Nu is de grond het meest onderhevig aan grillige weersomstandigheden: het regent, het is koud, het is warm, het vriest al eens (een beetje). Daardoor gaat ondergronds leven migreren in de bodem. Vooral regenwormen, maar bijvoorbeeld ook aaltjes, springstaarten en amoeben verplaatsen zich verticaal naargelang we koud, warm, droog of nat weer krijgen. Ze maken gangen waarlangs water en lucht de diepere lagen indringen, en waarlangs plantenwortels makkelijk kunnen doordringen.
Met de wisselende temperaturen gaat de bodem bewegen en vormen zich krimp- en andere scheuren. Opnieuw maken ze de ruimte vrij voor plantenwortels, maar ook voor ondergronds leven zoals schimmels en bacteriën. De bodem vult zich vol leven en dat is nodig om planten beter te laten groeien. Er bestaat een intense samenwerking tussen dat ondergrondse leven en die planten, en dat houdt de volledige leefgemeenschap gezond. Ze zorgen voor elkaar. Bacteriën en schimmels nemen nutriënten, mineralen en water op uit de bodem. Die geven ze door aan de planten. Planten geven dan weer suikers en wortelafscheidingen (exsuvaten) af aan de schimmels en bacteriën waardoor die beter groeien en meer soorten bevatten.
Met al dat leven ontstaat een gezonde bodem die daar bovenop een goede sponswerking ontwikkelt. Die is nodig om bij droge of natte weersomstandigheden perfect alle soorten te laten overleven. Door de tuin met rust te laten, stel je het bodemleven in staat om zich optimaal te ontwikkelen. En een gezonde bodem levert gezond fruit en groenten, met gezonde wilde planten en dieren die er de tijd van hun leven hebben.