01 dec '15

De siamese tweeling

3756
door Patrick Gijssels
In Brussel worden meer dan 100 talen gesproken, in de Vlaamse Rand 78. Er is een snelle internationalisering van de regio aan de gang. ‘Er bestaat een intense en complexe wisselwerking tussen Brussel en de Rand’, zegt onderzoeker Rudi Janssens van BRIO/VUB.

Het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (BRIO) onderzoekt hoe één en ander op elkaar inspeelt en organiseert daarover op donderdag 10 december de studiedag Over Brussel en de Rand, it takes two to tango.

Waarin verschilt deze studiedag van de vorige over taal en identiteit in de Rand?
Rudi Janssens (BRIO / Vrije Universiteit Brussel): ‘Deze studiedag wil vooral de wisselwerking en de verbondenheid tussen Brussel en de Rand benadrukken. In Brussel worden meer dan 100 talen gesproken. De internationalisering en superdiversiteit hebben ook een effect op haar omgeving. De gemeenten van Brussel en de Vlaamse Rand liggen weliswaar in verschillende gewesten, toch is er een intense en complexe wisselwerking tussen beiden. Op deze studiedag willen we het ruimtelijke met het maatschappelijke verbinden. We gaan dieper in op het taalbarometeronderzoek, waarbij resultaten uit de Rand aan de evoluties in Brussel worden gekoppeld en ook op de verbinding met het onderwijs, integratie of taalgebruik in de publieke ruimte.’

80% van al wie Nederlands leert in de Rand, zou dit vrijwillig doen. Is dit het resultaat van het Vlaamse beleid? Of eerder van een gemeentelijk beleid dat aanzet tot het leren van Nederlands? Of spelen andere factoren een rol, zoals de media?
Rudi Janssens: ‘Effecten van beleidsinspanningen zijn moeilijk te meten. De vraag is wat het doel van het taalbeleid is. Dat is niet zo eenduidig. Uit het taalbarometeronderzoek blijkt dat je taalbeleid kan opsplitsen in drie dimensies.'

'De eerste dimensie benadrukt het Nederlandstalige karakter en tracht de exclusiviteit van het Nederlands als officiële taal te ondersteunen in domeinen waar het gebruik ervan vrij is, bijvoorbeeld in handelszaken of op markten. Het doel is dan om een dwingender karakter aan het taalgebruik te geven. Om Nederlandstaligen te ondersteunen, niet per se om Nederlands bij anderstaligen te promoten. De promotie van het Nederlands in de media kan je in de meeste gevallen ook onder deze noemer plaatsen. Wie geen Nederlands kent, gaat uiteraard geen Nederlandstalige media raadplegen. Wie vanuit het buitenland in de Rand komt wonen, kent vaak beter Frans dan Nederlands, zeker omdat velen via Brussel naar de Rand doorstromen. Er is een duidelijke correlatie tussen het lezen van Franstalige media en een negatieve houding ten aanzien van het Vlaamse beleid. Op die manier spelen de media zeker een rol.’

‘Een tweede dimensie zijn de beleids- ondersteunende maatregelen. Ze zijn gericht op anderstaligen en stimuleren het gebruik van het Nederlands via taallessen en oefenkansen. Het is erg moeilijk om het effect van deze maatregelen te meten en het is nog niet onderzocht.’

‘Er is een intense en complexe wisselwerking tussen Brussel en de Rand.’

‘Een derde dimensie van het beleid is eerder taalneutraal en tracht de integratie van anderstaligen in het maatschappelijke leven te bevorderen, los van de taal, bijvoorbeeld door deelname aan het verenigingsleven te stimuleren. Als je de taal niet kent, blijft dat uiteraard een serieuze hinderpaal.’

Welke factoren stimuleren de talenkennis het sterkst? Wat bevordert de integratie het best?
Rudi Janssens: ‘Er zijn vele factoren die het taalgebruik kunnen stimuleren. De sterkste motivatie is nog altijd als men de taal vrijwillig leert. Wie in de Rand woont, gaat meestal na een tijdje op zoek naar manieren om Nederlands te leren. Hij of zij blijkt achteraf ook het meest Nederlands te gebruiken.'

'Wie via de werkgever taalcursussen volgt, spreekt de taal al iets minder. We veronderstellen dat ze Nederlands gebruiken in de werkomgeving en slechts zelden daarbuiten. Wie verplicht wordt om een cursus Nederlands te volgen, spreekt het minst. Het gaat om een beperkte groep van vaak laaggeschoolden die de taal moeten aanleren, los van een concrete context zoals werk. In het taal- en integratiedebat heeft men vaak deze groep voor ogen.’

‘Nieuwe inwoners komen meestal uit andere EU-landen. Door de Europese wetgeving op het vrij verkeer van personen mag geen enkele lidstaat een integratiebeleid opleggen aan andere EU-burgers. Het is dus een vrij complex debat, waarbij het stimuleren van het gebruik van het Nederlands vooral een combinatie van maatregelen vergt. Door het taaldebat vergeet men soms dat de meeste nieuwe inwoners wel degelijk de taal willen leren.’

Verplicht gebruik van het Nederlands in formele contacten tussen gemeente en burger of tussen werkgever en werknemer zou een positief effect hebben op het gebruik van het Nederlands. Klopt dat?
Rudi Janssens: ‘Men kan moeilijk zeggen dat het verplichte karakter van het Nederlands in officiële contacten een positief effect heeft op het gebruik ervan, omdat er in Vlaanderen slechts één mogelijkheid bestaat. Zo komt men snel in het soort discussies terecht zoals ‘Brussel bestaat voor 90% uit Franstaligen omdat 90% van de inwoners sommige formulieren in het Frans invult. Op die manier bestaat Vlaanderen voor 100% uit Nederlandstaligen. Ik denk niet dat dit een vruchtbare discussie is.’

‘Taalgebruik in het bedrijfsleven is niet eenduidig. Hier willen we meer onderzoek naar doen, maar daarvoor is nog geen financiering gevonden. Bedrijven hebben een commercieel doel. Een taal stimuleren interesseert hen niet echt, tenzij het economisch nuttig is. Internationale ondernemingen hebben vaak een eigen communicatiebeleid, waarbij Engels voor hen de meest rationale keuze is. Sommige bedrijven hebben een werknemer in dienst die moet zorgen dat alle officiële documenten in de officiële talen worden opgesteld. Taalproblemen in ondernemingen zijn meestal beperkt omdat men voor een meertalige functie geen eentalige werknemer zal aanwerven.’

'Door het taaldebat vergeet men soms dat de meeste nieuwe inwoners wel degelijk de taal willen leren.’

‘Wat wel effect heeft, is de economisch sterkere positie van Vlaanderen. Wil een bedrijf zaken doen met KMO’s in Vlaanderen, dan is de kans groot dat men kiest voor een onderneming die dezelfde taal spreekt, als de service gelijk is.’

‘We weten dat sommige handelaren in de Rand zich bewust in de faciliteitengemeenten vestigen omdat ze daar hun klanten kunnen bedienen in alle talen, zonder klachten van derden omdat niet alles in het Nederlands gebeurt. In zakelijke contacten is het taalgebruik vrij, maar er wordt soms wel druk uitgeoefend om ook hier vooral Nederlands te gebruiken. In welke mate dat effect heeft, is onduidelijk. Handelaars willen zo efficiënt mogelijk zaken doen en taalgebruik is vaak een persoonlijke afweging.’

Twee derde van de Franstalige ouders in de Rand stuurt zijn kinderen naar Franstalige scholen in Brussel. Wat zijn de redenen? Geen plaats in het Nederlandstalig onderwijs? Een bewuste keuze?
Rudi Janssens: ‘Hierover bestaat weinig duidelijkheid, want er is te weinig onderzoek naar gedaan. Wel lijkt het logisch dat Franstaligen hun kinderen naar het Franstalig onderwijs sturen en daarbij noodgedwongen op Brussel zijn aangewezen (met uitzondering van de faciliteitengemeenten voor het basisonderwijs). In de Rand sturen Duitstalige ouders hun kinderen ook vooral naar de Duitse school, Engelstaligen naar de Britse school, EU-werknemers naar een Europese school.'

'Dit heeft zeker niet te maken met het gebrek aan kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs. Deze selectie is, net zoals in Brussel, vooral een sociale selectie. Ouders uit de Rand, Nederlandstalig, Franstalig of anderstalig, sturen hun kinderen niet naar een concentratieschool in Brussel, maar prefereren andere scholen. Op dat vlak is het dus wel een bewuste keuze. Maar diepgaand onderzoek over de keuzemotieven ontbreekt.’

De resultaten van de taalbarometer zijn mogelijk nog ruimer. Zijn er onderwerpen die niet aan bod kwamen?
Rudi Janssens: ‘De bedoeling van de taalbarometer is een algemeen kader schetsen van de taalsituatie, als basis voor verder onderzoek. Er is een algemene consensus over het feit dat er verder onderzoek nodig is. Toch volgt de financiering niet en blijven we dus wat op onze honger zitten.’