In de Oude Smis van Mekingen
De rode geraniums op de vensterbank wiegen in de aanzwellende wind, wanneer ik halt houd bij In de Oude Smis van Mekingen. Het zal de komende uren een warm schuiloord blijken. Gezwind popt gastvrouw Annie de kurk en muselet van de geuzes, met wat eruitziet als een notenkraker.
Nadat ze Radio Halle wat zachter heeft gezet omdat ik een boek uit mijn tas opdiep, installeert ze zich naast de tv in de hoek. Binnen een kwartiertje beginnen de Rode Duivels aan hun wedstrijd tegen Tunesië. Ik vraag haar naar de foto’s en posters aan de muren, met haar ouders achter de bar en Willy Sommers die haar gelukkige verjaardag wenst. Ze troont me mee naar het ploshke, de ruimte waar zij en haar broer vroeger samen sliepen. Nicole en Hugo, Polle Pap en Will Tura: ze hangen er allemaal. Ik vertel haar over mijn oma, die ook groot fan is van die laatste en vroeger net zo’n café had. Ze doet me wat aan haar denken.
We kijken samen het begin van de wedstrijd en mijmeren over de gloriejaren van de gouden generatie. Over toen hier nog drie cafés naast elkaar stonden en de buren ze ook telkens in één teug afschuimden. Toen de postbode de pensioenen nog kwam brengen en drinkgeld kreeg toegestopt in ruil. Niet dat ik dat zelf meegemaakt heb. Maar mijn vader was een van die postbodes. Nog meer dan een gevoel voor nostalgie, blijken Annie en ik onze liefde voor lekker eten en drinken te delen. Ze raadt me de verse garnaalkroketten aan van De Kruidenmolen in De Haan en vertelt dat als ze geen geuze drinkt, het voor haar een Omer mag zijn. Op haar kaart vind je geuzes van Boon, Moriau en Oud Beersel. Da’s eten en drinken, besluit ze. En daarmee is alles gezegd.
We bedanken elkaar voor het fijne gesprek. Het was niet mijn plan om zo lang te blijven. Maar zoals aan de muur te lezen valt: ‘Wie als vriend hier binnen gaat, komt nooit te vroeg, maar steeds te laat’.
In den Congo
Pintjes voor één euro. Het is dus waar wat ze zeggen. Ik sta zo verbaasd naar de drankkaart te kijken, dat een andere cafégast - die later Roger blijkt te heten - vraagt wat er scheelt. ‘Ik heb niet eens zo weinig kleingeld bij’, ratel ik verward. ‘Je mag altijd meer betalen hoor’, repliceert hij gevat.
Lydia, de uitbaatster van In den Congo, is kort maar duidelijk: ‘Ik ben gewoon een dikke koppigaard, ik wil mijn prijzen niet verhogen. Het leven is al duur genoeg.’ Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het hier bijna 7 op 7 stampvol zit en er tournees worden gegeven dat het een lieve lust is. Zeker op zondagvoormiddag, wanneer de drie aangesloten wielerploegen hun bidons hier vullen voor vertrek of een paar procenten komen bijtanken voor de volgende kuitenbijter. Patroonheilige Remco Evenepoel mag trots zijn.
Van pastoor Jan mogen ze het grasveld onder de kerktoren gebruiken als uitbreiding van het beklinkerde terras. Plaats genoeg dus. Maar ik schuif graag aan bij voornoemde Roger en zijn cafékennis Michel, die samen glazen verzamelen. We raken in gesprek over de koers en over de taalstrijd die hier vroeger woedde. Over zwemmen in de put van Hombeek, waar ik opgegroeid ben. En dat Tervuren prachtig, maar tegenwoordig onbetaalbaar is. Achter ons laat iemand een plateau glazen rinkelen en ruimt Lydia’s wederhelft Bert een deel van het terras op. Cigarillo tussen de lippen. Wanneer Roger en ik even met twee overblijven, bekent hij dat hij en Michel elkaars naam eigenlijk niet kenden. Zoals het echte cafékennissen betaamt, denk ik dan.
De uren, gesprekken en pintjes laten zich voelen. Onderweg naar het toilet ruik ik plots de geur van verse, in ossenwit gebakken frieten en loop ik van de weeromstuit de verkeerde kant op. Typisch. ‘Niet in mijne living pissen he’, roept Bert me nog achterna.
Luminor
Een digestief heet hier nog een pousse café. En ik heb net gegeten, maar dat potteke pap op de kaart steekt mijn ogen uit. Zeker wanneer het chocoladepap blijkt te zijn, afgewerkt met drie chocolade koffieboontjes en een potje slagroom. De frisdrank die ik erbij bestel, wordt vakkundig uitgeschonken in een kristallen champagneglas. Ik besluit dat ik vanaf nu gewoon alles uit een coupe drink. De grandeur van vroeger hangt hier in alle bescheidenheid nog in de details.
Uitbater Steven blijkt vandaag jarig en vaste gast Gaby heeft een cadeautje meegebracht. Een doosje Mercikes. Het bordje achter de toog kroont hem ook nog eens tot beste werkgever. Dat verbaast me niets, want elke keer weer is Steven de vriendelijkheid zelve. Net als de rest van het personeel trouwens. De zon breekt door aan de rand van het terras en twee toevallige passanten zien hun kans schoon. Nog voor ze goed en wel gezeten zijn, haast de sympathieke barvrouw zich naar buiten met een doekje.
De kok lijkt net uit de Brusselse snorrenclub weggelopen. Hij vraagt of de pap smaakt en vermeldt met een knipoog dat hij zelf ook nog vaak proeft. Om er zeker van te zijn dat ze nog even lekker is. Ik geloof hem meteen. Uit goede bron weet ik bovendien dat de spaghetti bolognaise hier een van de beste in de regio is. Een portie veu de kadeine, ne normale, ne groeite of nen overdreive groeite. Om hier op te eten of mee te nemen.
Wanneer ik aanstalten maak om te vertrekken, komt net een groepje binnen. ‘Den Okra is hier ook se’, zegt Gaby. Een van de dames houdt even halt om het café in zich op te nemen. Haar man geeft haar een liefdevol tikje in de rug. Kom sjoe, we zetten ons.
De Rare Vos
Stilte voor de storm. Op de tonen van een saxofoon die gestemd wordt, wandel ik over het gemeenteplein van Schepdaal richting café De Rare Vos. De gemeente maakt zich op voor de Dag van de Dilbekenaar, die later vandaag losbarst in basisschool De Klimop. In De Rare Vos heerst nog de rust zelve. Ik installeer me aan een tafeltje recht tegenover de prachtige oude toog. Links van mij een foto van Merckx in een van zijn regenboogtruien. Rechts een gehandtekend exemplaar van Remco Evenepoel, ingekaderd. Aan de overkant van de straat zit de kapperszaak van zijn mama, papa Patrick wandelt voorbij. Ik ben duidelijk in een wielerhart beland en daar gaat het mijne alleen maar sneller van kloppen.
Kijk ik verder dan mijn glas, zie ik al wat je in een authentiek café verwacht: een zilveren tap, de houten spaarkas, een houder met pakjes kaarten om je volgende solo slim te spelen en de betere leuzen in hout gebeiteld aan de muur: ‘Indien ik konne, ik dronk een hele tonne’.
De Rare Vos is vandaag meer eetgelegenheid dan café, weet de uitbater te vertellen. Met bijzondere suggesties op de kaart deze maand, met Kriekepot als hoofdingrediënt. Tiramisu met Kriekepot, aardbeien en witte chocolade, gelakte ribbetjes met Picklepot (helft pickles, helft Kriekepot), rundstartaar met een granité van Picklepot en brioche. Het is dat we allemaal nog maar net aan de dag begonnen zijn, of ik had die tonne van mij hier goed gevuld.
Sint-Anna
Ik heb zeker niet het beste moment gekozen om af te zakken naar Sint-Anna-Pede. Het naderende onweer doet de lucht trillen. Maar voor ik de beschutting van het café in duik, loop ik nog snel naar het prachtige kerkje aan de overkant.
Op een bordje naast de ingang lees ik dat de kerk wereldberoemd werd omdat ze afgebeeld staat op een schilderij van Bruegel: de Parabel der Blinden. Hand in hand wandelen de figuren op het schilderij de Pedebeek in. Ze beelden samen een valbeweging uit. De eerste in de rij ligt al in de greppel, nummer twee duikt er bovenop. Op de achtergrond zie ik inderdaad het kerkje. Met wat verbeelding heeft de lucht dezelfde kleur als vandaag.
De sjoekes en schattekes waaien me tegemoet als ik de deur opentrek. De ene stamgast vraagt aan de andere of hij nog over zijn pansh kan kijken. Zolang hij zijn vrouw nog kan zien, is het goed, repliceert die tweede. Ik bestel een Girardin Oude Lambiek, die geserveerd wordt in een glas met een oor, en vraag er een huisgemaakt balleke bij. De uitbaatster weet te zeggen dat ze net uit de oven komen. Ze zijn nog zo zacht en sappig, dat ik ze in een teug weg zou kunnen spoelen met de lambiek. Beetje scherpe mosterd erbij: heerlijk. Meer dan alleen balletjes gaan hier ook croques, spaghetti bolognaise en boterhammen met boerenham of plattekaas over de toog. Binnen te bestellen, of door het raampje aan het terras. Meer moet dat niet zijn.
Als ik de lichtinstallatie aan de muur en de iPad waar je zelf je muziek op kan kiezen zo zie, zou het me niets verbazen als menig stamgast hier al de Pedebeek in getuimeld is. Ik moet niets zeggen. Op een goede vrijdag mogen ze mij daar gerust ook eens uit komen vissen.
‘t Wit Paard
Wauw, hoe is het mogelijk dat ik Kobbegem nu pas leer kennen? Ik bevind me op het pleintje voor ‘t Wit Paard, in de schaduw van brouwerij Mort Subite. Twee kinderen dollen in het gras, de kasseien schitteren. Het is de reflectie van de gouden windroos met edelhert die pronkt op de nok van het oude gebouwtje naast de brouwerij. Dit is nu al de mooiste van al mijn bestemmingen.
In de deuropening van ‘t Wit Paard kruis ik een jongedame die de dochter van de uitbaters blijkt te zijn. We wensen elkaar een fijne dag. Even later vertelt de waardin me dat ze deze zomer trouwt. Des te meer reden om te klinken, denk ik zo. Ze stelt me een kriek van de buren voor en de fietsers die na mij arriveren, bestellen een lambiek en een oude geuze. We blijven in thema.
We installeren ons op het grote terras achteraan en raken met z’n vieren aan de praat. De fietsers zijn goed bekend in de regio en geven me in één adem zelfs nog een aantal cafétips mee, zoals Café Kasaar in Brussegem, De Sleutel van het Kerkhof in Anderlecht en ‘t Neerhof in Meise. Het is gezellig keuvelen zo met zicht op de koperen ketels van de brouwerij. Bijzonder, toch voor de liefhebbers, als je bedenkt dat de bieren voor ons op tafel nog niet zo lang geleden in die ketels gebrouwen werden.
Na mijn bezoekje neem ik nog even de tijd om de omgeving te verkennen. De velden rondom zijn glooiend, de vergezichten indrukwekkend. Het zand van de kleine veldwegen stuift op in de wind. Achter het wiegende riet zie je in de verste verte het puntje van de basiliek van Koekelberg. Dit is de Rand op zijn best.
Op ‘t Hoeksken
Het weer in juni is een terugkerend thema in deze reeks. Waar ik de ene dag beschutting zoek voor naderend onweer, zit ik de week erna te grillen op een terrasstoel. Gelukkig komt mijn Kriek Boon net aangewandeld, koude waas op het glas, ‘s zomers van het vat in Op ‘t Hoeksken. Met in haar kielzog ook de specialiteit van het huis: een boterham met platte keis en schijfjes radijs, als roze bloemblaadjes over de witte sprei gedrapeerd.
Achter me hoor ik een schoolbel. Ik schrik op. Dat schelle gerinkel, dat moet 15 jaar geleden zijn. Alsof ik net toestemming kreeg om eindelijk mijn boterhammen op te eten. Al waren die tijdens de eerste speeltijd meestal al gesneuveld en stopten vrienden me ‘s middags hun lunch toe. Ik denk nog steeds de hele dag aan eten. Twee tafels verderop zit een groepje leerkrachten die een welverdiende pauze nemen van de examendrukte. En weer bekruipt me, als in een flits, datzelfde ongemak. Hoe bevreemdend ik het vroeger vond om leerkrachten buiten de schoolmuren te zien. Alsof ze plots echte mensen werden, met een echt leven. Meer dan alleen personages in mijn leven.
De uitbaters zijn druk in de weer met de voorbereidingen voor het bezoek van de Wielerclub, zo lees ik op de bordjes op de tafels. Ook hier gaan café en fiets dus hand in hand. Het maakt me blij dat ik dat soort tradities overal in de Rand tegenkom. Ik voel zelfs wat Belgische trots opborrelen. Het is hier sowieso goed toeven op het terras. Een hoge struik dempt het geluid van de auto’s en naast me strekt een petanquebaan zich uit in de zon. Iemand geniet zichtbaar van zijn croque monsieur. Een echt leven. Zo voelt dat dus.
‘t Neerhof
Nog eentje dan. De laatste. Mijn moeder noemt me weleens een plakker. Zo eentje die ze buiten moeten vegen als de lichten aan gaan. Maar dit is toch echt de laatste halte van mijn kroegentocht door de Rand. En ‘t Neerhof is zo’n plek waar je moeiteloos blijft plakken. De locatie is ideaal, zo langs fiets- en wandelroutes, de vaste gasten sympathiek en de uitbaters mij lang niet onbekend.
Bram, de grote broer van een van mijn oudste vriendinnen, baat het café uit met twee kompanen. De vriendin in kwestie staat regelmatig achter de bar. En hun nichtje, ook een goede vriendin, woont op het einde van de straat. Zij samen in de Rand, ik in Brussel: zo’n vriendschap zonder grenzen in tijd en ruimte. Vandaag word ik verwelkomd door Jan, die moet aanzien hoe ik het café niet binnenwandel, maar binnendruip. De afstand van de parking naar de voordeur volstond al voor code rood op mijn wangen. ‘De grootste limonade die je hebt’, vraag ik. Ik krijg een eskimo en droom even weg naar iglo’s en ijsberen.
Ik installeer me in de schaduw op het terras. Ik ben de eerste vandaag dus heb het rijk voor mij alleen. Een zeldzaamheid hier, want heel Londerzeel en omstreken weet zijn weg naar ‘t Neerhof ondertussen goed te vinden. Benen omhoog, foto sturen naar de vriendinnen en zelfs even indommelen. De tijd drijft gezapig voorbij, zo op de vloeibare hitte van juni.
Terug binnen tref ik Bram, die ook net aangekomen is. Ik vertel hem over mijn ronde door de regio, met In de Oude Smis van Mekingen als persoonlijke favoriet. Hij valt me meteen bij: zowel hij als zijn vader hebben daar ook prachtige dagen beleefd. De fietsclub van die laatste heeft de reputatie zingend rond te peddelen, ook richting Mekingen. Dat leverde zo’n spektakel op, dat Annie de vaste gasten opgebeld zou hebben om langs te komen. Achteraf bedankte ze hen voor een dag die ze nooit meer zou vergeten. Ik moet terugdenken aan hoe Annie en ik elkaar ook bedankten na onze uren samen. Zou de cirkel rond zijn?
Ik heb het glas tot de laatste druppel leeg gedronken, de hele Rand rond gereden op bezoek bij erfgoed van het vat. Van het oudste café van de regio tot de nieuwe generatie die klaarstaat om de toekomst te bestormen. Ze bestaan echt nog, de plekken waar je als nobele onbekende aankomt en heel wat ontmoetingen en verhalen rijker vertrekt. Ik keer met een gerust hart terug naar huis. De laatste pint is hier nog niet getapt.
Lees meer over het verhaal en de geschiedenis van de cafés in de volledige reeks Zomer aan de Toog met journalist Michaël Bellon. Bekijk ook een selectie van beelden die fotograaf David Legrève nam.