01 feb '19

Alles stroomt, niets blijft 

229
door Anne Peeters
Het heeft ondertussen alle kranten gehaald: Klara-presentatrice Heidi Lenaerts (43) verhuist in juli naar Oostende, na tien jaar Vlaamse Rand. ‘Het is de zee die trekt. Ik heb hier graag gewoond, maar nu is het tijd voor iets anders.’

In het centrum van Tombeek, niet zo ver van het kerkje van Sint-Bernardus, staat een huis te koop. Het is het huis van VRT-stem en Django-presentatrice Heidi Lenaerts, haar man Ronald Verhaegen en hun dochters LilyRose (9) en Bonnie-Lotta (6). Het ligt ideaal, op amper 20 km van hun werk in Brussel. De omgeving is idyllisch, heerlijk rustig in het groen. Tombeek ligt aan de rivier de Laan en wordt omarmd door de Venusberg en de Walenberg, op de kruising van de oude verbinding tussen Brussel en Waver. Het gehucht is een onderdeel van de gemeente Overijse, waar ook de schoonouders van Lenaerts wonen.

VAN DE STAD NAAR DE RAND

‘Dat waren allemaal redenen om in 2010 naar hier te verhuizen. Het was een logische stap. Toen onze oudste Lily-Rose werd geboren, verdween stilaan het plezier om in Brussel zelf te wonen. De vuilniszakken op de stoep, die je dwingen om met je buggy op de straat te lopen. Hoogzwanger nagefloten worden. Wonen op een appartement zonder tuin... Het  zorgde ervoor dat de charme van de hoofdstad een pak kleiner werd. Nochtans heb ik er lang heel graag gewoond. Toen ik bij Studio Brussel De Ochtenden presenteerde, vertrok zelfs de vroegste trein te laat om op tijd op mijn werk te raken. Dus verhuisde ik naar een appartementje aan de Anspachlaan. Het was mijn eerste ervaring met De Grote Stad. Als meisje uit Stal, bij Beringen in Limburg, kende ik van Brussel slechts de as van het Noordstation naar Brussel Centraal. Ik had geen idee van de wijkjes, van het leven in de hoofdstad zelf. Die verhuis was het begin van een romance van tien jaar met onze hoofdstad. Terug naar Limburg was sowieso geen optie. Op mijn meisjeskamer had ik al een poster hangen met een songtekst van Lou Reed:  When you’re growing up in a small town/You say ‘no one famous ever came from here.’ 

OP ZOEK NAAR RUST 

Na dat eerste flatje aan de Anspachlaan woonde ik een tijd in Anderlecht, daarna kocht ik een appartement in Sint-Joost. Ondertussen had ik Ronald leren kennen; hij werkte ook bij de VRT en woonde in een schitterend hoekappartement in Laken. ’s Avonds keken we uit op de verlichte bollen van het Atomium. Maar dat was een huurappartement, dus verhuisde Ronald naar mijn plek in Sint-Joost. Dat waren fantastische jaren. In Brussel kan je heel veel dingen doen, maar je kan ook heerlijk alleen en anoniem zijn, als je daar zin in hebt. Dat dubbele heb ik in me: ik wil graag veel ontdekken, maar heb ook rust nodig. Met een babytje erbij merkte ik dat ik die rust niet meer in Brussel vond. Als ik na het werk naar huis reed, voelde ik me opgejaagd. Ik vond het steeds moeilijker om tot rust te komen. In de weekends trokken we de groene Rand in, naar het park van Tervuren, naar mijn schoonouders in Overijse. Het was dan ook logisch om daar een huis te zoeken. We bekeken het vooral heel praktisch. Als Lily-Rose naar de kleuterschool zou gaan, zou het handig zijn als we verhuisd waren. Dat gaf ons een deadline van anderhalf jaar om een huis te zoeken, ergens in Overijse. In 2010 zijn we in Tombeek verzeild geraakt en in 2011 werd onze tweede dochter geboren. Lily-Rose en Bonnie-Lotta gaan allebei in Overijse naar school, in de straat waar mijn schoonouders wonen. Dat is fijn, onze kinderen zien hun oma en opa langs die kant dus elke dag. De overgang van het bruisende Brussel naar de rust van de Rand vond ik niet moeilijk. Als ik na een drukke dag op het werk naar huis reed, naar het groen, voelde ik me rustiger worden. Het is hier een prima uitvalsbasis. Met het openbaar vervoer ben je relatief snel in Brussel, maar ook in Leuven of Waver. Ik hou van de markt van Waver. Zalig om te doen. Je hoort: hier spreekt een tevreden mens. En toch verhuizen we naar Oostende. Hoe je dat rijmt? Heel eenvoudig: de zee roept.’

ALLES VERANDERT

De Griekse filosoof Heraclitus zei het al: panta rhei kai ouden menei. Alles stroomt, niets blijft. Alles verandert, ook de noden van dit jonge gezin. Na bijna tien jaar in de Vlaamse Rand verhuist Lenaerts met man en kinderen naar een prachtig Belle Epoque-huis in een oude, charmante wijk achter de Thermae Palace. 

‘Ik wil graag veel ontdekken, maar heb ook rust nodig.’

‘We zijn verliefd geworden op de zee. Onze schoonouders kochten er een appartement toen we net naar Tombeek waren verhuisd. Sindsdien trekt de zee aan ons. Hoe langer hoe meer. Bovendien is het leven in de Rand ook anders geworden. De files worden ondoenbaar lang, dus besloten we te pendelen met het openbaar vervoer. Dat is toch niet evident. ’s Morgens is het een stukje met de auto om de kinderen naar school te brengen, dan de bus, de metro én de tram op om op de VRT te raken... Er zijn wat ons betreft heel wat tram- en metrolijnen die dringend doorgetrokken mogen worden om wonen en werken in de Rand leefbaarder te maken. We denken ook aan onze meisjes: voor hun hobby’s moeten we voor elke kleine trip de auto nemen omdat het hier zo heuvelachtig is. We wonen in een vallei, al dat klimwerk langs die smalle baantjes is prima voor mountainbikers, maar niet echt handig met straks grotere tieners in huis. Zelf heb ik reuma, ook voor mij is het hier niet gemakkelijk om te fietsen. Mensen zeggen ons: vanuit Oostende pendelen, dat zal niet evident zijn. Wel, dat is het van hieruit ook niet. We zullen langer onderweg zijn naar het werk, maar we hoeven niet over te stappen. Dat wordt dus alvast eenvoudiger.’ 

HET BESTE VAN TWEE WERELDEN

‘Dat zijn allemaal praktische overwegingen die onze verhuis motiveren, maar er speelt meer mee. Waar ik in Brussel overprikkeld raakte, voel ik me nu soms onderprikkeld. In Brussel hadden we het bruisende van de stad, hier hebben we de rust van de vergezichten en het groen. Maar, Ronald en ik hebben beide nodig, de prikkels én de rust. De balans tussen die twee moet er zijn. Oostende heeft het allebei. Daar combineer je natuur en cultuur, rust en gezellige drukte. Wat ik hier ook mis, zijn de lokale winkeltjes. Hier doe je je boodschappen in een groot warenhuis aan de steenweg. Kleine kruideniers of een gezellig dorpscafé waar je altijd wel iemand tegenkomt die je kent of waar je eens rustig een koffietje kan gaan drinken, die zijn er steeds minder. Dat is een van de grote problemen van de Vlaamse Rand. Door alle inwijkelingen is het niet evident om het sociale weefsel te behouden.

‘Dat Vlaamse karakter, die eigenheid, is heel belangrijk, maar soms ervaar ik het ook als beperkend.’ 

Zelf kom ik uit de Limburgse mijnstreek. Mijn vader werkte in de mijn en had Poolse en Italiaanse kameraden. In mijn klas zaten Turkse kindjes. Dat was heel gewoon. Hier is die diversiteit een pak minder, merk ik. Allemaal witte kindjes in de klas. Dat Vlaamse karakter, die eigenheid, is heel belangrijk uiteraard, maar soms ervaar ik  het ook als beperkend. Als je in de Vlaamse Rand bent geboren en getogen voel je dat misschien anders aan, maar waar ik vandaan kom, in die Limburgse mijnstreek, is het gelukt om de eigenheid te bewaren en toch samen te leven. De moskee staat er naast de kerk. In de politieke debatten, die ik hier het afgelopen jaar in de verkiezingstijd mee heb gemodereerd, voelde ik die angst voor het verlies van de eigen identiteit en vooral de angst voor alles wat niet ‘van hier’ is. Als je dat blik Brussel opentrekt, heb je geen idee wat er allemaal in onze richting komt. Hoe kan je hier nu wonen en niet genieten van de rijkdom qua diversiteit die een wereldstad als Brussel biedt? Op dat stukje van die Vlaamse eigenheid ben ik niet trots. Het maakt het moeilijker om als inwijkeling te integreren, of je nu uit Brussel, Limburg of van nog veel verder komt. Waar ik die verbondenheid dan weer wel heb gevoeld, is tijdens de Druivenfeesten. Ik heb er mee radio mogen maken, genoten van de reuzenstoet, van de folklore. Dan voel je wat er wél allemaal leeft. Ik denk dat daar de grote uitdaging ligt voor de Vlaamse Rand: zorgen dat het sociale weefsel behouden blijft, sterker wordt en dat nieuwkomers, van waar ook, erin opgenomen kunnen worden.’