01 jan '19

Mijn grootouders waren vluchtelingen

718
door Geert Selleslach
Enkele dagen geleden ben ik naar het graf van mijn moeder en mijn vader geweest op het kerkhof van Hever, een dorp in de buurt van Mechelen. Ik doe dat elk jaar om van gedachten te wisselen en ons persoonlijk jaaroverzicht op te maken. Vader spreekt.

‘Ha, onze kleinste, blij da’k u nog eens zie’, zei mijn vader. ‘Ik zie u hier niet zo veel. Of het moet zijn dat ge altijd tijdens mijn middagdut komt.’

‘Ik kom hier niet zo graag. Ik vind het een beetje akelig om hier zo voor jullie graf te staan. Ik word dan altijd zo een beetje mottig, zo ter hoogte van het hart. Met al die herinneringen die terugkomen.’

‘Maar jongen toch. Herinneringen, da’s toch niet erg. Zeker niet als het goede zijn. Wij, wij liggen hier ook maar onze tijd te verdoen met nadenken over hoe het vroeger was. Vroeger is voorbij. Wat zegde?’

‘Dat 2018 op uw zenuwen heeft gewerkt. Dat kan ik goed geloven. Ik heb mij ook een paar keer omgedraaid in mijn graf. Ellende. Het is hier nogal smal, ziet ge. Voor wie of wat uit 2018 ik een rode kaart zou trekken? Euh… daar is zoveel over gezeverd da’k ik het bekan nie durf zeggen. Maar iemand moet het toch zeggen, nee? … Een rode kaart voor wat er allemaal met die vluchtelingen gebeurt. Klopjacht op de treinen, kinderen gevangen zetten, in een park slapen of nog erger in ‘de jungle’. Als ik dat goed heb verstaan, is er ne jungle in Calais? Alé, mannekes. Da meent ge nie. Ik zou zeggen: heb een beetje respect en luister ne keer naar ne dode. Die kunt ge niet bespotten of belachelijk maken, want het raakt hem niet, hij is dood.'

‘Alé, zeg het nu maar.’

‘Awel, het gebeurde in 1914.’

‘Watte?’

‘Ja, ik weet het, het is al efkes geleden, 104 jaar om precies te zijn. Maar we mogen onze geschiedenis niet vergeten. Toen, in 1914, sloegen mijn ouders, uw grootouders, op de vlucht voor de gewelddadige Duitsers. Naar Nederland, dat neutraal was gebleven in de Eerste Wereldoorlog.’

‘Nee, niet weeral dat verhaal…’

‘Ja, jawel, weeral dat verhaal. Het is te belangrijk.’

‘Alé, vooruit dan, ik luister, omdat gij het zijt. Maar doe de korte versie.’

‘1914, vlucht naar Nederland. Alles achter gelaten. Huis, werk, school, omgeving. Met vier kinderen en een kruiwagen met kleine bezittingen stap voor stap te voet naar een vluchtelingenkamp in Nunspeet, tussen Apeldoorn en Zwolle. 250 km van hier. We deden er twintig dagen over. Van de mensen onderweg kregen we een beetje brood, wat water, een appel of een peer. Sommigen riepen ons vieze woorden na. Ons moeder hield dan altijd een hand voor onze oren, maar we konden toch horen wat die riepen. Vuile profiteur, ga terug naar uw land. Transmigrant. Achterlijke Belg. En nog wat van dat. En erger. Ja, niet alle Hollanders moesten ons, maar wij waren wat blij dat we de doodslag en ravage achter ons konden laten. Ginder woonden we in barakken. Met duizenden. Barak naast barak. Eén kamer per familie. Nog nie de helft zo groot als wat er tegenwoordig op die campings allemaal staat. En, dat is klein, hé, da weette. Vader - uw grootvader - ging in de omgeving werken. Verplicht. Nee, geen meubels maken waarin hij goed was, maar wegen aanleggen, stenen verslepen, barakken bouwen, fietsen repareren. Eén keer per dag kregen we eten. Voor de rest moesten we ons zien bezig te houden. En niet te veel kattenkwaad uithalen of het was bagaar. Verschillende families zijn uit het kamp gezet. Wat er met hen gebeurde weet ik niet. Ik wil het niet weten. Nee, plezant was dat allemaal niet. Maar we hielden vol. Er werd één kind geboren, twee stierven er. En het leven ging voort. … Euh… en dan… euh… Waar was ik gebleven?’

‘Awel ge leefde daar in barakken.’

‘Ah ja, makkelijk was dat allemaal niet. Ginder woonden we in barakken. Met duizenden. Barak naast barak. Eén kamer per familie. Vader - uw grootvader - ging in de omgeving werken. Verplicht.’

‘Ja, dat hebde al verteld.’

‘Ah… Euh… Na vier jaar kregen we te horen dat ze daar aan den IJzer opgehouden waren met vechten. Dat werd zo stillekes aan tijd. Al die doden. Weet ge, ze kwamen zelfs van Marokko om hier aan de IJzer te vechten en te sterven. Mannekes van ochotochheere 20 jaar. Kunde dat nu geloven? Maar alé, den oorlog was gedaan en wij konden terug naar huis, naar Schiplaken. Ja, nu staan daar allemaal schoon villa’s in den bos van den baron, maar toen was dat een gehucht van niks. Zandgrond bovendien. Ge stak iets in de grond en ge kon vooral maar bidden dat er de volgende zomer iets van uit zou komen. … Euh… maar alé, waar was ik gebleven?’

‘Ge kond eindelijk terug naar huis.’

‘Ah ja. Wat we daar zagen was affreus. Alles kapot geschoten. Alles! Tijdens de slag om Schiplaken. Hoorde da goed? De Slag van Schiplaken. Daar stonden tien huizen! Tien huizen! Maar we gaan wel de geschiedenisboeken in. Later constateerden we dat het kasteel - als bij wonder - gespaard was gebleven. We vroegen ons af of de Duitsers het per toeval voorbij waren gelopen. Met de aanblik van al die verwoestingen zonk de moed ons in de schoenen. Want: hoe zou ons huis eruit zien? Uiteindelijk arriveerden we daar aan de bocht in de Goorstraat waar ons huis stond. Of wat er van overbleef. Ik had de hand van ons moeder vast en voelde een trilling door heel haar lijf gaan. Ook mijn vader zag nu het huis. Hij begon stillekes te wenen. Dat had ik in vier jaar nie gezien. De muur van de leefkamer was weg. Aan de achterkant was het dak ingestort, het leunde schuin op een half muurtje. De keuken en het kot stonden nog recht. Van het interieur bleef niets meer over. Geen stoel, geen tafel, niets. Die eerste dagen waren onwezenlijk. Wat ik mij vooral herinner is de complete stilte. Geen vogel die floot, geen hond die blafte, geen wind die woei. Ook wij zegden niets tegen elkaar. Vader en moeder begonnen stenen te verleggen, probeerden een plaatsje te maken om te kunnen slapen. Dit was het dan. Ons huis, waarvan ik mij, op basis van de verhalen die vader en moeder ons ’s avonds in Nunspeet hadden verteld, zo veel had voorgesteld. Maar dit, dit was ons huis niet, dit was een hoop stenen. De barak in Nederland zag er properder uit.’

 ‘Amaai, da moet wa geweest zijn.’

‘Kennen de mensen die verhalen nie meer, dan? Alé, zeg het, kennen ze die nie meer?’

‘De meeste mensen hebben daar nog nooit van gehoord, vader.‘

‘Amaai, da’s dan rap vergeten. Nu weette weer waarom ik dat altijd opnieuw vertel. Omdat ik wil dat ge ‘t weet. Dat ge weet dat wij in barakken hebben gewoond. Dat ge weet dat de Hollanders ons hebben geholpen. Nee, niet allemaal met hun goesting, maar toch geholpen. Dat die vluchtelingen, zoals wij, werden opgevangen zo goed en kwaad als dat het kon. Zijn de mensen dat vergeten? Awel merci.’
‘Alé, manneke, ga nu maar naar huis, ge staat te bibberen van de kou. Trouwens, ik wil ook wat rusten, het is ne langen dag geweest. Zeg daar tegen iedereen in de levende wereld dat ze wat lief voor elkaar moeten zijn, minder hard. Een mens is een mens en blijft een mens. Iedereen verdient mededogen. Kunt ge dat zeggen, jongen?’

‘Ja, ik zal dat zeggen. Aan iedereen. Ik beloof het. Zo lang ik leef zal ik dat zeggen, want gij hebt mij dat geleerd. Ik weet wel niet of iedereen zal luisteren.’

‘Dat kan geen kwaad. Daarvoor heb ik hier een oplossing gevonden: geduld en herhalen. Herhalen tot ze het horen. Hoordet?’

‘Ja, ik zal het zeggen. Beloofd.’

‘Alé het is al goed. Ik merk dat ge van uw melk zijt. Ik weet dat het niet gemakkelijk is, mensen overtuigen van iets waarvan ze niet overtuigd zijn. Veel meegemaakt vroeger. En toch, toch lukte het. Ik was nen drammer, dat weet ge nog wel, hé.’

‘Ja, da’s waar, ge waart nen drammer. Maar wel ene met humor en een hart voor mensen.’

‘Alé, alé, we gaan nie bleiten hé. Pakt daar da maske aan da graf hier nevens mee naar het dorpscafé. Drinkt een glas op mijn kosten en klapt wat met elkander. Zegt dat alles goed komt.’

‘En als da nu niet zo is. Als alles nu eens nie goed komt?’

‘Als ge niets zegt, dan zwijgt ge. Wat zegde? Moed voor nodig? Ja, als ’t moet, hebde moed nodig.’


‘Dan kom ik uit mijn graf om iedereen eens goe mijn gedacht te zeggen. Nondedju. Waar zijde gijlle mee bezig? Zal ik roepen. Hé, hé, waarmee? Zegde het is? Ze zullen rap een toontje lager zingen. Maar ja, ge moet er wel tegenin gaan hé. Als ge niets zegt, dan zwijgt ge. Wat zegde? Moed voor nodig? Ja, als ’t moet, hebde moed nodig. Da zult ge nog wel leren, jongen.’

‘Toch denk ik dat ge wat optimistisch zijt, vader. Ge hebt de laatste tijd de gazetten niet meer gelezen hé. Dan zoude beter weten.’

‘Of just nie, want veel wat er toe doet, staat daar niet meer in, hé, geeft toe. Ah, en zegt daar tegen die ongelovige Thomassen in de levende wereld ook dat ik drie woorden voor 2019 heb bedacht: mededogen, begrip en empathie … Als de mensen dat nie meer verstaan, er bestaan toch nog woordenboeken zeker hé. Kunnen ze het daar in opzoeken. Alé, salut.’

‘Salut, vader, tot ne volgende keer. ‘k Zal proberen wat rapper te komen.’