TOT 5 APR
45-65. Jan Walravens, kunstcriticus
FeliX Art & Eco Museum, Drogenbos, meer info
45-65. Jan Walravens, kunstcriticus is een ietwat ongewone tentoonstelling die nu eens niet focust op het werk van een specifieke kunstenaar of stroming, maar op het oeuvre van een man die normaal pas in beeld verschijnt als het kunstwerk tegen een museummuur hangt.
Volksverheffing
Maar Jan Walravens (1920-1965) was naast journalist en criticus natuurlijk ook een liefhebber, die altijd heeft geijverd voor een beter begrip van de kunstenaar. Er is een tijd geweest dat men neerkeek op de didactische ‘volksverheffing’, die hij in het naoorlogse Vlaanderen symboliseerde, en ze kan naar hedendaagse standaarden wat stijf en belerend overkomen, maar voor die tijd was ze heel normaal. Wat de blik van Walravens uniek maakte, was zijn spreidstand tussen radio- en tv-opdrachten voor de openbare omroep, journalistieke artikels voor een populaire krant als Het Laatste Nieuws, waar kunst toen nog niet herleid was tot entertainment, en meer gespecialiseerde tijdschriften, monografieën en tentoonstellingscatalogi. Voor De Groene Amsterdammer schreef hij onder andere over Expo 58, die de lokale kunstscene een boost zou geven.
Piekfijn in het pak, met kenmerkende bril en zwart snorretje, was de in de Anderlechtse wijk Veeweyde geboren journalist tijdens zijn korte carrière - hij overleed op 44-jarige leeftijd aan lymfeklierkanker - een ankerpunt voor zowel kunstenaar als tv-kijker, die hij beiden even voornaam aansprak. Zelf keek hij dus helemaal niet neer. Integendeel, zijn blik was opvallend open. Het publiek apprecieerde zijn mensentaal, de kunstenaars zijn oprechte interesse in hun werk. Dat hij zichzelf steevast als ‘eerste toeschouwer’ beschouwde wordt in de verf gezet in de kelder van het museum waar je op antieke tv-bakken zijn bijdragen aan het programma Tienerklanken kan bekijken. Richt hij zich in het eerste seizoen van zijn reeks Hou je van… nog op musea, dan gaat hij de kunstenaars een jaar later persoonlijk opzoeken in hun atelier, zodat de kijker niet alleen het resultaat kon zien van zijn werk, maar ook het echte werk.
Existentialist
Elders in de kelder draait een langere reportage over Felix De Boeck. Je hoort er de ‘eerste Belgische abstracte schilder’ praten over zijn geconstrueerde landschappen en uitleggen hoe hij diepte weet te scheppen in zijn abstracte werk, dat evengoed een uitdrukking gaf aan zijn innerlijke emoties. Voor Walravens was het net als voor de uithangborden van de Jeune Peinture Belge, met wie hij zich als existentialist verwant voelde, vanzelfsprekend om mee te evolueren van figuratie naar abstractie, maar dan liefst in zijn meest lyrisch vorm, zoals bij De Boeck, waar er gevoelens schuilden achter de geometrische vormen.
Geschriften
Op het gelijkvloers van het museum heb je dan al een dwarsdoorsnede gekregen van het geschreven oeuvre van Walravens. Het wordt chronologisch gepresenteerd, simultaan met de kunst die hij met open vizier dissecteerde. De expo start met Die Slanke Byzonderheid, een dichtbundel die hij als tiener samen met twee schoolvrienden schreef en illustreerden, en waarin hij een zwak voor Permeke en het surrealisme blootlegde. We lezen fragmenten in de dagboeken die hij na een bezoek aan een expo over het Belgische expressionisme volschreef over oude én nieuwe meesters en later in de briefwisseling die hij er op nahield met de kunstenaars die hij portretteerde. Artistiek is de expo vooral interessant wanneer ze de kunst van een minder bekende generatie naoorlogse experimentele kunstenaars toelicht en samenbrengt met zijn schrijfsels erover. Zo krijgt niet alleen zijn oeuvre maar ook dat van schilders als Marc Mendelson, Louis Van Lint, Rik Slabbinck, en ook bijvoorbeeld van Jan Cox (zie foto), die zou blijven vasthouden aan figuratieve schilderkunst en over zijn felle kleuren mag uitweiden, een meerdimensionaal karakter. Passerend langs beeldend werk van zijn goede vriend Hugo Claus, maar ook van Alechinsky en Appel, lijkt het haast vanzelfsprekend dat hij bevriende kunstenaars, vaak uit de Cobra-beweging, kon aanspreken om de covers te tekenen die tussen 1949 en 1955 het tijdschrift Tijd en Mens sierden. Ze apprecieerden hem immers ook als wegbereider en als mens.
Verbeelding
Cruciaal voor het tot stand komen van de expo was de ontdekking van een vergeten interview met René Magritte in het VRT-archief. Het dateert uit 1961 en werd afgenomen voor de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent. Destijds kwamen er zo’n 400-tal belangstellenden op af en de interviewer van dienst was natuurlijk Jan Walravens. De expo toont de schriftelijke voorbereidingen, maar samen met de aquarel La maison en feu, een bruikleen van het Museum van Elsene, en het beeldfragment zijn ze niet meer dan een opstapje voor de expo die Hans Vandevoorde en Katrien Vanhamel samenstelden, met veel nadruk op zijn rol als bruggenbouwer.
Walravens communiceert niet alleen inzichtelijk over een nieuwe generatie kunstenaars, maar bracht hen ook samen met de oude meesters in overzichtsessays zoals Hedendaagse schilderkunst in België of reikte hen nieuwe tentoonstellingsplekken aan, zoals Taptoe in hartje Brussel of Celbeton in Dendermonde. Zijn tv-werk ging verder dan pure verslaggeving, hij werkte ook ideeën uit voor scenario’s, en dat allemaal om kunst, weg van het elitarisme, zo toegankelijk mogelijk te maken. Dat ondervinden intussen ook schoolkinderen uit de Vlaamse Rand die in het kader van het schrijfproject De Wondere Pluim in het atrium van het museum hun verbeelding en creativiteit de vrije loop mogen laten.