01 jun '15

'Nood aan
stadsgewestelijk beleid'

4836
door Luc Vanheerentals
‘De kernstad en zijn randgebied zijn per definitie steeds functioneel met elkaar verbonden. Een integraal beleid om de uitdagingen, waarmee de hele regio wordt geconfronteerd, aan te pakken is nodig.’

In ons Belgisch staatsmodel ontbreekt dergelijke stadsgewestelijke benadering echter nagenoeg volledig. Niet alleen in het Brusselse, ook in andere stadsgewesten. Ik betreur dat ten zeerste’, zegt Eric Corijn, emeritus hoogleraar sociale en culturele geografie aan het Department of Geography van de Vrije Universiteit Brussel (VUB), tevens cultuurfilosoof en auteur van de boeken Brussel! (2009) en Waarheen met Brussel? (2013).

BEVOLKINGSTOENAME

Waarom ontbreekt een stadsgewestelijk beleid? Corijn verwijst naar de anti-stedelijke opstelling van de elites in ons land. 'Kenmerkend voor België is dat de begoede klasse het suburbane leven verkiest boven dat van de stad en dus liever in de randgemeenten woont. Niet alleen in Brussel, ook in Antwerpen, Gent, Luik. Terwijl randgemeenten volop mee profiteren van faciliteiten uit de kernstad wil men er niet mee in overleg treden over bijvoorbeeld een betere spreiding van die voorzieningen naar het eigen grondgebied. In het Brusselse wordt dat fenomeen nog versterkt door de communautaire kwestie, waardoor het Vlaams Gewest Brussel met zijn meertalige bevolking als een probleemgebied aanziet.’

Het idee van de Groene Gordel, waarmee Vlaanderen een Brusselse stadsuitbreiding wil tegenhouden en in de Rand een residentieel, suburbaan gebied behouden, is volgens Corijn hoe langer hoe moeilijker houdbaar. Hij wijst hierbij vooreerst op het toenemend aantal Brusselaars dat naar de Rand verhuist. ‘Sinds een 15-tal jaar groeit de Brusselse bevolking terug aan. Er wonen momenteel 1,15 miljoen mensen; tegen 2020 wordt een aangroei tot 1,23 miljoen verwacht. De sterke bevolkingsaangroei waarmee vooral Vilvoorde geconfronteerd wordt, is in deze stad voor 2/3e afkomstig uit Brussel.’

TEWERKSTELLING EN VEEL MEER

Een tweede urgente reden die een stadsgewestelijk beleid voor Brussel en zijn omgeving noodzakelijk maakt, houdt verband met de evolutie van de arbeidsmarkt. ‘Tot de jaren 70 was Brussel de belangrijkste industriële stad van ons land met tot 180.000 industriële jobs. 91% van de tewerkstelling in Brussel situeert zich vandaag echter in de diensten- en zorgsector. Ook ten noorden en zuiden van de hoofdstad zijn industriële bedrijven verdwenen. Het zijn echter niet de werklozen die voordien in de industrie aan de slag waren die nu in de nieuwe sectoren werken. 380.000 van de 715.000 jobs in Brussel worden momenteel trouwens ingenomen door mensen die van buiten het gewest komen. Omwille van de hoge werkloosheidscijfers is het absoluut noodzakelijk dat er meer Brusselse werklozen tewerkgesteld kunnen worden buiten de hoofdstad. Er zijn aanzetten hiertoe, maar het kan veel beter.’

'380.000 van de 715.000 jobs in Brussel worden momenteel ingenomen door mensen die van buiten het gewest komen. Omwille van de hoge werkloosheidscijfers is het absoluut noodzakelijk dat er meer Brusselse werklozen tewerkgesteld kunnen worden buiten de hoofdstad.'

In pleidooien voor meer intergewestelijke beleidssamenwerking wordt voorts vooral verwezen naar thema’s zoals mobiliteit, ruimtelijke ordening, Brussels Airport. Volgens Corijn gaat het om veel meer. ‘Er is bijvoorbeeld het probleem van de waterhuishouding. Het gebied in Ruisbroek, waar de Zenne het Brussels Gewest binnenstroomt, was vroeger een overstromingsgebied dat sindsdien op een foute manier bebouwd werd. Met het oog op een duurzame ontwikkeling zou dat probleem samen aangepakt moeten worden. Of nog: de voedselvoorziening. Om niet langer groenten en fruit te moeten invoeren uit verre landen zou er een voedselplan opgesteld moeten worden voor het hele grootstedelijke gebied waarbij de boeren van het Pajottenland mee voor de bevoorrading kunnen zorgen. Een dergelijk plan alleen voor het Brussels Gewest opstellen heeft geen enkele zin, want het beschikt nauwelijks over landbouwgrond.’

ONTWIKKELINGSPROGRAMMA NOORDRAND

Het feitelijke Brusselse stadsgewest komt volgens Corijn grosso modo overeen met de oude provincie Brabant, al zijn er uitlopers daarbuiten. ‘In de kern heb je vooreerst het verstedelijkte gebied dat in werkelijkheid groter is dan het Brussels Gewest, want bijvoorbeeld Kraainem is in niets te onderscheiden van Woluwe. Brussel ontwikkelde zich eerst binnen de 14e eeuwse vijfhoek. Met de industriële revolutie ontstond de eerste stadsuitbreiding. In de 20e eeuw volgde een tweede gordel, maar nu is rond dit gebied een derde gordel aan het ont- staan die tot in de Vlaamse Rand reikt. Rond dit verstedelijkt gebied heb je de zogenaamde banlieus, dichtbevolkte woongebieden, 60 tot 65 gemeenten groot. Vervolgens heb je een forenzenwoonzone, een grootstedelijk gebied waarvan de bewoners regelmatig naar het stedelijk gebied gaan om te winkelen, een cultu- rurele activiteit bij te wonen, enzovoort. Daar zit het Pajottenland bij, de Leuvense regio, Louvain-la-Neuve.’

Het Territoriaal Ontwikkelingsprogramma Noordrand is een eerste vorm van samenwerking inzake ruimtelijk beleid. De Vlaamse en Brusselse administraties bevoegd voor Mobiliteit en Openbare Werken, Leefmilieu, Economie en Wonen trachten, samen met de provincie Vlaams-Brabant, een ruimtelijk ontwikkelingsplan uit te werken voor het gebied tussen Van Praet, Heizel, Vilvoorde, de luchthaven, Nossegem, Marcel Thiry, Diamant en Josaphat en dat zich dus deels in Brussel en deels in het Vlaams Gewest situeert. Op de laatste workshop van 24 maart kwamen de kabinetschef van Vlaams minister Joke Schauvliege (CD&V), Brussels minister-president Rudi Vervoort (PS), Brussels schepen van Stedenbouw Geoffroy Coomans de Brachène (MR) en de burgemeester van Vilvoorde, Hans Bonte (SP.A), aan het woord. Ook Corijn is hierbij betrokken.

Vooral door de bevolkingstoename en de tewerkstelling is een stadsgewestelijk beleid nodig.

‘Een van de problemen die we willen oplossen, is de leegstand van kantoorgebouwen, die in Vlaams-Brabant tot 1/3e oploopt. Deze leegstand is onder andere een gevolg van de fileproblemen, want ze zijn enkel bereikbaar met de auto. Deze kantoren kunnen worden omgebouwd tot woningen. Daarnaast zijn er nog oude industriële panden en brownfields (vervuilde terreinen) die opgekuist moeten worden zodat ze plaats kunnen bieden aan meer kleinschalige bedrijven.

Een belangrijk aandachtspunt is vanzelfsprekend ook de mobiliteit. Zo zou de MIVB-tramlijn die vandaag aan de NATO stopt, moeten worden doorgetrokken tot aan de luchthaven, een rechtstreekse tramlijn aangelegd worden tussen Brussel-centrum en Vilvoorde en het kanaal meer gebruiken voor mobiliteitsdoeleinden. Ook de luchthaven is een thema. Ze moet groeien om leefbaar te blijven, maar tegelijk moet de geluidsoverlast voor de omgeving verminderen. Voor al die problemen bestaan er oplossingen, maar ze vergen wel meer samenwerking.’

KEERPUNT

Het blijft afwachten wat politici uiteindelijk zullen aanvangen met de voorstellen die uit dit overleg zullen voortvloeien. Corijn is alvast enthousiast. ‘We schrijven hier geschiedenis. Voor het eerst wordt er aan Vlaamse kant niet aan ruimtelijke planning gedaan met een witte vlek in het midden. Voor het eerst kijkt Brussel ook naar de buitenkant van zijn grondgebied.’

Corijn pleit er tot slot voor dat Vlaanderen Vilvoorde extra ondersteuning biedt. Het is de stad die momenteel het sterkst de verstedelijking vanuit Brussel ondergaat. ‘Vilvoorde is de facto de 20e gemeente van het Brussels Gewest aan het worden. De meeste inwijkelingen komen uit Molenbeek en multiculturaliseren de stad, maken ze tweetaliger. Vilvoorde komt niet in aanmerking voor een erkenning als centrumstad omdat het geen kernstad is die samen met haar omgeving minstens 80.000 inwoners telt. Deze stad maakt echter een zodanig snelle transitie door dat het absoluut nodig is dat het Vlaams Gewest haar beter ondersteunt, niet alleen om de radicalisering tegen te gaan, maar ook onder meer om de ruimtelijke ordening in goede banen te leiden. Misschien moet de steun aan centrumsteden ook voor de Noordrand gelden?’