wat hij doet, ook dat is een deel van mijn identiteit. Het loopt over in elkaar. Maar ik ben mij er zeer van bewust dat de buitenwereld vrouwen nog vaak via hun relatie leest. Dat mechanisme is niet verdwenen.’
Je kende Ivo Michiels al sinds je kindertijd. Zag je die ongelijkheid toen al?
‘Nee, als kind stel je die vragen niet. Zij waren voor mij een fascinerend, bijna mythisch koppel: excentriek, artistiek, buiten de norm. Christiane vervulde haar rol als schrijversvrouw met verve. Pas tijdens onze gesprekken na Ivo’s overlijden, besefte ik hoezeer ze de ruimte had gemist om haar eigen potentieel te ontwikkelen. Gelijkaardige patronen stelde ik vast bij schrijvers en kunstenaars in hun entourage. Het was geen vooraf bedachte insteek van het boek. Ik ben er niet met een feministische agenda aan begonnen. Het is iets wat zich gaandeweg, bijna onvermijdelijk, heeft opgedrongen.’
Je boek wordt vaak meer dan een klassieke biografie genoemd.
‘Dat klopt. De ene recensent noemt het een meervoudig portret, een andere bestempelt het als een ego-documentaire: een documentair boek, maar vertrekkend vanuit mijn eigen positie, betrokkenheid en empathie. Ik wilde begrijpen hoe trauma, huwelijk, kunst en tijdsgeest in elkaar grijpen. Dat kan alleen als je je eigen blik niet wegcijfert. Zonder die persoonlijke inzet was dit boek nooit zo gelaagd geworden. Neutraliteit is in zo’n verhaal een illusie.’
Als je in de academische wereld was gebleven, had je nu misschien een doctoraat over Michiels geschreven?
‘Absoluut niet. In dat geval had ik wellicht een vrouwelijke auteur gekozen. Mijn drijfveer was niet wetenschappelijk, maar existentieel. Ik wilde de intieme drijfveren begrijpen van deze mensen die ik zo goed had gekend, waarom ze welke keuzes maakten, waar hun vreugde zat en hun pijn, en waarom hun leven en werk mij zo diep raakten. Dat soort vragen laat zich niet vangen in een academisch kader.’
Je combineert persoonlijke herinneringen met archiefonderzoek. Is dat geen risico?
‘Dat was net de ambitie. Ik ben eerst beginnen schrijven vanuit mijn herinneringen en ervaringen. Vanuit de schok van het overlijden van Christiane, terug naar mijn kindertijd en hun aanwezigheid in mijn jonge leven. Later, toen Ivo ouder werd, hielp ik hem bij zijn contacten met uitgevers en programmatoren. Ivo en Christiane hadden zich in 1980 in de Provence gevestigd, en ook mijn man en ik kochten er een huis enkele dorpen verderop. We kwamen steeds vaker bij hen over de vloer. Toen Ivo na een operatie door het oog van de naald kroop en er bijna niet meer zou zijn geweest, heb ik hem gezegd: Jouw leven is bewogen en waanzinnig interessant geweest. En eigenlijk weten we daar te weinig over. Je moet het opschrijven.’
‘Alles staat in mijn oeuvre’, zei hij. ‘Zullen we het samen doen?’, vroeg ik. Zo ontstond ons gesprekkenboek. Na Ivo’s overlijden stelde zijn uitgever mij voor om een biografisch boek over hem te schrijven. Welke leemtes had Ivo gelaten? Welke verborgen last droeg hij met zich mee? Waar zat het trauma, het onvertelde? Dat heb ik nog een hele tijd voor me uitgeschoven. Pas toen ook Christiane stierf, voelde ik de urgentie en heb ik alles opzij gezet. Ik ging met intimi spreken en begon te schrijven, pas later ben ik in het archief ingedoken. Veel biografen doen het omgekeerd en raken verlamd door de hoeveelheid materiaal. Door mijn aanpak kon ik blijven schrijven, blijven denken vanuit een levende relatie met de stof. Het archief werd een verdieping, geen startpunt. Ik denk dat je dat voelt in het boek: het ademt, het beweegt.'
Wie is Sigrid Bousset vandaag: schrijfster, dramaturge, cultureel manager?
‘Identiteit is geen vast gegeven, ze evolueert. Ik heb jarenlang gewerkt voor en met kunstenaars, gaandeweg in functies die verder van de inhoud af kwamen te staan. Dat gaf veel voldoening, maar ook een groeiend gevoel van vervreemding. Rond mijn vijfenveertigste voelde ik een duidelijk keerpunt. Mijn lichaam gaf aan dat het zo niet verder kon. Nu mijn boek er is, voel ik me in de eerste plaats schrijver. Ik wil lezen, mij verdiepen, tijd nemen, blijven schrijven. Dat voelt als een noodzakelijke herpositionering.’
Dat keerpunt viel ongeveer samen met je engagement in Het huis van Herman Teirlinck in Beersel.
‘Ja. Op veel plekken in Europa zie ik een verschuiving van het culturele zwaartepunt naar de rand, letterlijk en figuurlijk. Weg van de grootstedelijke druk, naar plekken waar cultuur, natuur en vertraging samenkomen. Het huis van Herman Teirlinck is zo’n plek: kleinschalig, kwaliteitsvol, met aandacht voor context en ontmoeting. Dat Hugo De Greef en ikzelf dit project nu samen met een jonge coördinator kunnen verderzetten, vind ik essentieel.’
Het op termijn doorgeven aan de volgende generatie is een bewuste keuze?
‘Zeker. Je moet durven loslaten. Te vaak blijven mensen te lang op hun positie zitten, uit angst of uit gewoonte. Continuïteit betekent voor mij ook: vertrouwen geven aan jongere generaties, hen mee verantwoordelijk maken en ruimte laten voor hun inzichten. Dat is de enige manier waarop een culturele plek levend kan blijven.’
Vanwaar je passie voor literatuur?
‘Die is deels met de paplepel ingegeven. Mijn vader was professor literatuur, mijn moeder lerares Frans. Boeken waren bij ons vanzelfsprekend, je mocht één keer per week naar de bibliotheek voor vijf boeken, die dan in een ruk uitgelezen werden. Schrijvers kwamen over de vloer. Maar het ging verder dan dat. Literatuur was geen ornament, het werd voor mij een manier om de wereld te begrijpen. Al vroeg wist ik dat ik mij in die literaire wereld wilde bewegen, al wist ik nog niet in welke rol. Toen mij in het begin van mijn middelbare schooltijd werd gevraagd wat ik later wilde worden, antwoordde ik al uit volle overtuiging: Later ga ik letterkunde studeren. Het heeft altijd in mij gezeten.’
Voelde de weg naar dit boek langs een hele reeks culturele professionele engagementen dan als een omweg? Een lange weg om eindelijk de schrijfster te worden die je bent?
‘Daar denk ik over na. Alles wat ik heb gedaan, heeft mij gevormd. Misschien heb ik laat het vertrouwen gevonden om mijn eigen stem centraal te zetten, maar dit boek kon alleen nu geschreven worden. Het voelt alsof alle puzzelstukken samenvallen. En misschien is dat wel de kern: sommige persoonlijke trajecten hebben tijd nodig, ze houden zich op in de luwte. En op een dag moet je ze voorrang geven.’
ZO ● 1 MAA ● 16.00
Teirlinck Tijdgenoot: Ivo Michiels
Inleiding van Sigrid Bousset, Tiny Bertels & Tom Dewispelaere lezen
Beersel, Huis Herman Teirlinck, huisvanhermanteirlinck.be
Sigrid Bousset
- Geboren in Brussel, 1969
- Studeerde Germaanse filologie in Brussel en Leuven
- Als dramaturg, curator en cultuurmanager actief in de wereld van theater en literatuur
- Stond mee aan de wieg van literatuurhuis Passa Porta, Het huis van Herman Teirlinck en de Anna Teresa De Keersmaeker Foundation
- Auteur van Wat ik haar niet vertelde (2025)
- Getrouwd met auteur Stefan Hertmans