Het eerste contact
‘De eerste keer dat ik in Linkebeek Nederlandstaligen heb leren kennen, moet rond 2012 geweest zijn’, zegt Joëlle Grimmeau. ‘Ik voelde de goesting om politiek iets te betekenen. Ik kreeg een flyer in mijn brievenbus met een uitnodiging voor een meeting. Ik stuurde een mail en in het antwoord dat ik terugkreeg met een uitnodiging voor een eerste ontmoeting waren allemaal mensen aan toegevoegd die ik bleek te kennen, zoals mijn buurvrouw bijvoorbeeld. Maar nog sterker, ik werd verwelkomd door mensen die echt een project hadden voor Linkebeek en die hier een politieke lijst wilden opstellen met mensen uit de twee taalgroepen. Dat was een openbaring. We kwamen niet alleen in contact met Nederlandstaligen, maar ook met hoe ze dachten, en daar waren we echt verbaasd over. Ik voelde een kans en een wil om iets met de Franstaligen te doen.’ Ondertussen zit Grimmeau in de gemeenteraad en is ze betrokken bij verschillende verbindende culturele initiatieven in het dorp. ‘Dat was in het begin niet te voorspellen, maar het was de eerste stap.’
Kleine evolutietjes
De omslag in Linkebeek is er een van kleine niet zo toevallige evolutietjes die leidden tot een revolutie in een Linkebeek dat tot dan communautair op slot zat. De gemeente was tot voor kort, samen met enkele andere faciliteitengemeenten, het epicentrum van de taalstrijd rond Brussel, waarin de verzuchtingen van Nederlandstaligen en Franstaligen diametraal tegenover elkaar stonden op het gebied van taalgebruik in het openbaar -Nederlands of Frans en het gebruik van faciliteiten - en de plaats van de gemeente - bij Vlaanderen of Brussel - waardoor de twee gemeenschappen wel monolithische blokken leken die tegenover elkaar stonden. De taalstrijd verhardde er vanaf de jaren 1960 toen meer Franstaligen in de groene gemeenten rond Brussel kwamen wonen. Zij wilden hun taalrechten vrijwaren en bepleitten daarom ook de aanhechting bij Brussel, terwijl de Nederlandstalige inwoners van Linkebeek en de gemeenten errond hun streek zienderogen zagen verfransen en ze daarom liefst in het Nederlandstalige Vlaanderen hielden. De taalrechten die de Franstalige minderheid sinds 1954 in Linkebeek had, werden in 1963 bevestigd als taalfaciliteiten in een gemeente waar Nederlands administratief de voertaal is en waarvan nog steeds wordt betwist of ze tijdelijk dan wel permanent zijn bedoeld.
‘In de jaren 1960 en 1970 kwamen er veel Franstaligen in het dorp wonen’, zegt Grimmeau. ‘Er waren hier wel fanfares enzo, maar dat waren verenigingen van de andere gemeenschap en daar hadden ze geen nood aan. Ze hebben dus iets opgebouwd wat nog niet bestond en dat zorgde voor een eigen teamspirit en een eigen gemeenschap.’ De groeiende Franstalige gemeenschap vestigde zich zo steviger tegenover de krimpende Nederlandstalige gemeenschap. Dat leidde uiteindelijk ook tot een overgewicht in de dorpspolitiek, toen Roger Thiéry er vanaf 1977 burgemeester werd vanuit de pro-Franstalige Démocratie Bruxelloise en de taalstrijd toenemend politiek werd en steeds duidelijker op straat werd uitgevochten. Het bracht militante actiegroepen als het Taal Aktie Komitee (TAK) en Voorpost geregeld naar Linkebeek om de Franstalige bestuurders ertoe aan te zetten de taalwetgeving na te leven en hen eraan te herinneren dat Linkebeek Vlaams gebied was. Het absolute dieptepunt in de communautaire verhoudingen was de controverse rond Damien Thiéry - zoon van Roger - die in 2006 en 2012 de gemeenteraadsverkiezingen won, maar uiteindelijk niet benoemd raakte omwille van schendingen van de taalwetgeving. Het zou tot 2017 duren vooraleer Linkebeek weer een enigszins normaal verkozen bestuur had.
(R)evolutietjes
In 2015 leek de impasse compleet. Maar toch was er iets in de maak, iets van een andere orde waardoor Linkebeek begon te veranderen. En al was het embryonaal zichtbaar door de samenstelling van een tweetalig politiek project, op cultureel gebied bewoog er ook het een en ander.
‘Drieduizend zevenhonderd inwoners, waarvan zevenhonderd Vlamingen. We zagen in Linkebeek de Vlaamse Gemeenschap alsmaar krimpen en ouder worden en als we niets deden, was het een paar jaar later lichten uit boeken toe’, zegt Mark De Maeyer over de beginperiode. Hij was toen verantwoordelijke voor het Vlaamse gemeenschapcentrum de Moelie (zie foto). ‘We konden dus niet anders dan samenwerken met de andere gemeenschap. Dat begon twintig jaar geleden door sporadisch gezamenlijk activiteiten te doen. De eerste was Tournée Générale waar we 30 van de ooit 64 cafés van Linkebeek terug openstelden.’
Het gaat de Linkebekenaren over het algemeen goed en dat willen ze liefst ook zo houden, laat staan dat ze nog wakker zouden liggen van een burgemeesterskwestie of andere dorpspolitiek.
‘Er volgde een Open Tuinendag bij mensen thuis. Buren kwamen voor het eerst bij elkaar. Het keerpunt ligt in 2013 toen het eerste Repair Café werd georganiseerd in de Moelie. Voor het eerst kwamen er Franstaligen over de drempel van het Nederlandstalige gemeenschapscentrum. Dat gebeurde eigenlijk en stoemelings, want in de gemeenteschool was het Repair Café organisatorisch niet mogelijk en het Franstalige initiatief moest uitwijken. Joëlle Grimmeau en haar medeoprichters stelden de vraag aan de Moelie en dan hebben wij gezegd: we gaan dat doen’, herinnert De Maeyer zich. De organisatie van het Repair Café in het gemeenschapscentrum bracht een kentering teweeg, in die mate dat de occasionele samenwerking tussen Nederlandstaligen en Franstaligen in de gemeente structureler werd en leidde tot Beecause, een cultuuroverleg tussen de cultuurhuizen en vrijwilligers uit de gemeente, onafhankelijk van de taalachtergrond. ‘We kennen elkaar nu en we weten wat de ander nodig heeft om goed te kunnen werken’, zegt Grimmeau, die deel uitmaakt van het collectief. ‘Elkaar zo proberen aanvoelen was nieuw, maar is intussen wel de gewoonte geworden.’
Linkebeek is nu een gemeente van bijna 4.700 inwoners. Een gemiddelde Vlaamse gemeente telt er 24.000. Piepklein dus. Van die 4.700 zijn er misschien nog 700 Nederlandstaligen, misschien minder. De laatste talentelling dateert van 1947. Dat geeft de Nederlandstaligen het gevoel steeds in de verdrukking te staan. Maar ook het aantal Franstalige inwoners is beperkt. ‘We moeten er met elkaar het beste van maken, want de twee gemeenschappen zijn te klein om op gemeentelijke schaal te werken’, zegt Grimmeau. ‘Waar haal je bijvoorbeeld voldoende vrijwilligers met zo weinig mensen?’
Socio-demografisch anders
Niet alleen het aantal Nederlandstaligen nam af, ook de Franstalige gemeenschap is niet meer het gesloten bastion van weleer. De generatie Franstaligen uit de jaren 1960-1970 veroudert, hun kinderen trekken, net als de kinderen van Nederlandstaligen, naar betaalbaarder oorden buiten het dorp; de Nederlandstaligen eerder richting Halle en het Pajottenland, de Franstaligen eerder naar Brussel of richting Eigenbrakel of Waterloo. Nieuwe inwijkelingen komen in hun plaats. Nu is zo’n 37% van de inwoners in Linkebeek niet-Belg; bij de jongeren tot 24 jaar is dat zelfs meer dan de helft. Dat is 7% meer dan tien jaar geleden. Trek dus de circa 1.700 inwoners met niet-Belgische herkomst af van het totale aantal en er blijven om en bij 2.300 Franstalige Belgen over.
‘Die 1.700 mensen kennen we eigenlijk niet’, zegt Grimmeau. ‘Ze nemen niet deel aan het verenigingsleven en zitten in hun eigen netwerk.’ Net als in de jaren 1960… ‘alleen hebben ze geen boodschap aan de oude taalstrijd.’ Het is op zich goed wonen in Linkebeek; de inwoners zijn er over het algemeen tevreden. Ze hebben een hoog inkomen en dure huizen, de kansarmoede is er laag. Zo lekker in het groen en toch op een kwartier met de trein in Brussel kunnen staan, is ook een belangrijk voordeel. Het gaat de Linkebekenaren over het algemeen goed en dat willen ze liefst ook zo houden, laat staan dat ze nog wakker zouden liggen van een burgemeesterskwestie of andere dorpspolitiek. De demografische verschuiving verandert voor de tweede keer de interne verhoudingen in Linkebeek en drijft het communautaire steekspel tussen Nederlandstaligen en Franstaligen en de interne stammentwist binnen de Franstalige meerderheid als gevolg van de burgemeesterskwestie, steeds verder naar de marge.
Het communautaire voorbij?
De communautaire saus blijkt intern ook steeds minder te pakken, zeker toen duidelijk werd dat Linkebeek, net als de andere faciliteitengemeenten, staatkundig en administratief steeds meer naar Vlaanderen toe bewoog. Eerst was er uiteindelijk de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde in 2012. Die splitsing maakte een einde aan het feit dat politici uit Brussel in Nederlandstalig gebied op de lijsten voor het federale parlement konden staan. Een uitzondering bleef wel bestaan voor de zes faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand, maar het psychologische effect was groter en bood het voordeel van de duidelijkheid: Halle-Vilvoorde waartoe Linkebeek behoort was eenduidig Vlaams en minder Brussels gebied. Voor de Franstaligen die er wonen, werd het behoud van de faciliteiten er wel bevestigd. Het luidde langzaamaan een nieuwe periode in waarin naast administratief ook ideologie begon te verschuiven naar pragmatiek, niet in het minst bij de burgemeesters zelf.
‘De verhouding in de Zennevallei is totaal gewijzigd’, zegt Marc Snoeck (zie foto) die als burgemeester tussen 2019 en 2024 vanuit Halle de verandering van nabij kon volgen. ‘Neem de energiecrisis als voorbeeld. Daar hebben we met de burgemeesters uit de Zennevallei, waaronder de drie faciliteitengemeenten, gezamenlijk beslist op hetzelfde tijdstip de straatverlichting te doven. Zo’n samenwerking was vroeger ondenkbaar. En omdat hun houding wijzigde, begon ook onze houding te veranderen, die daarvoor misschien ook iets te star was ten opzichte van de faciliteitengemeenten.’
Misschien is het niet zozeer die grote splitsing, maar wel de stille, interne Vlaamse administratieve staatshervorming die Linkebeek meer aan Vlaanderen bindt, omdat ze met halfzachte dwang de koers van de lokale besturen bepaalt en aanzet tot samenwerking, schaalvergroting en eventueel ook een fusie tussen de omliggende gemeenten in het Vlaams Gewest. De eerstelijnszone rond zorg- en hulpverlening is door de overheid opgelegd, wat de gemeente sowieso verplicht om samen te werken met de gemeenten rondom, maar het verlaagt ook de drempel naar meer vrijwillige samenwerking. Werken in de gemeenten wordt namelijk steeds complexer en kleine gemeenten kunnen lang niet meer alles alleen bolwerken, waardoor ze ook samenwerkingen opzoeken waar dat niet verplicht is, zoals rond cultuur en vrije tijd en die samenwerkingen liggen binnen Vlaanderen, omdat de gemeenten aan het wetgevend kader gebonden zijn, ook de faciliteitengemeenten.
De verandering van de omgeving rondom en de politieke ontspanning leiden tot een pragmatisch status quo in de gemeente zelf en tussen de gemeente en de Vlaamse overheid. De burgemeester is intussen gewoon benoemd en in de gemeenteraad in Linkebeek zit er na jaren weer een Nederlandstalige schepen, op voorspraak van de burgemeester. Dat was lang anders. Nu ook federaal de heetste communautaire hangijzers zijn opgelost en Linkebeek zich niet meer in het politieke aandachtcentrum bevindt, zorgt dat voor een nieuwe opening in het de politieke en sociale landschap van de gemeente waar er ruimte ontstaat voor initiatieven met een programma dat over de taalgrenzen heen reikt.
Bovendien wordt ook in de faciliteitengemeenten de greep van de grote moederpartijen op de lokale politiek minder sterk, net als elders in het land. Ook in de faciliteitengemeenten dagen burgerbewegingen de almacht van de traditionele partijen uit, of hertekenen soms het hele politieke landschap. In Wezembeek-Oppem wordt de burgemeester vandaag geleverd door burgerlijst Horizon, een samengaan van burgerbeweging Wezem’move en de politieke partijen Les Engagés, Open VLD en Ecolo, over de taalgrenzen heen. In Sint-Genesius-Rode maakte burgemeester Pierre Rolin zich los van de CdH en leidt nu Interêts Communaux - Gemeentebelangen, meer op lokale leest geschoeid.
Politiek zijn de faciliteitengemeenten het resultaat van een moeilijk verworven compromis, en een gedrocht van bestuurbaarheid, maar wel één waar intussen een nieuwe vorm van samenleven denkbaar is.
Fragiele dorpjes naast Brussel
Het spanningsveld tussen principe en pragmatisme, tussen verschuivende meerder- en minderheden, politieke en socio-demografische veranderingen in het geografische vacuum tussen Brussel en Vlaanderen, zorgt ervoor dat in Linkebeek een (fragiel) leefsysteem kan gedijen waar experimenteren mogelijk is, net omdat het ontsnapt aan de Brusselse en de Vlaamse logica. Dat geldt niet alleen voor Linkebeek trouwens, maar ook voor de andere faciliteitengemeenten. In Wezembeek-Oppem groeit het co-housing initiatief Vosberg als een tweetalige gemeenschap binnen de gemeente volgens een gelijkaardige logica als in Linkebeek: de taalverhoudingen kunnen er alleen bewaakt worden dankzij een bewust evenwicht tussen Nederlandstaligen en Franstaligen en waarbij het haast natuurlijke overgewicht van het Franstalige een tegengewicht krijgt doordat het project binnen Vlaanderen vorm krijgt. In Brussel zijn zo’n projecten wel officieel tweetalig, maar in de praktijk vooral ééntalig’, aldus een van de bewoners. Anders dan vroeger laten Nederlandstaligen zich niet zomaar meer wegblazen. Ze gaan zich taaloverschreidend verenigen en vanuit samenwerking bewuster op hun strepen staan.
Politiek zijn de faciliteitengemeenten het resultaat van een moeilijk verworven compromis, en een gedrocht van bestuurbaarheid, maar wel één waar intussen een nieuwe vorm van samenleven denkbaar is. Als alle sterren gunstig blijven staan tenminste. Het evenwicht zorgt voor een zekere mate van werkzaamheid, maar niet eindeloos. Wie er woont en Franstalig is, hoeft niet noodzakelijk deel van Brussel te zijn, want dat brengt zijn eigen problemen met zich mee. Los van de taal zijn mensen hier ook gewoon blij met hun dorp naast Brussel. Omgekeerd wil de plaatselijke politiek zich ook niet zomaar in een Vlaams keurslijf laten dwingen, als deel van de Vlaamse centrumregio Halle-Vilvoorde bijvoorbeeld, nog los of hen dat voordelen oplevert of niet. Zo groot is de liefde nu ook weer niet. Linkebeek blijft wat het is, een tussengebied, maar wel meer verbonden dan ervoor. Het zijn fragiele leefgebieden die hier ontstaan. Ze hangen af van de drive, goodwill en de kracht dat mensen elkaar vinden en oor hebben naar elkaars gevoeligheden; van de profileringsdrang van lokale politiek en van de grilligheid van de verkiezingen en wie er verkozen wordt; van het aanvaarden van een status quo op hogere en lagere echelons en van grote politieke en socio-demografische veranderingen. De faciliteiten zullen niet snel verdwijnen; daar wil niemand zich aan verbranden. Maar misschien gaan ze stilaan minder een rol spelen nu er tussen de twee gemeenschappen ook een tussenruimte ontstaat en de veranderende bevolking de gemeente verder internationaliseert. Dan wordt het hebben van faciliteiten een bijzaak.