01 sep '19
108
door Tom Serkeyn
'T Is weer voorbij die mooie zomer. Niet ver weg geweest dit jaar, gewoon een beetje rondgehangen in de Westhoek en Frans-Vlaanderen om uiteindelijk te stranden in Dranouter aan de voet van de Kemmelberg.

Ieder jaar, begin augustus, overspoelen tienduizenden muziekliefhebbers en ambiancezoekers Dranouter voor het internationale Festival of New Tradition dat plaatsvindt op een weide net buiten het dorp. Hoewel, internationaal is relatief. Ondanks de zeer diverse programmatie is Dranouter een hoofdzakelijk blank en Vlaams festival. Wie er rondloopt met een getaande huidskleur heeft dat meestal te danken aan een overdosis zon. Je hoort er nauwelijks Engels of een andere taal, zelfs geen Frans. Nochtans kan je, mits goed gericht en met voldoende sproeikracht, vanop de festivalweide plassen tot over de schreve.

Maar eigenlijk is dit evenement omschrijven als Vlaams nog te vaag. Dranouter is vooral een West-­Vlaams festival en dat maakt net deel uit van de charme. West-Vlaams is er de voertaal, al vanop de parking hoor je de medewerkers mekaar in streektaal toeroepen in hun walkietalkies of wokkietokkies, zoals dat daar heet. Filip Kowlier en Wannes (Wantje) Capelle spelen hier moeiteloos thuismatchen. In het dorp, aan café De Zon waar in 1975 het festival werd geboren, is de bier- en braadworstgeur om te snijden. Het lijkt wel of heel de Chiro en de KLJ van West-Vlaanderen present is. Tussen flarden uniformen zie je hier en daar bevlekte T-shirts met Dust means Thirsty of Boy means Sweater er op. West-Vlaams is hip, zeker na het succes van tv-reeksen als Eigen Kweek of Bevergem. De tijd dat in Vlaamse series enkel Antwerps werd gesproken, is hopelijk definitief voorbij. Hier wordt drie dagen lang onafgebroken gezongen, geroepen en gelachen, ongeremd, zonder schroom in het West-Vlaams terwijl hectoliters pils in de oververhitte kelen verdwijnen. De Britse gesneuvelden uit de Groote Oorlog, die al honderd jaar rusten in de schaduw van de kerk rechtover De Zon, lijken het allemaal best te vinden.

Je kan er niet om heen, in Dranouter heerst een West-Vlaamse broeder- en zusterband en wij buitenlanders mogen mee feesten als we maar respect tonen voor hun identiteit. Hoewel, dat dure woord identiteit neem ik liever niet in de mond. Dat laat ik over aan andere slimmeriken, ik zou veeleer zeggen dat de West-Vlamingen een sterk gevoel van samenhorigheid bezitten. Het schijnt dat de Limburgers dat ook hebben, maar wij Brabanders? Ik denk het niet, wat heeft iemand uit Galmaarden gemeen met pakweg een inwoner van Geetbets? Wat is de band tussen een Brusselaar en een Antwerpenaar, die tenslotte ook een Brabander is maar dat al lang is vergeten of niet wil geweten hebben? Misschien dat de Pajotten een zeker gemeenschapsgevoel kennen, maar toch. Eerlijk gezegd ben ik wel een beetje jaloers op die West-Vlamingen, die waar ze ook wonen of werken nooit onder stoelen of banken steken van waar ze komen.

De sfeer is dus erg familiair in Dranouter, lui die je nog nooit in je leven hebt ontmoet spreken je aan, vanzelfsprekend in het West-Vlaams. Hoewel mijn roots voor driekwart West-Vlaams zijn, ben ik de taal niet machtig. Ik spreek ze niet maar versta ze wel en dat is al heel wat voor een Brabander. Een vrolijke jonge snaak klampt mij aan, ik ruik een bierkegel van minstens twee dagen en hij heeft zo een malle, torenhoge Guinesshoed op zijn kop, ik trek blijkbaar zo’n types aan. ‘Hei moat, van woar ziej hie?’. ‘Vlaams-Brabant’, probeer ik. ‘Wuk?’ ‘Vilvoorde’, beken ik dan maar. ‘En gij?’ ‘Ingelmunster’, antwoordt de kerel. ‘Ah? Onze burgemeester komt ook vandaar.’ ‘Mohow zeg! Est woar? Hei meistje, hift die vent u kè u jupileir!’ En zo ben ik dankzij onze burgemeester toch weer een beetje part of the family.