01 nov '20

Dieren en planten
staan onder grote druk

914
door Herman Dierickx
Het aantal dieren en planten die het niet zullen halen, wordt stilaan groter. Het tekort stijgt, ook in onze regio. Dat is geen goede evolutie.

De jongste maanden was er nogal wat aandacht voor de toestand van de biodiversiteit, zowel bij ons in Vlaanderen als wereldwijd. Die aandacht is nodig, want er gebeurt nogal wat met onze fauna en flora. In dit artikel geven we een overzicht van de situatie dicht bij ons. Maar eerst een beetje verduidelijking over enkele basisbegrippen zodat we de huidige toestand correct kunnen interpreteren.

Leefgemeenschappen

Zo gaat het dikwijls over ‘leefgebied’ of ‘biotoop’, wat min of meer overeen komt met ‘habitat’. Wetenschappers hebben het bijvoorbeeld over een eiken-beukenbos. Dat gaat dan over bosgemeenschappen waar eik en beuk dominant zijn, maar waar nog veel andere boom- en struiksoorten thuishoren. Tegelijk groeien er specifieke niet-houtige plantensoorten, ‘kruidachtigen’ in het jargon, samen met mossen, korstmossen, paddenstoelen, maar ook insecten, vogels, zoogdieren, amfibieën,… Kortom alles wat leeft. Samen vormen ze een leefgemeenschap die een specifiek leefgebied of biotoop bevolkt. Sommige van die biotopen, zoals bijvoorbeeld natte heide of bepaalde bostypen (zoals bronbossen) verkeren vandaag in een slechte staat. Dat wil zeggen dat veel soorten die daar thuishoren niet (meer) aanwezig zijn.

De rode lijst

En dat brengt ons tot een ander belangrijk begrip: rode lijstsoorten. Dat gaat over planten en dieren die in hun voorbestaan bedreigd zijn. Die bedreiging is steeds verbonden aan een gebied, bijvoorbeeld Vlaanderen of België of ‘de wereld’. Zo is de ijsbeer wereldwijd bedreigd, staat de korhoen (vogel) op de rand van uitsterven in België en is de harlekijnorchis (een wilde orchidee) zo goed als verdwenen in Vlaanderen. Als het gaat over de Vlaamse Rand rond Brussel zouden we kunnen stellen dat de geelgors, een vogelsoort die vooral leeft in gebieden met veel kleinschalige landschapselementen en kwaliteitsvolle graslanden met kleine bosjes in de buurt, ernstig bedreigd is. Zo staat de boerenzwaluw in Vlaanderen op dit ogenblik gekwalificeerd als ‘achteruitgaand’. De status van al die soorten wordt af en toe herzien. Voor sommige soorten gebeurt dat om de twintig jaar, voor andere langer, voor nóg andere zijn er te weinig gegevens om een wetenschappelijk onderbouwde status te bepalen.

De VER’S

In wetenschappelijke kringen spreekt men over de bedreigingen van onze fauna en flora in vijf ‘VER-s’: VERdroging, VERsnippering, VERmesting, VERgiftiging en VERpesting. 

Daar kun je ongetwijfeld nog andere bij verzinnen. Voor sommige planten en dieren is VERbossing een probleem. Als je een leefgemeenschap van natte graslanden niet meer beheert, krijg je spontane opslag van wilgen, elzen, berken en dergelijke. Daardoor verdwijnen de planten en insecten die daar oorspronkelijk leefden en dat is dan een achteruitgang van de aanwezige natuurwaarden. Uiteraard komen er met de verbossing andere soorten in de plaats, maar de vraag is: welk leefgebied moet blijven bestaan? Dat zijn erg moeilijke afwegingen waar mensen met een verschillende achtergrond – wetenschappers, landbouwers, natuurbeschermers, politici, omwonenden – andere meningen over kunnen hebben. Wat moet er dan gebeuren? Wie heeft uiteindelijk het laatste woord? Dat ligt soms heel gevoelig. Fenomenen als VERpaarding, VERrommeling en VERwaarlozing zijn meestal ook ongunstig voor de natuurwaarden. 

Gemengd beeld

Als we de feitelijke toestand van de biodiversiteit in Vlaanderen bekijken, dan zien we een gemengd beeld. Het is niet allemaal eenduidig, maar we zien wel bepaalde tendensen. Zo valt het op dat veel soorten uit landbouwgebied het de jongste jaren bijzonder slecht doen. Denk bijvoorbeeld aan de veldleeuwerik en de akkerboterbloem. Ook in de Rand zijn dat soorten die onder zware druk staan.

De bossoorten doen het duidelijk beter, maar sommige soorten zitten in de lift en andere gaan achteruit. Tot de eerste categorie behoren onder meer de kleine ijsvogelvlinder en de grote weerschijnvlinder. Maar soorten als heelkruid (een plant) en de zwarte mees (een vogel) doen het niet goed. Als we kijken naar graslandsoorten zien we dat zich een gemengd beeld aftekent. Soorten als pinksterbloem gaan achteruit, maar knoopkruid (een plant) en bruin blauwtje (een dagvlinder) zitten in de lift. Soorten die het moeten hebben van proper water gaan er meestal op vooruit, en dat heeft uiteraard te maken met de verbeterende waterkwaliteit door de decennialange inspanningen van Aquafin om het water te zuiveren. Daardoor doen veel vissoorten en allerlei watergebonden insecten het beter dan pakweg dertig jaar geleden. Onderaan het artikel vind je een overzicht dat een totaalbeeld geeft van sommige groepen.

Beleidsadvies

Wie kent die status van planten en dieren toe? In eerste instantie zijn dat mensen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Daar werken veel specialisten die allerlei internationale criteria toepassen om na te gaan hoe soorten evolueren in de loop van vele jaren. En zo komen ze tot rode lijst-conclusies die internationaal vergelijkbaar zijn. Gaan overal in Europa of de wereld dezelfde soorten er op vooruit of achteruit? In welk deel van Europa of de wereld zijn de bossoorten meer in het gedrang dan elders? Dat kan je tegenwoordig perfect vergelijken.

Op die manier krijgen we een beeld van de algemene toestand van soorten en hun leefgebieden en kunnen de specialisten aanbevelingen doen aan beleidsmakers die dan weer maatregelen kunnen nemen ten gunste van onze fauna en flora. Soms wordt hun advies gevolgd, soms niet. Op dat vlak ziet het plaatje er in Vlaanderen niet zo positief uit.

Hoe armer de bodem, hoe rijker de natuur, lijkt op het eerste zicht een tegenstelling, maar is een slagzin die echt wel steek houdt. 

Tobias Ceulemans, bodemdeskundige aan de KU Leuven: ‘Onze overheid moet veel meer sturend werken om onze natuur te beschermen. Op plaatsen waar er vandaag een slechte toestand van onze biodiversiteit is, zoals in landbouwgebied, zouden veel meer maatregelen ter verbetering moeten worden genomen. Vermesting tegengaan is er daar één van.’ In dezelfde context stelt natuurjournalist Dirk Draulans: ‘De desastreuze situatie van akker- en weidevogels zou meer aandacht moeten krijgen, maar helaas zijn de vooruitzichten niet gunstig.’ 

Hans Van Dijck, professor gedragsecologie aan de Universiteit van Louvain-la-Neuve: ‘We moeten meer aandacht hebben voor de leefgebieden van de bedreigde soorten. Het gaat er niet om dat we een bepaalde soort absoluut gaan beschermen of niet. We moeten vooral aandacht hebben voor hun leefgebieden die we in een goede staat moeten houden of brengen. Dan volgen de soorten die daar deel van uitmaken vanzelf wel.’

De Vlaamse Rand

Als we de situatie in de Rand bekijken, hebben we te maken met een specifieke problematiek. We zitten daar immers in een dichtbevolkt gebied rond het Brussels Gewest, en daar blijkt het moeilijk leven voor heel wat soorten. Planten als paarbladig goudveil, een plant van bronbeekjes, hebben het er erg moeilijk. Maar ook orchideeën als brede orchis en soldaatje zijn bijna helemaal verdwenen. Toch doen andere orchideeën als bijenorchis en bosorchis het tegenwoordig veel beter dan pakweg dertig jaar geleden. Hoogstwaarschijnlijk zit de klimaatverandering daar voor iets tussen, samen met een beter natuurlijk beheer van niet te voedselrijke graslanden.

Laat dat nu een belangrijk aspect zijn als het gaat over het in stand houden van onze natuur. Die is erbij gebaat dat de bodems niet te voedselrijk worden door bemesting. Hoe (voedsel)armer de bodem, hoe rijker de natuur, lijkt op het eerste zicht een tegenstelling, maar is een slagzin die echt wel steek houdt.

Hetzelfde zou je kunnen zeggen over het waterverhaal. De verdroging van natte gebieden gaat intussen al meer dan zeventig jaar door, ook in de Rand. Op die manier zijn we al driekwart van onze natte natuur verloren, en het tij is nog steeds niet gekeerd. De huidige klimaatverandering komt daar nog eens bovenop en betekent de genadeslag voor veel soorten. Als we er voor zorgen dat er minder vermesting en verdroging plaatsvindt in onze buurt, bijvoorbeeld in onze tuin of op onze akkers en weiden, dan hebben we de natuur al goed geholpen. Daar kunnen we, ieder op onze eigen kleine schaal, voor gaan. We moeten het effect daarvan op de biodiversiteit niet overschatten, maar zeker ook niet onderschatten. Als we allemaal doen wat we kunnen, kan de soortenrijkdom er alleen maar beter van worden.