01 dec '20

Honger in de stad

2667
door Koen Demarsin
De band die Brussel met haar omliggende platteland heeft, is complex. Het platteland verzorgde de stad, maar voelde zich ook door haar uitbreidingen bedreigd. Omgekeerd gaf de dynamiek van de stad de nodige impulsen aan de landbouwers om te experimenteren en zich te specialiseren.

De globalisering van de voedselmarkt en enkele crises maakten deze band nog brozer. De vernieuwde aandacht voor duurzaamheid en lokale producten helpen alvast om opnieuw een goede balans te vinden.

Brusselstraat

Het is ochtend in Groot-Bijgaarden en de auto’s schuifelen langzaam in de richting van de stad. Niet alleen de snelwegen zijn verzadigd, maar ook andere toevoerwegen lopen vol, zoals de veel oudere Brusselstraat. Zolang het dorp zich herinnert, is deze straat een drukke baan die de stad met het platteland verbond. Op de weg ligt nummer 287, een eenvoudig erf aan de straatkant met erachter de oude boerderij. Het is een simpel bakstenen gebouw met pannen dak en witgeverfde vensters. Het lange veld ligt er altijd netjes bij, kaal en strak in de winter, maar vanaf het voorjaar brengt het haar rijke oogst voort. Voor een boer die zijn inkomsten haalt uit de verkoop aan de stad, kan de ligging niet beter. Nu zijn het auto’s die dagelijks langs de boerderij trekken, maar zo’n 70 jaar geleden bepaalde het gekletter van de paardenkarren beladen met de goederen van de boeren uit de wijde omtrek het ritme van de weg. Intussen kroop de stad dichterbij en werd de boerderij een vreemde in haar buurt. De boer verdiende zijn brood, maar de stad stak hem voorbij.

Boerkozen

Brussel en haar landbouwers delen een intense band. De stad bedankte zijn stadsboer zelfs met een naam: boerkoos. Ze waren niet zomaar keuterboeren, maar tuinders die de stad al eeuwen met voedsel verzorgden. Zij beoefenden hun stiel al tijdens de middeleeuwen, toen zij de vochtige gronden aan de oevers van de Zenne drooglegden. Deze moerassen bezorgden hen hun naam: broekluden dat verfranste naar broeckoys. Na de middeleeuwen en zeker in de 17e eeuw raakte de stad steeds voller en nam de druk op de beschikbare grond toe. Noodgedwongen verlieten de boeren hun gronden aan de Zenne en ze trokken verder naar de dorpen net buiten de stadspoorten zoals Sint-Joost, Sint-Gillis of Schaarbeek. 

Na 1830 veranderde de verhouding tussen de stad en het platteland grondig. Aangevoerd door de tricolore stapte ons land de moderniteit tegemoet met Brussel als hoofdstad. Als politieke, economische en culturele spil van het land was Brussel een thuis voor een nieuwe en kapitaalkrachtige burgerij. Ook de stadsuitbreiding nam een hoge vlucht en de vroegere tuindorpen als Sint-Gillis, Sint-Joost en Schaarbeek ontwikkelden mee tot voorsteden. Opnieuw moesten de kleine boeren vertrekken, ditmaal richting Koekel berg, Anderlecht of verder nog naar Dilbeek. 

De band die Brussel met haar boeren heeft, is gelaagd. Ze vertelt een geschiedenis van afstoten en aantrekken, van last maar ook van liefde. De nood aan voedsel voor de stad zorgde voor welvaart in de omliggende dorpen en de wederzijdse afhankelijkheid was groot. De liefde is nog merkbaar in de zoete herinnering aan La Belle Maraîchère, de mooie boerin die voortleeft in de naam van het restaurant op het Sint-Katelijneplein, waar de boeren ooit markt hielden. 

Overzees graan

De beslissing van baron de Peuthy uit Huldenberg om de resterende druiven uit zijn serre met hovenier Felix Sohie mee te geven, was wellicht toeval. Maar de beslissing die Felix nam om de druiven niet zelf op te eten, maar ze naar de markt te brengen, had meer met inzicht te maken. 1865 betekende het begin van de tafeldruiventeelt die gedurende een eeuw het uitzicht van de IJsevallei zou bepalen. De smaak sloeg blijkbaar aan bij het Brusselse cliënteel en Felix begon, samen met zijn broers, een eigen bedrijf in Hoeilaart. Het legde hun geen windeieren. Tegen de eeuwwisseling bezitten de broers zo’n 6 ha aan serres. Aangetrokken door hun succes, startten andere telers hun eigen productie op, zodat de druivenstreek zich uitbreidde naar Overijse, Huldenberg, Duisburg en Terhulpen. 

In die late 19e eeuw was de Rand van Brussel een laboratorium waar de smaken van de burgerkeuken hun vorm kregen.

In die late 19e eeuw was de Rand van  Brussel een laboratorium waar de smaken van de burgerkeuken hun vorm kregen. Kip, witloof of plattekaas,… ze werden vaak uit oudere soorten en producten verfijnd tot een rijke, smakelijke keuken. De burgerij zorgde voor de omstandigheden waarbinnen experiment loonde. Zij beschikte over de middelen en stond open om nieuwe, exotische en verfijnde producten te leren kennen. Maar het was niet alleen aan de burgerij te danken dat de boeren in de Rand experimenteerden met nieuwe teelten. De aanleiding was van een heel andere orde en de reden is ver buiten België te zoeken. De landbouw in de 19e eeuw was steeds meer op internationale leest geschoeid en België was steeds meer aangewezen op de internationale markt. En wat op wereldschaal gebeurde, was ook bij ons voelbaar. De internationale markt zorgde weliswaar voor de invoer van goedkoper graan uit de Verenigde Staten en Canada, maar het veroorzaakte rond 1880 ook een heuse landbouwcrisis in Europa. De inkomsten van de lokale boeren daalden en om niet ten onder te gaan, gingen zij op zoek naar andere activiteiten om hun verlieslatende teelten te vervangen.

Uit het dal

Zo zette de crisis een hele keten van reacties in beweging die uiteindelijk zou leiden tot het diverse voedsellandschap in de stadsrand. De witloofteelt bood een goed alternatief, net zoals de druiventeelt. De scherpe prijsdaling maakte van graan bovendien een goedkope grondstof. Melk was intussen ook overvloedig beschikbaar, want boeren schakelden steeds meer over op de runderenkweek. Dit kwam op haar beurt de kippenkweek ten goede, want kippen hebben net als mensen nood aan eiwitrijk voedsel of granen. Vanaf het eind van de eeuw gingen poeliers uit Merchtem, Opwijk of Londerzeel zich specifiek toeleggen op de Brusselse markt. Experimenten in de streek leidden zelfs tot een nieuwe luxueuze soort: de Mechelse koekoek. 

Ten zuiden van Brussel begonnen de dorpen langs de Zenne zich omstreeks 1880 toe te leggen op de productie van kaas. Ook dit was niet nieuw, maar de grotere melkoverschotten door de stijgende veestapel, hielp de kaasproductie een heel eind vooruit. Rond Halle steeg het aantal bedrijven die plattekaas, mandjeskaas en schepkaas produceerden. Verder had de Zennevallei tussen Vilvoorde en Halle zijn lambiekbrouwers, Linkebeek had zijn broodbakkers, Sint-Genesius-Rode zijn taartenbakkers. Aardbeien kwamen uit de buurt van Dilbeek en in Vlezenbeek wachtten Brusselse handelaars tot de boerentram aankwam om het fruit te kopen dat de boeren uit de omgeving meebrachten.

Radijzen en pijpajuintjes van de boerkozen, plattekaas en kriekenlambiek, het waren vaste ingrediënten voor een maaltijd in de estaminets op de buiten, waar de burgers uit de stad op zondag naartoe trokken. Tussen de kriekelaren in Schaarbeek of in de afspanningen in Ukkel of Drogenbos vergaten ze de dikke stadslucht in de idylle van het platteland. De Brabantse keuken is daarmee ook een Brusselse keuken. De landbouwers maakten van de Rand een rijkgeschakeerde landbouwstreek waarvan de herinnering tot op vandaag voortleeft. De inwoners van Drogenbos werden kaaskrabbers genoemd, die van Londerzeel kiekenplukkers. Reuzin Triene uit Sint-Genesius-Rode draagt een broodmand mee en Felix Sohie is zowat overal terug te vinden: als  straatnaam, standbeeld of bieretiket.

Gevormd land

Al zijn intussen de meeste serres verdwenen, de sporen die de druiventeelt naliet in het  landschap blijven goed herkenbaar. Langs invalswegen en hoog op de heuvelflanken waar ooit de serres stonden, staan nog de rijzige villa’s die de  serristen er neerzetten. Van kleinere villa’s tot echte burgerlijke paleisjes die de Brusselse mondaine architectuur naar het platteland bracht. De rijkdom die de druiventeelt voor de inwoners bracht, is nog duidelijk zichtbaar. De nieuwe teelten en producten gaven op hun beurt het landschap opnieuw vorm. Zoals de serres zich uitstrekten over de heuvelkammen rond de vallei van de IJse, zo bedekten witlooftunnels de landbouwgronden tussen Leuven en Brussel. De witloofboeren uit Haren kregen ook hun eigen huizen, weliswaar geen stadspaleizen, maar een mengeling van een stedelijk burgerhuis en een boerderij, gebouwen van twee verdiepingen met aan de zijkant een inrijpoort en achteraan het kuiskot voor het loof. 

De impact van de voedselproductie was bij wijlen enorm. Sommige dorpen groeiden uit tot echte industrielandschappen. Tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en het begin van de jaren 60 bedekten zo’n 35.000 serres de druivenstreek. Hoeilaart stond bekend als het glazen dorp. De impact die dit op het landschap en op het klimaat had, valt niet te onderschatten. In de koude seizoenen werden alle serres met kachels verwarmd, zodat er bijna het hele jaar door druiven waren. Ook witlooftelers verwarmden hun tunnels met kachels. Het is niet verwonderlijk dat deze sectoren die erg afhankelijk waren van fossiele brandstoffen een flinke knauw kregen toen in de jaren 70 de energiecrisis uitbrak.

Terug naar eerlijk en dichtbij?

In Haren zijn de meeste witloofvelden intussen ingenomen door nieuwbouw, maar ook door kleinere velden en volkstuintjes. Al is het niet meteen voor de Brusselse markt en verdween de boerkoos bijna volledig uit het land, de nieuwe tuinders kweken er voor eigen gebruik en zetten de traditie van kleinschalige landbouw voort. De energiecrises, het sinds de jaren 60 steeds verder openstellen van de Europese Markt voor buitenlandse producten en de opkomst van de supermarkten bezorgden lokale boeren en telers rake klappen.

Sommige teelten en producten uit de streek overleefden de moeilijke jaren, al moesten de makers creatief op zoek naar nieuwe oplossingen en andere afzetmarkten en blijft het dansen op een slappe koord. Vaak is het de combinatie tussen duurzaamheid, respect voor de traditie en inzet op kwaliteit die hen hielp om het hoofd boven water te houden, want concurreren op prijs en massaproductie was onbegonnen werk. Wie overblijft, maakt gegeerde maar dure kwaliteitsproducten die intensief werk vragen. Grondwitloof uit Brabant en Brussel en de tafeldruif worden nog op een veel beperktere schaal geteeld. Van de ooit ruim 3.000 druiventelers blijven er nu een handvol over. Samen met de Mechelse koekoek genieten deze teelten intussen van een bescherming als streekproduct. Vooral de lambiekbieren overleefden de moeilijke jaren met een zeker succes, al is de schaal ook kleiner dan vroeger. Op één Brusselse brouwerij na bleven vooral brouwers en stekers in de zuidrand en het Pajottenland in bedrijf. Intussen trekt het bier terug aan, kunnen bestaande brouwerijen uitbreiden en zien nieuwe stekerijen en brouwerijen als Tilquin in Rebecq, net over de taalgrens, of Lambiek Fabriek uit Ruisbroek het levenslicht.

De impact van de voedselproductie was bij wijlen enorm. Sommige dorpen groeiden uit tot echte industrielandschappen.

De nieuwe nood aan duurzaamheid, kwaliteit en ambacht is de grote supermarktketens niet ontgaan. Wellicht niet toevallig in een oude hoeve buiten de stad opende Colruyt in 2014 haar eerste Cru-winkel in Overijse. De ontwikkelaars spelen in op het gevoel van ambacht, op het idee van markt en versheid, metier en zelfs nabijheid, zonder het luxe te willen noemen. Dat Colruyt hiervoor een van de rijkere gemeenten in de Rand met kapitaalkrachtige inwoners uitkoos, ligt in de lijn van de verwachtingen. In 2021 moet een vierde Cru-vesting opengaan aan de andere Rand van de stad, in de oude geuzebrouwerij Eylenbosch in Dilbeek. Voor het winkelconcept lijkt de band met de streek en haar voedselverleden een troef te zijn geworden.

En de boer?

Op een dag zal de boer aan de Brusselstraat 287 zijn laatste groenten oogsten. De boerderij is oud. De grond ervoor is waardevol, niet in het minst voor bouwheren op zoek naar een goed perceel. Wie weet, loopt het niet zo’n vaart en blijft deze plek weerbarstig in haar buurt en kan ze haar rol als verstrekker van voedsel in de nabijheid van de stad behouden. Al zijn de boerkozen bijna verdwenen, de nood aan nabij voedsel zal blijven bestaan.

 Zie je nog resten in jouw omgeving (gebouw, straatnaam,…) die verwijzen naar de voedselband tussen Brussel en de Rand? Deel ze op de facebook-pagina van RandKrant. Auteur Koen Demarsin reageert.



 




Literatuur

  • Cleeremans, Francis. 1995. Het druivenmuseum in Overijse. In,. Jaargang 44, Pp. 30-32. Vlaanderen
  • Dewilder, Louis. 1978. 100 jaar tafeldruif te Overijse. In 1978-3, Pp. 125-126.Zoniën
  • Dieleman, Patrick. 2018. Belgische tafeldruiven, een teelt met een verhaal. In Boerenbond. Management & Techniek 12, 18 juni 2018, Pp. 38-40.
  • Luyten, Sarah (red.) 2013. In Brussel Gesmaakt? Een wisselwerking met Vlaams-Brabant.
  • Pée, Willem. 1972. Boerkoos. In Taal en Tongval, jaargang 24. -  Link
  • Rosmijn, Wouter. 2018. 1854. Voedselrellen op de weg naar de globale voedselmarkt. In Wereldgeschiedenis van Vlaanderen. Marnix Beyen, et alii red, Pp. 312-317.
  • Versluys, Luc. 1977. Oorsprong van de befaamde “Côte à l’os” te Hoeilaart. In, Zoniën 1977-3, p 137-141.

Websites