01 mrt '15

‘Verhalen vertellen die nog niet verteld zijn’

5860
door Ines Minten
Met tomeloos enthousiasme bestormen Bilall Fallah en Adil El Arbi de wereld van de film. Ze hadden budget voor een kortfilm, maar maakten een langspeler. Image draaide nog niet in de zalen of ze plonsden al in het volgende project.

Momenteel monteren ze hun tweede film, Black, die in het najaar verschijnt. En kijk, daar piept alweer het idee voor nummer drie. ‘Wij willen naar Hollywood, mensen!’

SUPERSPEEDO

Het gaat hard voor het filmmakersduo. In 2011 studeerden ze af aan Sint-Lukas in Brussel. Voor hun afstudeerproject, de kortfilm Broeders, kregen ze de begeerde VAF Wildcard, dé prijs voor jonge filmmakers. Ze sloegen alle goedbedoelde adviezen in de wind en maakten met het prijzengeld géén nieuwe kortfilm. Een langspeler moest het zijn. Hun budget was naar filmnormen te verwaarlozen, maar kijk, in november vorig jaar kwam Image uit. Een film over jongeren in Molenbeek, over hypocrisie in de media en over de ontmoeting tussen beide werelden, maar ook over vooroordelen en ambitie zonder (morele) grenzen.

Ondertussen nam El Arbi deel aan de De slimste mens, waar zijn pittige optredens niet onopgemerkt bleven. Te midden van alle heisa verschansen de twee zich nu zo veel mogelijk in hun montagestudio in Diegem, in de kelder van Fallahs ouderlijk huis. ‘We zijn druk bezig aan de beeldmontage van Black. Zodra die rond is, volgen de geluidsmontage, de muziek en de finale afwerking.’

VERHALEN UIT BRUSSEL

Black had eigenlijk hun eerste film moeten worden. Al in het eerste jaar filmschool ontdekte El Arbi de gelijknamige jeugdroman van Dirk Bracke. ‘Een ruw, realistisch boek over straatbendes in Brussel’, vertelt hij. ‘Dat klonk filmisch. Bracke schrijft bovendien heel visueel en zijn boeken lezen vlot; een pluspunt voor een niet-lezer zoals ik. Maar het was vooral de sfeer van het boek die me aansprak, die coole stadssfeer die je ook terugvindt in films over New York bijvoorbeeld.’ Fallah: ‘Als wij een film maken, willen we vooral een verhaal vertellen. Een pakkend, meeslepend verhaal. Black is een soort Romeo en Juliet-verhaal in de wijken van Brussel. Het is heel hard, maar ook heel puur. Die contradictie maakt het mooi.’

Dat het boek zich uitgerekend in Brussel afspeelt, was niet onbelangrijk. El Arbi: ‘We kennen de stad, haar wijken en de allochtone jongeren die er wonen. Niet dat wij mensen in onze omgeving hebben die in bendes zitten, maar de manier van spreken is wel heel herkenbaar voor ons.’ ‘Zoals Martin Scorsese New York weet op te voeren als een personage, zo willen wij Brussel portretteren’, legt Fallah uit. ‘Het is tenslotte ook de enige grootstad in België. We willen Brussel dus echt in elk shot van onze films laten voelen. De tweetaligheid van de stad is filmisch interessant. Daar hebben we in Image expliciet mee uitgepakt: een Vlaamse journaliste interviewt een Franstalige gast uit de Brusselse quartiers. Bovendien krijgt Brussel in de media een heel negatief imago, net als de allochtone personages die we neerzetten.’ Image maal twee, dus.

BENDEVORMING

Als je Fallah en El Arbi hun verhaal hoort doen, klinkt het logisch dat ze in tandem werken. ‘Ik had vroeger nooit gedacht dat ik ooit met iemand zou samenwerken. Ik ben daar veel te dictatoriaal voor. En Adil is dat eigenlijk ook. We willen onze eigen visie onder alle omstandigheden doordrukken. Maar wat bleek? Het klikte al vanaf de eerste dag op Sint-Lukas. Je komt daar toe op zo’n arty-farty school vol kunststudenten en zelf voel je je niet zo. Dan zie je daar één andere Marokkaan rondhangen en voilà: direct bendevorming’, lacht Fallah.

‘Zoals Martin Scorsese New York weet op te voeren als een personage, zo willen wij Brussel portretteren.’

Ze ontdekten dat ze precies dezelfde interesses, dezelfde smaak, dezelfde lievelingsfilms hadden. ‘Bij elke kortfilm die we maakten, waren we op elkaars set aanwezig en waren we eigenlijk al meteen alles samen aan het doen.’ El Arbi: ‘Het is heel simpel: als we allebei over iets twijfelen, dan is er iets niet juist. Als we allebei zeker zijn over iets, dan zit het goed. Alleen als we het oneens zijn, hebben we een probleem, want we kunnen elkaar iets te goed overtuigen. Jij hebt toch gelijk, we doen het zo, zeg ik dan. En hij antwoordt: Nee, nee! We doen het zoals jij het zegt! Dat zijn de enige ogenblikken waarop we van mening verschillen.’ ‘Het gaat allemaal heel natuurlijk’, voegt Fallah toe. ‘Als we draaien, leggen we geen regels vast over wie wat doet. We komen op de set en we beginnen. Als we eens ruzie hebben, dan is dat altijd buiten de film, zoals broers die kibbelen. Op de set? Nooit!’

Zelfs de manier waarop ze in film geïnteresseerd zijn geraakt, komt overeen. Fallah vertelt hoe hij als kleine jongen bezeten was door het medium. Kocht zijn vader een camera, dan pikte hij die direct in en stond hij te filmen. Hij tekende ook graag stripverhalen, die je makkelijk kunt interpreteren als screenshots, de basis voor films. ‘Ik keek doodgraag naar Hollywoodfilms. Zag ik Apollo 13, dan wilde ik astronaut worden. Zag ik Indiana Jones, dan werd het archeoloog. Tot ik besefte dat het de film zelf was die me interesseerde.’ El Arbi pikt in: ‘Ook bij mij kwamen al mijn interesses voort uit films. Ik was dinosaurusfreak of ruimtevaartfreak of ik raakte geboeid door een periode uit de geschiedenis; altijd kwam dat door films. Dus leek filmmaker me de best mogelijke job, omdat die je toelaat in al die verschillende werelden te kruipen.’

Voor Fallah was de film La Haine van de Franse regisseur Mathieu Kassovitz een grote openbaring. De film speelt zich af in de banlieues van Parijs. ‘Er zat een Marokkaan in en dat vond ik als kleine jongen supercool. Bovendien was de film heel urban en hiphop. Eindelijk zag ik een herkenbare film waarin een leefwereld werd geportretteerd die niet ver van mij aflag. Ik was zo onder de indruk dat ik naar de making of ben gaan kijken. Daar besefte ik dat er iemand is die de leiding heeft over een film, iemand die alles in de hand heeft. Het was de eerste keer dat ik dacht: Misschien moet ik dat later maar eens gaan doen.

SURREALISTISCH

El Arbi en Fallah lopen over van geestdrift, ambitie én zelfkritiek. Die drie gaan naadloos samen, vinden ze. Image in de zalen, posters van de film, mensen over hun werk horen praten, was een droom die uitkwam. ‘Op naar de volgende’, lacht Fallah. ‘Nee, de première was echt surrealistisch. Ik had veel stress, maar tegelijk besefte ik dat je zoiets maar één keer meemaakt, dus dat ik ook van elke seconde moest genieten. Op een gegeven moment stond er een hele groep fotografen voor ons te klikken. Putain, zei ik, gebeurt dit écht?’

Aan de andere kant was het ook best akelig om hun film voor het eerst volledig afgewerkt te zien. El Arbi: ‘Er zitten wel 3.000 fouten in de film en die hebben we allemaal gezien. Onze maag draait om als we merken dat ons werk niet 100% perfect is.’ Hij nuanceert: ‘We zullen dat waarschijnlijk bij elke film hebben, want we zullen wellicht nooit de perfectie bereiken; dat kan gewoon niet. Maar de fouten die we bij Image gemaakt hebben, zullen we niet meer maken bij Black. Je moet kritisch zijn voor jezelf, anders maak je slechte dingen en – dat is nog het ergste van al – je beseft het zelf niet. De enige manier om te evolueren en betere films te maken, is om superkritisch te zijn voor onszelf en te leren van onze fouten en gebreken. We hebben ook nog tijd: Martin Scorsese was 74 toen hij The Wolf of Wallstreet maakte.’

Bilall Fallah: ‘Jongeren van Marokkaanse afkomst vragen mij soms: Heb jij echt die film gemaakt? Ja, écht, en jij kunt er ook voor gaan, antwoord ik.’

Het uiteindelijke doel is Hollywood. Niets meer of niets minder. ‘We willen grootse cinema maken’, zegt Fallah. El Arbi: ‘Toen we klein waren, waren we verzot op de films van Steven Spielberg; dat is pure Hollywood. Of het nu ET is of Indiana Jones of films van Christopher Nolan, zoals Inception of Interstellar; dat is cinema die je doet dromen. En dus willen we naar Hollywood, want films maken met Brad Pitt of Leonardo di Caprio wordt moeilijk in Molenbeek.’

ACTUEEL

Het filmmakersduo wil verhalen vertellen die nog niet verteld zijn. Het was een bijkomende reden waarom ze zo gebrand waren op een vroege langspeelfilm. Fallah vertelt hoe ze tijdens een stage – Bilall als cameraman, Adil als geluidsman – het programma Arabesk moesten maken voor TV Brussel. ‘De bedoeling was om de Brusselse Marokkanen positief in beeld te brengen en aan te tonen dat die gasten allemaal keigoed bezig waren… Ik vond dat bizar. Zo’n geforceerd rooskleurig beeld was voor ons pas echt het bewijs dat er iets mis was.'

'Het probleem is dat al het overige nieuws over Marokkaanse jongeren in Brussel altijd negatief is. Adil en ik zijn van Marokkaanse origine, dus wij hebben daar altijd last van gehad. Keer op keer moet je bewijzen dat jij zo niet bent.’ Die frustratie in combinatie met de reportages bij TV Brussel deden het idee voor Image kiemen. ‘We wilden een film maken over de zogenaamde probleemwijken in Brussel, maar ook over de media en de manier waarop ze die quartiers in beeld brengen.’

Het werd tijd dat dit soort thema’s eens goed uitgespit werden, vonden ze. ‘Ik had dit idee vijf jaar geleden en met alles wat er momenteel in de wereld aan het gebeuren is, is het nog altijd even actueel’, zegt Fallah. ‘Dat betekent dat onze verhalen hun bestaansrecht hebben. We wilden niet langer wachten met ze te vertellen, omdat we vinden dat zulke verhalen al lang verteld hadden moeten zijn. Die negatieve beeldvorming zit onderhuids in onze hele maatschappij ingebakken. Image was een film die we hoogdringend moesten maken en we zijn er gewoon voor gegaan.’

Vanaf het moment dat je zulke thema’s aanraakt, word je al snel zelf naar voor geschoven als rolmodel of als stem van een groep of generatie. ‘Het is de eerste keer dat er Vlaams-Marokkaanse regisseurs in de kijker komen te staan, dus we hebben die rol gekregen of we nu willen of niet’, zegt Fallah. ‘Uiteindelijk vind ik dat positief.’ Hij vertelt over de schoolvoorstellingen van Image waar hij geregeld mee naartoe gaat. Na afloop komen er vaak jonge gasten op hem af die hem vol ongeloof vragen of hij echt van Marokkaanse afkomst is. En jij hebt écht die film gemaakt?, willen ze weten. Ja, écht, antwoord ik dan. En ook jij kunt er voor gaan, laat je niks wijsmaken.’

‘Ik denk dat wij op die manier effectief een positieve invloed kunnen zijn voor een volgende generatie. Maar voor alle duidelijkheid: ik zou mezelf nooit zomaar als voorbeeld naar voor schuiven. Ik ben zeker niet perfect. Adil en ik doen gewoon ons ding. We volgen onze passie en we zijn in de eerste plaats vakmensen.’