01 apr '18

Achter het masker
van de goede zeden

243
door Lene Van Langenhove
Het Amerikaanse modetijdschrift zit er voor niks tussen, maar de nieuwe expo van het Kasteel van Gaasbeek heet Vanity Fair. Daarin gaan twee kunstenaars met elkaar in dialoog: Félicien Rops en Thomas Lerooy

Hoewel Rops in de 19e eeuw leefde en Lerooys carrière sinds een paar jaar de hoogte in gaat, hebben beide kunstenaars inderdaad wel wat gemeen. Zoals de titel al laat vermoeden komen thema’s als vergankelijkheid en sterfte aan bod bij beide heren.

DUIVELS CYNISCH

Rops begint als schilder van Waalse taferelen en landschappen, maar schakelt al snel over naar satirische prenten en is helemaal in zijn sas wanneer hij zijn obsessie voor het erotische en het morbide mag verbeelden. Hij is etser, schilder en tekenaar, en hij laat zich ook niet op één thema vastpinnen. Hierdoor wordt hij een genre op zich.

Rops leeft in een tijd waarin de kerkelijke dogma’s flink onder vuur liggen. Hij doet niets liever dan kritiek geven op de burgerlijke samenleving. Met zijn karikaturen van de zwakke kantjes van de zogenaamd nette en eerlijke mensen heft hij het masker van de goede zeden op. Al op jonge leeftijd maakt hij tekeningen waarin hij onder meer de hypocrisie van de kerk aan de kaak stelt. Deze politiek getinte prenten publiceert hij onder meer in het blad Uylenspiegel, dat hij in eigen beheer uitgeeft in de periode dat hij in Brussel studeert. 

Op zijn dertigste trekt hij naar Parijs, waar hij al gauw boekillustraties mag maken voor Mallarmé, Verlaine en vooral Baudelaire, met wie Rops een hechte band heeft. Hij leeft 

met twee zusjes in een gedroomde ménage à trois en geniet met volle teugen van het moderne, levendige Parijs. Hij maakt talloze tekeningen van Parijse prostituees en deinst er niet voor terug de liefdesdaad te tonen, of zoals hij het zelf noemt: ‘de menselijke omhelzing’.

SPEELS EN VIRTUOOS

Met ‘decadente’ reeksen als Les Sataniques en Les Diaboliques profileert Rops zich duidelijk als een fin-de-sièclekunstenaar. Het werk van Thomas Lerooy sluit daar goed bij aan. Net als de grote kunstenaar van de 19e eeuw verheft hij thema’s zoals dood en verval tot een monumentale grandeur en combineert hij dit met veel humor, wat niemand onberoerd laat. 

Zijn beeldtaal verwijst zowel naar Vanitas-symbolen als naar iconen uit de (kunst)geschiedenis. Bloemen komen tevoorschijn uit een skelet, centauren poseren als schoothondjes, putti wervelen rond in een soort ludieke dans,... Het mag duidelijk zijn: Lerooy houdt van contrasten en van speelse knipoogjes. 

Net als Rops is Lerooy thuis in meerdere disciplines: naast virtuoze tekeningen maakt hij ook sculpturen in brons, een materiaal dat afstand en monumentaliteit oproept en dus wel past bij de thematiek van vergankelijkheid. Lerooy onderzoekt de aantrekkingskracht van een beeld, wat resulteert in een ambachtelijke perfectie, een anekdotische beeldtaal en een precieze verhouding van de sculptuur met zijn omgeving. 

TOT 10 JUN
Vanity Fair
Thomas Lerooy & Félicien Rops
Gaasbeek, Kasteel van Gaasbeek, www.kasteelvangaasbeek.be