18 mrt '19

'We kunnen de wereld rechtvaardiger maken'

6185
door Ines Minten
Ine Van Wymersch was jarenlang openbaar aanklager en woordvoerder van het parket van Brussel, vandaag legde ze de eed af als procureur des konings bij het parket Halle-Vilvoorde. Haar 'Figurandt' interview van oktober 2016 lees je hier.

Als 16-jarige stond ze in de leiding van de chiro en de speelpleinen van Overijse. Ze zag er met eigen ogen dat niet elk kind opgroeit in een warm nest zoals dat waaruit ze zelf komt. Ik word jeugdrechter of iets in die aard’, dacht ze. Nu is Ine Van Wymersch openbaar aanklager en woordvoerder van het parket van Brussel. Dit voorjaar werd ze door collega’s en journalisten uitgeroepen tot woordvoerder van het jaar. ‘Het is een erkenning van het belang en de impact van goede communicatie bij justitie.’

Voor de meeste woordvoerders is het woordvoerderschap een voltijdse job. Bij het parket neem je het er bij. ‘Ik krijg al eens de vraag hoe ik dat klaarspeel, maar de combinatie heeft ook voordelen. Als openbaar aanklager ken ik het terrein goed. Ik weet hoe een gerechtelijk onderzoek verloopt, ik ken de moeilijkheden en de gevoeligheden. Het verhoogt ook mijn geloofwaardigheid bij de collega’s. Ik denk dat ze het liefst vertegenwoordigd worden door iemand met kennis van zaken.’

Communiceren over gerechtelijke zaken is een subtiele evenwichtsoefening. Mensen verwachten open en duidelijke informatie van justitie. ‘Terecht. Maar tegelijk zitten we met principes als het geheim van het onderzoek en het vermoeden van onschuld, waarmee we rekening moeten houden. Niemand is ermee gediend als we ons onderzoek om zeep helpen door bijvoorbeeld het geheim van het onderzoek te schenden. Bovendien hebben de media – en zeker de sociale media – een totaal ander ritme dan justitie. Journalisten zouden de informatie het liefst gisteren hebben gekregen, terwijl ik mijn collega’s wel voldoende tijd moet gunnen om een en ander uit te vlooien.’ Hoe moeilijk het soms ook is om de dingen op elkaar af te stemmen, de uitdrukking ‘geen commentaar’ vindt Van Wymersch in geen enkel geval een goed antwoord.

BEGRIP

Aanslagen, zedenfeiten, moordzaken, … zulke gebeurtenissen gaan onherroepelijk met emoties gepaard. ‘Zeker als je zelf getroffen wordt of iemand kent die slachtoffer is geworden, is het normaal dat de emoties hoog oplopen. Uiteraard mogen we ons daar als woordvoerders en magistraten niet door laten meeslepen, maar we moeten er wel begrip voor opbrengen. En als je uitlegt waarom de zaken gaan zoals ze gaan, snappen de mensen het ook wel.'

'Soms gaat het er bijvoorbeeld moeilijk in waarom we een dader niet in de gevangenis gooien. Dan leg je uit dat we dat in België niet zomaar doen en dat we daar eigenlijk blij om moeten zijn. Ons strafwetboek en onze procedures bouwen garanties in, niet alleen voor die ene dader, maar voor alle burgers. Het maakt dat een en ander wat trager gaat, maar dat kan moeilijk anders. Als justitie met lichtsnelheid werkt, zit je in een dictatuur.’

EN STOEMELINGS

Hoe wordt iemand parketwoordvoerder? In het geval van Van Wymersch en stoemelings. In 2009 deed ze haar gerechtelijke stage om openbaar aanklager te kunnen worden bij de toenmalige woordvoerder Wenke Roggen. ‘Zij had die dag zowel pers- als gijzelingsdienst. Net op die woensdagnamiddag verschanste iemand zich met een wapen in een appartement vlak tegenover een supermarkt. Ze moest onmiddellijk naar de commandopost om de gijzeling te managen. Natuurlijk stond de nationale pers ook op de hoek van de straat. En die moest ingelicht worden, want er zaten veel mensen vast in de supermarkt en hun families wachtten vol spanning op nieuws. Dus heeft ze me in het bad gegooid: Je bent tweetalig, je bent vlot, het zal wel lukken. Vanaf dan werd ik geregeld ingeschakeld, eerst af en toe, daarna meer en meer. Een echte opleiding bestaat er niet voor, je moet het vooral al doende leren en door ervaring uit te wisselen met collega’s.’

'Communiceren over gerechtelijke zaken is een subtiele evenwichtsoefening'

Het woordvoerderschap bleek haar te liggen. ‘Je moet het vooral graag doen en je mag niet bang zijn voor een camera. Als je elke keer een stressaanval krijgt als je een journalist ziet, is het wellicht niet voor jou weggelegd. Bij mij ligt communiceren dichtbij wat ik als openbaar aanklager het liefste doe. Ik ben niet de jurist die graag haar tanden zet in de kleinste procedurele details van een dossier dat 30 kartons telt. Ik ga liever naar een zitting, geef in mijn requisitoir aan waarom X of Y dit of dat heeft gedaan. Ik ben ook graag van wacht, omdat je dan ad hoc rationele beslissingen moet nemen in acute dossiers.’

RECHTVAARDIGHEID

Van Wymersch woont in Overijse, waar ze opgroeide en lang actief was in de chiro en de speelpleinwerking. ‘Als je eenmaal in de leiding staat, kom je soms schrijnende situaties tegen. Ik herinner me nog goed hoe een dronken vader zijn kind kwam ophalen. Nog voor het in de auto zat, had het al een paar klappen te pakken. Ik was half in shock van dat te zien. Ik kom zelf uit een warm nest en toen besefte ik voor het eerst dat niet iedereen zoveel geluk heeft.'

'Op dat moment heb ik beslist dat ik jeugdrechter of iets in die aard wilde worden. Rechten staat nu niet direct bekend als een sociale richting, maar dat primaire rechtvaardigheidsgevoel heeft me wel voor de studie doen kiezen. Ik geloof vast dat we de wereld rechtvaardiger kunnen maken. Klinkt dat naïef? Ik noem het liever gezond optimisme.’

JONGEREN

Nog steeds ligt haar hart vooral bij het jeugdparket. ‘We moeten investeren in kinderen en jongeren. Als we de jeugd opgeven, mogen we de boeken dicht doen. Dan is het afgelopen.’

Er gaan soms stemmen op om jongeren te berechten als volwassenen. Een absurde overweging, volgens Van Wymersch. ‘We zijn het er allemaal over eens dat jongeren geen huis mogen kopen. Dan kunnen we ze ook niet als een volwassene in Vorst steken. Het is het een of het ander. Jongeren moeten we een aanpak op maat geven. Ik ben ervan overtuigd dat je met hen een traject kunt afleggen en ze bewust kunt maken van hun verantwoordelijkheid, zonder ze gewoon op te sluiten.

Bij een volwassene kun je zeggen: Oké, je kent de regels van het spel, je houdt je er niet aan, dus ga je op de blaren zitten. Daar kan ik perfect mee leven. Maar jongeren plegen nooit zomaar feiten; het echt minimale percentage psychopaten buiten beschouwing gelaten. Bij al de anderen kom je vroeg of laat bij volwassenen terecht die het op de een of andere manier – en al dan niet bewust – hebben laten afweten. Zeker bij eerste feiten kun je daarom niet alle verantwoordelijkheid zomaar bij één jongere leggen. Met zo’n visie minimaliseer je de gepleegde feiten niet.

'Als we de jeugd opgeven mogen we de boeken dichtdoen.'

Ik ken veel bevlogen jeugdmagistraten die allemaal diezelfde bekommernis om de jongere als persoon delen. Dat neemt niet weg dat ze soms heel harde beslissingen nemen en iemand twee jaar naar een gesloten instelling sturen. Geloof me, sommige jongeren zouden die tijd liever in de gevangenis spenderen. Die instellingen zijn geen jeugdkampen. Ze moeten er naar school gaan, met psychologen praten, aan zichzelf werken, zich inzetten, zichzelf in vraag stellen. We zien die jongeren ook evolueren en het gaat niet bij allemaal pijlsnel bergaf. Er zitten er tussen die iets van hun leven maken.

Ik zal mijn optimisme dus niet snel opgeven, want we merken dat we resultaat boeken als we in die jongeren investeren. Cruciaal daarin is dat ze opeens, ergens, het gevoel krijgen dat iemand iets in hen heeft gezien, iets meer en beters dan de crimineel voor wie iedereen hen houdt.’

MENSELIJK

Van Wymersch bijt zich vooral vast in zedenfeiten, jeugdcriminaliteit en onrustwekkende verdwijningen. Niet meteen thema’s die een doorsnee persoon ’s avonds zomaar even van zich af schudt. ‘Nee’, beaamt ze. ‘Maar het zijn ook de meest menselijke en de minst droge juridische aspecten. En ze geven me het gevoel dat ik iets zinvols doe, wat het een stuk minder zwaar maakt.'

'Nu, het kan inderdaad soms bedreigend zijn, hoor. Stel dat je beslist om twee kinderen bij het jeugdparket te plaatsen, dan weet je dat zij zich die dag voor de rest hun leven zullen herinneren, net als hun ouders. Je grijpt op zo’n moment invasief in iemands leven in. Als ik dan ’s avonds mijn eigen kinderen in bed leg, denk ik daar wel eens aan: er zijn er twee die niet in hun eigen bed liggen vannacht. En dan hoop ik elke keer dat ik de juiste beslissing heb genomen. Ook als je erge feiten tegenkomt, ril je wel eens: Wat als dit mijn kinderen overkwam? Ik denk dat zulke menselijke reflexen ook een betere magistraat van je maken. Niemand is gebaat bij een wereldvreemde vakidioot.’