01 mrt '22

‘Brussel en de Rand zijn
een Siamese tweeling’

2541
door Anne Peeters
VRT-journalist Stefaan Meerbergen groeide op in Kraainem, maar woont ondertussen al jaren in Brussel. ‘De Rand en de grootstad: de spanning tussen die twee maakt het boeiend.’

Stefaan Meerbergen (48) begon zijn journalistieke carrière bij RINGtv, en werkte ook voor tv-Brussel, het huidige BRUZZ. Na zijn studententijd verhuisde hij van Kraainem naar Brussel. Via een journalistenexamen belandde hij op de sportdienst van de VRT. Ondertussen kennen we hem als reporter bij de nieuwsdienst. ‘Ik ben vrij snel bij de nieuwsdienst terecht gekomen om iemand te vervangen die in het buitenland zat. Ik heb geen specifieke specialisatie, wat misschien gek is, maar voor mij voelt het heel natuurlijk aan om te zwerven tussen verschillende onderwerpen en thema’s. Ik werk vooral rond de sociale en stedelijke problematiek: armoede, migratie, religie, radicalisering. De meeste collega’s worden politiek journalist óf kiezen een specialisatie; buitenland, economie,… Ik ben meer een generalist.

Hebben de thema’s waarrond je werkt te maken met het feit dat je in de Rand bent opgegroeid en ondertussen in Schaarbeek woont? Heb je de stedelijke problematiek voor je neus zien ontwikkelen?

‘Misschien wel. De plek waar ik nu woon, was enkele decennia geleden de plek waar de vrijbuiters huisden, waar de revolutionairen zaten of diegenen die tegen de kerkelijke macht opkwamen. In steden is religie opnieuw belangrijk. Dat zie je in Brussel, en ook in andere steden. Je ziet vrouwen met een hoofddoek, je ziet halal slagerijen, je ziet christelijke gemeenschappen van Oost-Europeanen of Afrikanen die hier vlakbij de kerken vullen. De wijk waar ik woon, is zeer divers. Dat voedt me. Ik kijk ook kritisch, natuurlijk: ik zie veel problemen. Via de stad heb ik niet alleen een zekere kijk op de samenleving, maar ook een bepaald netwerk. Hier stap je buiten en kom je mensen tegen die in de prostitutie werken of mensen die met verkeersveiligheid bezig zijn, je hebt hier armoedeverenigingen, … noem maar op. Ik hoef maar op mijn fiets te springen en ik ben overal vlakbij. Wat dat betreft is Brussel zeker een goede voedingsbodem. Deze stad is journalistiek een van de meest interessante gebieden van België.’

Merk jij nog spanningen tussen Franstaligen en Vlamingen?

‘Ik heb het gevoel dat het conflict minder sterk leeft dan vroeger. Ik herinner me nog flarden van toen ik een kleine jongen was in Kraainem, toen die gemeente communautair vaak in brand stond. Ik herinner mij betogingen waar Kraainem Vlaams werd gescandeerd en de politie met paarden chargeerde. Die protesten waren vrij heftig, mensen werden opgepakt. Dat zie je nu niet meer. Er waren campagnes om de Rand Vlaams te houden. Ik weet dat ik als kleine jongen met knikkende knieën naar de kassa in de supermarkt in Kraainem ging, bang of ze wel Nederlands zouden spreken. Dat was geen fijn gevoel. Mijn Frans was niet geweldig en ik vond het onrechtvaardig dat mensen niet de moeite deden om Nederlands te spreken. Ik denk dat het taalconflict zachter is geworden. In Brussel is het zelfs grotendeels verdwenen, verzopen in de taalkundige chaos. Op politiek niveau speelt het wel nog, in bevoegdheidsverdelingen, de macht van het gewest tegenover de macht van de gemeenten, institutioneel, maar in de praktijk, op de straat, is er vaak geen taaldominantie meer. Er wordt ook steeds vaker Engels gesproken in Brussel, een taal waarin voornamelijk jonge Franstaligen en Nederlandstaligen elkaar wel eens vinden. In Brussel moet je vooral flexibel zijn. Als de kinderen hier naar de Marokkaanse bakker om de hoek gaan, slagen ze er toch in om, zonder Frans te spreken, terug te komen met wat we gevraagd hebben. In Brussel aanvaarden ze dat je het met handen en voeten uitlegt.’

Heb je het wonen in de stad anders ervaren als wonen in de Rand?

‘Ja, vooral de spanning tussen die twee. Dat heb ik gemerkt toen ik RINGtv en tv-Brussel combineerde. Die werelden liggen zó ver uit elkaar. Waar de Rand eerder een residentieel gebied is met wat winkels en bedrijventerreinen, heb je in de stad alle problemen van de wereld op één hoop. Gaande van extreme armoede, over sluikstorten tot criminaliteit, en noem maar op. Gelukkig zijn er ook veel positieve zaken: heel veel creatieve horeca, startups, sociaal ondernemerschap,… Als je de Rand en Brussel vergelijkt, is die scheidingslijn op bepaalde plaatsen zeer scherp. Je merkt het soms letterlijk als je de gewestgrens over stapt. De geesten groeien steeds meer uit elkaar, heb ik de indruk. Ik merk dat mensen die in de Rand wonen steeds minder naar Brussel gaan. Is dat vanuit een gevoel van onveiligheid? Is het een mobiliteitsprobleem? Brussel is soms te ver, zelfs vanuit de Rand. Dat is trouwens niet alleen in Brussel zo: Parijs en het buitengebied leven ook op gespannen voet. In Brussel is het goed leven, maar de stad is misschien wat complexer om te begrijpen dan de Rand. Als je moeite doet om de evoluties in de stad te absorberen, is dat een zeer boeiende leefomgeving.

‘De Rand is zoals een oud lief: je weet waarom je haar graag ziet, maar je weet ook waarom je niet bij haar bent gebleven.’

Mis je de Rand nu je in Brussel woont en werkt?

‘De stad is de plek waar ik leef, maar ik hou ook van de Rand. Ik ga er naartoe om me te ontspannen en vind het er fantastisch. Voor mij is de Rand zoals een oud lief: je weet waarom je haar graag ziet, maar je weet ook waarom je niet bij haar bent gebleven. Ik ga altijd graag naar de Rand, maar voor mij is de combinatie tussen de stad en de Rand essentieel. Ze zijn complementair. Ik zie ze als een Siamese tweeling: altijd verbonden, ze hangen voorgoed aan elkaar vast.’

‘Met kinderen is de Rand misschien een meer logische keuze om te wonen, je hebt er meer groen. Dat mis ik hier soms wel. Toch zit je ook snel in het groen. Hop, je springt op de fiets en je bent er. Eén of twee keer per week fiets ik door de Rand. Ik zit vaak in Overijse, het Dijleland. Lekker heuvelachtig, da’s fijn. Gelukkig dat Brussel een groene Rand heeft met het Zoniënwoud en velden die van bij mij thuis hooguit zes, zeven kilometer ver zijn.’

Net voor de wereldwijde pandemie heb je met je gezin een fietstocht langs de Westelijke Jordaanoever gemaakt. Geen evidente keuze.

‘Voor we kinderen kregen, deden mijn vriendin en ik veel fietsreizen, vaak naar minder evidente bestemmingen als Tadzjikistan, Kirgizië, Marokko, IJsland, Vietnam, Turkije,… Het is onze manier van vakantie beleven. Die reis naar Palestina wou ik eerst zelf doen, op mijn eentje, in een weekje verlof. Dat lukte niet en toen werd het een plan om er een gezinsvakantie van te maken. Onze kinderen waren zes en vier. De Westelijke Jordaanoever is perfect te bereizen in een periode dat er geen opflakkeringen van geweld zijn. Het moeilijke is dat je je er met de fiets op relatief onontgonnen terrein begeeft. Kan je daar wel fietsen? Hoe ziet het eruit? In welk landschap kom je terecht? Waar kan je slapen? Op het internet vond ik niet zo gek veel informatie. We hebben de reis wel voorbereid uiteraard, maar er was toch veel improvisatie ter plekke nodig. En dat is niet zo eenvoudig in een gebied dat heel complex in elkaar zit. Het is een reis met dat tikkeltje extra. Het landschap is prachtig, het eten top. De kinderen hebben er in zee gezwommen, ze hebben het beste ijsje ooit gegeten, dromedarissen in het wild gezien. Wij hebben dit getroebleerde stukje van de wereld met eigen ogen gezien. We spraken met kolonisten, met Palestijnen. Dat is zeer verhelderend. Je kan dat perfect met kinderen doen, zonder al te veel concessies. Kinderen zijn flexibel, ze kunnen veel aan.’

‘Wij blijven fietsen. Ik zou met het hele gezin graag eens naar Afrika gaan. Net de laatste weken voor de coronapandemie uitbrak, ben ik in Rwanda gaan fietsen, zonder mijn familie. Daar zou ik graag eens mijn kinderen mee naartoe willen nemen. Door de klimaatproblematiek worden verre reizen minder evident, vind ik, maar af en toe zou ik mezelf en mijn kinderen toch iets willen bieden dat onze wereld opentrekt, dat onze verwondering gaande houdt.’