01 mei '18

Samenwerken
is niet voldoende

112
door Anne Peeters
In deze bijdrage gaan we dieper in op het artikel ‘Verplichte fusies voor kleine gemeenten?’ in RandKrant van mei 2018.

Gemeenten krijgen steeds meer taken te vervullen. Daardoor krijgen kleinere gemeenten het steeds moeilijker om efficiënt te functioneren. Moeten we daarom naar verplichte fusies of is samenwerking voldoende? En wat met de faciliteitengemeenten in de Rand?

Filip De Rynck, professor bestuurskunde aan de UGent is duidelijk: ‘Samenwerking tussen gemeenten is nodig, maar niet voldoende. Fusies zijn onmisbaar om tot de nodige schaalvergroting te komen.’ Tegelijkertijd is fusioneren voor de faciliteitengemeenten zo goed als onmogelijk.

De Rynck: ‘Als je wil dat een gemeente een sterk beleid voert op vlak van ruimtelijke ordening, huisvesting, kinderopvang, sociale huisvesting, …  dan moet daar voldoende capaciteit voor zijn in de vorm van ambtelijke ondersteuning en financiële middelen. Kleine gemeenten kunnen dit soort dienstverlening niet meer verzekeren. Dan zie je bijvoorbeeld dat de cultuurfunctionaris het containerpark moet helpen openhouden omdat er collega’s ziek zijn. Het aantal taken dat gemeenten moeten vervullen, is de laatste jaren sterk toegenomen. Gemeenten zoeken steeds meer samenwerkings-verbanden, in intercommunales of nog groter, zoals bijvoorbeeld in het Toekomstforum van de burgemeesters in Halle-Vilvoorde. In de huidige situatie moeten gemeenten wel samenwerken om aan die ‘bevragingsdruk’ te beantwoorden. Het probleem is dat als je als gemeente niet sterk genoeg bent dat je dan ook niet sterk genoeg gaat zijn in die samenwerking. Dan gaan die samenwerkingsverbanden jou aansturen in plaats van omgekeerd. De meeste kleine gemeenten beschikken niet over mensen die in staat zijn om hun mandatarissen goed te ondersteunen in die samenwerkingsverbanden. Dat is een eerste groot probleem.’

‘Fusies zijn noodzakelijk voor kleine gemeenten, maar voor faciliteitengemeenten zijn ze onmogelijk.’  

‘Tweede punt: samenwerking klinkt goed, maar als je de praktijk bekijkt, dan merk je dat samenwerken sneller is gezegd dan gedaan. Daar spelen de verschillende belangen tussen de gemeenten. Dat kunnen partijpolitieke tegenstellingen zijn of het gevoel bij gemeenten dat ze hun autonomie moeten opgeven en daardoor niet grondig genoeg samenwerken. Zo kom je tot halfslachtige compromissen in de zogenaamde samenwerking. In de realiteit zijn er op een aantal vlakken, bijvoorbeeld op vlak van ruimtelijke ordening, geen gemeenschappelijke belangen. Dan besef je dat, voor de zaken die er politiek echt toe doen, een vrijwillige samenwerking tussen gemeenten nooit tot stand zal komen.’ 

VRIJWILLIG OF VERPLICHT?

‘De weerstand en de compromissen, die altijd gepaard gaan met samenwerkingsprocessen, verminderen de effectiviteit van samenwerkingsverbanden en zorgt voor hoge kosten. Bij de kerndiscussies waar het over politieke keuzes en verdelingskeuzes tussen gemeenten gaat, komt er nooit een effectieve samenwerking tot stand’, constateert De Rynck. De visie van de professor bestuurskunde is helder: samenwerken of fuseren is geen of/of verhaal, het moet een en/en verhaal zijn. Dat is echter niet alleen een problematiek voor de gemeenten zelf, het is ook een vraagstelling voor de Vlaamse overheid.’

De Rynck: ‘Bij een fusie gaat het niet alleen over de bestuurskracht van gemeenten, maar ook over hoe we Vlaanderen bestuurlijk zo organiseren dat er op Vlaams niveau beleid gevoerd kan worden. Als je als Vlaamse overheid vindt dat open ruimte, duurzaamheid, mobiliteit, … belangrijk zijn, dan moet je het ook zo organiseren dat je dat kunt realiseren. Een voorbeeld. Nu heb je 308 gemeenten die allemaal bij de Vlaamse Regering lobbyen om alsnog open ruimte aan te snijden. Grotere gemeenten maken op dat vlak een performanter ruimtelijke ordeningsbeleid mogelijk, maar maken het  ook mogelijk dat de Vlaamse overheid haar eigen doelstellingen haalt en niet voortdurend bakzeil moet halen door alle beïnvloeding die vanuit lokale politieke partijen komt. Dat is een belangrijk gegeven, zeker voor de verstedelijkte Vlaamse Rand. Een schaalvergroting heeft dus niet alleen effect op het bestuur van de gemeenten, maar ook op de capaciteit van het centrale beleid.’

‘Beleidsmatig is het fuseren van  gemeenten in de Rand noodzakelijk, maar politiek is dat voorlopig niet realistisch.’

‘Vrijwillig gaan die fusies er niet komen, dat zie je ook in andere landen. Vraag is: hoe pak je dat procesmatig aan? Je zou kunnen vragen dat gemeenten tegen de helft van de volgende legislatuur hun voorkeur aangeven met wie ze willen samengaan. Je kan dat stimuleren, ook financieel, en je kan de  gemeenten tijd geven om zelf oplossingen te zoeken. Als er die niet komen, zullen fusies opgelegd moeten worden.’

Wat met de faciliteitengemeenten? 

Schaalvergroting door een fusie is nodig om te kunnen functioneren als kleine gemeente. Door het statuut van de faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand is het de facto onmogelijk om te fuseren met een andere gemeente, of het nu om een Vlaamse gemeente gaat of een andere faciliteitengemeente. Hoe los je dat op? 

De Rynck: ‘Dat is niet oplosbaar. In de huidige juridische context met een onwrikbare, verouderde  communautaire agenda zijn er geen opties. De verouderde juridische wereld sluit niet meer aan bij de werkelijke wereld. Dat geldt voor heel de problematiek van de Vlaamse Rand en Brussel. We blijven de oude juridische wereld in stand houden. Je voelt voortdurend dat de kaders waarmee we dit gebied na de Tweede Wereldoorlog hebben vormgegeven verouderd zijn. Het ontwikkelen van de Rand heeft op dit moment nog weinig te maken met communautaire discussies, het heeft te maken met stadsgewestelijke fenomenen die zich in en rond Brussel voordoen. Het uitdeinen van het gewest en het steeds diverser worden van Brussel en de Vlaamse Rand is een feit. In het huidige juridische kader is de nodige schaalvergroting creëren niet haalbaar. We zijn in België niet in staat om de maatschappelijke werkelijkheid te laten primeren op de juridische fictie. Dat is de harde conclusie die je moet trekken.’

‘De harde conclusie is dat we niet in staat zijn om de maatschappelijke werkelijkheid te laten primeren op de juridische fictie.’

‘Theoretisch is het nochtans perfect oplosbaar: de federale overheid zou de fusie voor faciliteitengemeenten mogelijk kunnen maken, maar dan verzand je snel in verouderde communautaire debatten die niets te maken hebben met de huidige sociografische en demografische ontwikkeling van het Brusselse stadgewest, waar de Rand gewoon deel van uitmaakt. Zolang de federale en de Vlaamse overheid daarvoor niet samenwerken, is de Vlaamse Rand beleidsmatig de facto onbestuurbaar wanneer het gaat over grotere gemeenten vormen of fuseren, terwijl grotere gemeenten in deze regio juist heel wenselijk zijn. Niet alleen om het gemeentelijke beleid aan te kunnen, maar ook om een performantere onderhandelingspartner te zijn voor het Brusselse Gewest. Beleidsmatig is het noodzakelijk, maar politiek voorlopig niet realistisch. De grenzen van het  Brusselse Gewest zijn een juridische fictie, de reële  grenzen overschrijden ruim de administratieve grenzen en dat raakt alle randgemeenten. Ik houd een pleidooi om meer op stadsgewestelijk niveau na te denken, te plannen en te besturen, maar daarvoor heb je sterke  gemeenten nodig. En dan kom je terug bij het oorspronkelijke probleem van kleine (faciliteiten)gemeenten die niet de mogelijkheid hebben om te fuseren.’

Lees ook deel 1: 'Verplichte fusies voor kleine gemeenten?'

REAGEREN

Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels.