01 nov '20

Paardekensmoleken

165
door Dirk Volckaerts
Gisteren ben ik met mijn driejarig dochtertje voor de 89e keer deze week eendjes gaan vissen. Op de kermis van Sint-Denijs, in Vorst. Op de laatste dag, dachten we.

Maar: ‘We staan hier vier dagen langer!’, zei de eendjesmevrouw plots. ‘De kermis in Ternat is afgelast, en we mogen nog tot zondag in Vorst blijven.’ Sorry voor alle ouders en grootouders in Ternat. We leven met u mee. Ge zult uw niet-gebruikte ‘goed-voor-één-rit’-fiches nóg een jaar langer moeten bijhouden.

Ik weet dat veel mensen het moeilijk hebben met de gemiddelde dorpskermis. Te luid, te commercieel, te plastic. Veel kritiek is onterecht, vind ik. Kermissen, van klein tot groot, zijn een deel van onze collectieve sociale realiteit, van onze geschiedenis. Het is erfgoed, met wortels in de 10e, 11e eeuw en met supporters als Bruegel, Jordaens, Teirlinck en Buysse. De liefde, het enthousiasme en de gedrevenheid waarmee veel foorkramers hun beroep uitoefenen, ook in moeilijke omstandigheden, verdient alle respect. Gemakkelijk is het nochtans niet. Maar dat was het nooit. Lees er maar Karel van de Woestijne op na, onze Van-nu-en-strakser, in één van zijn verbluffend fijne stukjes als Brussels correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, met als titel ‘Kermisweek’. 

‘(…) De fooremannen zijn veel praktischer dan onze officieele kermisinrichters. Geen naïeve paardekensmolen meer, waar een oude knol bij ‘t slepen van zijn manken trappel den gang van regelde: elektrische drijfkracht thans, en de sensation rare van in vier richtingen tegelijk geschud en omgedraaid te worden; geen hoofd-van-Jut meer om uw spierkracht te beproeven: een elektrisch apparaat weêr dat aan ik weet niet hoeveel volts uw weêrstandsvermogen meet; geen waarzegster meer: spiritische instellingen onder waarborg der wetenschap; en kinematografen in plaats van rarekiekkasten… Want wij leven in eene eeuw van geleerdheid en dorst naar weten, eene eeuw die fopperij vreest en kontrooi over hare ondervindingen… Slechts nog één ouder wetsch paardekensmoleken vond ik Boulevard Jamar, ter Brusselsche foor; het was verlicht met stinkende en walmende lampen, en een pijnlijk-aemechtig orgelken begeleidde er den kriependen en piependen draaigang van de onverschillig-domme paardekens. De eigenaar moest een onverstandig man zijn, meende ik. Neen: het was een slimmerik. Want ik stond geen vijf minuten te kijken, of ik zag het puik der Vlaamsche literatuur aanstappen, het moleken bestijgen en met duur geld de vreugde betalen, dat vóór-historisch vermaak te mogen genieten….’ 

Het puik der Vlaamsche literatuur zien we zo vaak niet meer op de kermis. Ze hebben de Boekenbeurs nu, en Facebook, en Gert Late Night – meer foorkramerij dan dat moet er niet zijn. En voor al diegenen die dorpskermissen maar niets vinden, en niet tegen de sirenes, de toeters en de kabouter-Plopliederen kunnen: wees blij dat we niet meer in de jaren 1880 leven. Lees eens ‘Eene wandeling langs de kermis’ van Reinoudina de Goeje. De hoofdstuktitels zeggen genoeg: De wilde dieren; De dubbele draaimolen; De tooverstokken; De kunstenmakers; De kiezentrekker en Naar huis. 

Een ‘kiezentrekker’ op de kermis? Inderdaad: ‘(…) op eens hoorden ze een gil en bleven staan. Hoe akelig! daar was een kiezentrekker, die een groote kies liet kijken welke hij daar juist een man had uitgetrokken. ‘Heeren en dames, boeren en burgerlui, komt bij mij als ge kiespijn hebt.’ 

‘Kijk eens: een kies met drie wortels, werd door mij zoo goed als weggeblazen,’ riep hij (…). Met open mond en ooren stonden velen te luisteren en te kijken naar den man, die naast hem zat en nog kreunde van de pijn, welke hem het trekken had gedaan.'

Ah, kermis. En nu snel nog wat eendjes gaan vissen.