01 mei '22

Smaragd
of beton?

586
door Koen Demarsin
Vanaf de jaren 1960 kreeg het culturele leven in de Rand haar huidige vorm. Met cultuurcentra, bibliotheken en zelfs met reuzen werken de Vlamingen er al meer dan een halve eeuw aan hun eigenheid, los van Brussel. Intussen haalde de superdiverse stad de Rand opnieuw in.

Tijd voor een nieuw hoofdstuk in het culturele verhaal.

Gordel van smaragd

Renaat Van Elslande en Frans Van Mechelen. Bij wie in de jaren ‘60 het culturele leven in de Rand mee vorm gaf, zinderen hun namen nog na. Deze eerste Vlaamse cultuurministers gaven een flinke duw aan de cultuurwerking in Vlaanderen. Uit de portefeuille die Van Elslande ter beschikking kreeg, maakte hij de nodige middelen vrij om een fijnmazig web van moderne cultuurcentra uit te bouwen. Ze vormen de basis van ons cultuurlandschap zoals het er vandaag uitziet. Ze hadden ook oog voor de gevoeligheden van de Nederlandstalige inwoners in de Rand rond Brussel die vreesden dat hun leefwijze en hun taal steeds meer in de verdrukking dreigden te raken door de snelle groei van de hoofdstad. Cultuur kon helpen om de verfransing van de streek een halt toe te roepen. De nieuwe cultuurhuizen speelden daarbij een hoofdrol.

Minister Van Mechelen bedacht voor de nieuwe culturele Rand rond Brussel ook een naam: de Gordel van Smaragd. Een beeldspraak die kon tellen, maar nieuw was de vergelijking niet. De minister was wellicht een literatuurliefhebber en haalde zijn inspiratie elders. Bij Pol De Mont bijvoorbeeld, de Vlaams bewuste schrijver uit Wambeek, die zijn liefde voor zijn geboortestreek niet onder stoelen of banken stak. In 1929 schreef hij in Aan mijn Pajottenland: ‘Ik weet geen streek, die het bij u kan halen in veie vruchtbaarheid en schoonheidsglans. Uw groene heuvels en nog groener dalen omringen Brussel met smaragden krans.’

Smaragd. Daar was hij dan. De Mont haalde op zijn beurt zijn verbeelding bij andere grootmeesters, bijvoorbeeld bij Multatuli, een veelgelezen Nederlandse schrijver aan het eind van de 19e eeuw. In 1859 schreef hij in een recordtempo zijn Max Havelaar bij elkaar, in Brussel nota bene, niet ver van de Sint-Goedelekathedraal. In dit bekende werk bekroonde hij de Indonesische archipel als eerste met de eretitel: ‘t prachtige rijk van Insulinde, dat zich daar slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd’. De Rand zocht haar eigenheid in de wereld, al liep de omweg langs Brussel.

De Pajotse eigenheid

Het was niet voor het eerst dat een stem voor een bewuste identiteit uit het Pajottenland kwam. Toen Multatuli in 1857 op de vlucht voor zijn schuldeisers met lege zakken in Brussel aankwam, bestond het Pajottenland nog maar net. Althans in naam. Frans-Joseph De Gronckel, een Lennikse advocaat en goede vriend van De Monts vader, vermeldde de naam voor het eerst in een krantenfeuilleton in 1845. Zijn stukken waren een warme liefdesverklaring aan de streek en een aanklacht tegen de verstedelijking van het platteland. De Gronckel bezorgde de glooiende streek tussen de Dender en de Zenne niet alleen een naam, maar ook een eigenheid en een zelfbewustzijn. Vanaf dan bestond het, ervoor was het een tussengebied zonder noemenswaardige stad. Mede daardoor was het Pajottenland vanouds sterk op Brussel aangewezen, meer dan bijvoorbeeld de streek ten oosten van Brussel waar de invloed van Leuven snel voelbaar is. Ook toen het Pajottenland een eigenheid kreeg, bleef de gewrongen houding met Brussel bestaan: het zette zich ertegen af, maar ze bleef ervan afhankelijk voor haar welvaart. De blijvende spanning verklaart mee het streekbewustzijn dat er vandaag nog sterk leeft.

Gordel van steen

Een ring van culturele edelsteen aan de Vlaamse kroon. De beeldspraak spreekt voor het groeiende zelfbewustzijn van de mondiger wordende Vlamingen die hun lot in eigen handen namen. Dat was ooit anders. Pas in 1919 werd het algemeen stemrecht ingevoerd, alleen voor mannen. Vanaf dan hadden niet alleen kapitaalkrachtige en overwegend Franstaligen een volwaardige kiesstem, maar ook de armere Belgen, in Vlaanderen waren zij Nederlandstalig.

De Gordel van Smaragd met kleine en grotere cultuurcentra werd uitgevoerd in beton, de edelsteen van de moderne tijd.

Opeenvolgende taalwetten uit 1921 en 1932 gaven hun stem nog meer gewicht. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg deze gemeenschap van Nederlandstaligen steeds vastere vorm. Ze kreeg een naam – de Vlaamse Gemeenschap – waardoor ze bestond en ze verwierf een eigen plek – het Vlaams Gewest – waardoor ze een afgebakend grondgebied had. Ten slotte kreeg ze eigen bevoegdheden met bijhorend budget, zoals voor cultuur, waardoor ze een eigen koers kon uitzetten. De nieuwe culturele bevoegdheden hielpen de Nederlandstaligen dan ook om hun eigen identiteit verder vorm te geven.

De Gordel van Smaragd werd uitgevoerd in beton, de edelsteen van de moderne tijd. Vanaf de jaren ‘70 zagen nieuwe kleine en grote cultuurcentra en bibliotheken het levenslicht. Zij hielpen om het wereldbeeld van de randbewoners mee te ontwikkelen. De opening van de cultuurcentra Westrand in Dilbeek en Strombeek in Strombeek-Bever in 1973 waren grote mijlpalen. Ze droegen het nieuwbakken cultuurbeleid in de wijde omtrek uit. Als het over Westrand gaat, voegen ingewijden er niet zelden aan toe dat voor de bouw van start ging, beslist werd om de bouwplannen om te draaien, zodat het gebouw met open ramen naar het Pajottenland kwam te liggen en met de rug naar Brussel in plaats van omgekeerd. Een anekdote die spijkers met koppen slaat. De nieuwe cultuurcentra waren niet alleen een thuis voor de buurtbewoners, het waren de culturele opvolgers van de oude burchten rond de stad, dit keer niet bedoeld om het Brabantse Brussel te beschermen tegen het Graafschap Vlaanderen, maar wel om het nieuwe Vlaanderen te behoeden voor de dreiging die van haar intussen gevaarlijk geworden hoofdstad uitging. Langs de overdekte ‘straat’ die de verschillende ruimtes van het cultuurcentrum in Dilbeek met elkaar verbindt, zijn in beton een woonkamer met een haard, een vijver en een speelhoek uitgewerkt: een warm nest ‘waar Vlamingen thuis zijn’, zo valt nog te lezen boven de toegang van het gebouw en op borden langs de invalswegen van de gemeente. De symboliek zit overal. De vrees voor een Franstalige culturele overrompeling viel niet uit de lucht. Het Vlaamse taalgebied dat sinds 1921 vaste vorm had gekregen, bleef in de Rand inboeten. In 1947 reikte het tweetalige gebied al tot de aangrenzende gemeenten Sint-Agatha-Berchem en Ganshoren. Het was dus alle hens aan dek. De taalgrens, die in 1963 werd vastgelegd, kwam voor de Dilbekenaren net op tijd. De bouw van CC Westrand en CC Strombeek was een statement van formaat, maar een beschermende burcht oogt niet meteen als een warme thuis voor wie nieuw is. Hun dubbele doel – verwelkomen en beschermen – plaatste de cultuurcentra voor een moeilijke paradox.

Eigenheid

Het culturele ontwaken van de Rand was ook zichtbaar op straat. Plaatselijke verenigingen maakten nieuwe reuzen die hun plaatselijke identiteit lieten zien. Lambiekbrouwer Jef Pajot werd in 1983 in Dilbeek geboren. Hij trouwde met snijbloemenkweekster Rinneke. Het bakkerskoppel Sjoenke en Wanjke zagen in bakkersdorp Linkebeek het levenslicht. Bezembinder Tist en taartenbakster Triene uit Sint-Genesius-Rode en Mietje Muscat uit Overijse zijn erbij sinds 1954. In één beeld maakten de grote helden duidelijk waar het in de buurt om ging: samenhorigheid, herkenbaarheid en traditie. De hergeboorte van de reuzentraditie was geen uniek fenomeen van de Rand, en de reden hiervoor had veeleer met een ander soort staatshervorming te maken. Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot 1986 kwamen er in heel Vlaanderen wel duizend reuzen bij, met een piek in de jaren ’70. Door de grote gemeentefusie van 1977 smolten kleinere gemeenten samen tot de grotere fusiegemeenten die we vandaag kennen. De nieuwe reuzen boden in deze tijd aan vele dorpen een houvast en een bevestiging van hun eigenheid, zeker in de Rand. De reuzen waakten over de eigenheid van de streek, net als die andere held van het Pajottenland: de goedlachse boerenrebel Pieter Bruegel. Al sinds de jaren ‘30 suggereerde vooraanstaande kunsthistorici dat Bruegel niet alleen zijn inspiratie haalde in het Pajottenland, maar ook dat hij bouwwerken als de Sint-Annakapel in Sint-Anna-Pede of de watermolen in Sint-Gertrudis-Pede op zijn doeken vereeuwigde. In de jaren daarop werd de Brabantse schilder stilaan een echte Pajot: een herkenbare kunstenaar die goed aansloot bij de noden van de tijd en bij een bewust volk dat klaar was om weerstand te bieden tegen de verfransing zoals Wannes Vande Velde het bezong in zijn strijdlied Pieter Breughel in Brussel.

Flou artistique

Ze staan er allemaal nog, de cultuurburchten rond de stad, alleen is de vraag wat ze nog verdedigen. 2022 ligt ontegensprekelijk in een ander tijdperk dan 1973. Staatshervorming na staatshervorming gingen steeds meer bevoegdheden over naar het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap. De nieuwe provincie Vlaams-Brabant kreeg in 1995 de slagkracht om een eigen cultureel, toeristisch en taalbeleid op te zetten voor de Rand, iets wat in de tot dan toe unitaire provincie Brabant moeilijk voorstelbaar was. Intussen is ook de splitsing van BHV een feit. Daarmee zijn niet alleen heel wat dammen opgeworpen tegen een mogelijke verbrusseling van de streek, maar zijn meteen heel wat banden doorgeknipt. Vlaanderen en de gemeenten in de Rand gingen hun eigen weg, Franstaligen zagen steeds meer stadsrand aan hun invloed ontglippen.

De Rand is intussen een thuis voor inwoners uit de hele wereld. Op een uniforme manier over de Rand spreken, is onbegonnen werk. Het residentiële zuidoosten rond Overijse en Tervuren steekt scherp af tegen de bedrijvige gemeenten als Vilvoorde en Machelen. Als er nog een beschrijving van de hele streek rond Brussel te maken valt, dan dekt de term superdivers wellicht het best de lading. Met de toename van deze superdiversiteit verdwijnt de scherpe tegenstelling tussen de Vlaamse en Franstalige cultuur naar de achtergrond. De culturele grenzen werden steeds onduidelijker en een streekidentiteit voor de jongere generaties niet meer vanzelfsprekend. Bruegel is niet langer een gidsfiguur en de weg voor nieuwe inwoners leidt niet automatisch langs het cultuurcentrum.

Ook het sociale weefsel onderging een gedaanteverandering. De traditionele dorpsgemeenschappen die enkele tientallen jaren geleden nog geordend waren volgens politieke zuilen met aparte fanfares, toneel- en andere verenigingen verdwenen. In de plaats trad een rijk en vrijblijvender activiteitenaanbod gericht op de noden van individuen in plaats van verzuilde groepen. Het aanbod dat de cultuurcentra ontwikkelden, droeg hier in sterke mate toe bij. Bovendien zagen de traditionele verenigingen hun ledenaantallen flink dalen. De sociale en culturele activiteiten vinden intussen overal plaats, spontaner en onder verschillende vormen: in straten, wijken, moestuinen en oude panden, georganiseerd en bedacht door bewoners, collectieven of tijdelijke verenigingen.

Opgeblonken

Het initiatief ligt nu op straat en bij iedereen, niet alleen meer bij het cultuurcentrum, de vereniging of de gemeente. Het speelveld is onoverzichtelijker geworden. In RandKrant van april 2022 hebben Wim Van Parijs (CC Westrand) en Caroline Van Camp (CC Het Bolwerk Vilvoorde) het over deze omslag en hoe uitdagend die soms is. Als grote cultuurcentra moeten ze cultuur een plaats geven binnen de gemeente, maar vaak hebben ze ook een regionale functie te vervullen. Daarnaast blijft het bereiken van nieuwkomers niet evident, ondanks de vele inspanningen in wijken en buurten. In het licht van deze uitdagingen kan een groot gebouw van steen dan bij momenten behoorlijk zwaar wegen. Het werd er allemaal niet eenvoudiger op, maar voor wie de schoonheid wil zien, toont de culturele Rand zich in al haar facetten en vervelt de Gordel van Beton pas nu tot een Gordel van Smaragd. De oude metafoor is aan herziening toe.