19 sep '14

Natuurlijk: Toen natuur nog natuur was

3818
door Herman Dierickx
Het moet zowat in het jaar des Heren 1968 geweest zijn, toen het landbouwgebied rond mijn ouderlijk huis nog omgeven was met grote boomgaarden en houtkanten...

Het moet zowat in het jaar des Heren 1968 geweest zijn, toen het landbouwgebied rond mijn ouderlijk huis nog omgeven was met grote boomgaarden en houtkanten. Die gingen na verloop van tijd allemaal op de schop om te verworden tot een redelijk troosteloze, kale vlakte vol maïs. Wat mij echter al die jaren bijbleef, is de enorme natuurrijkdom die er toen was.

Sta mij een korte nostalgische bui toe. Want ik hoor ze nog steeds zingen, de verschillende mannetjes grauwe gors. Ze zaten op de weideafrastering en zongen uit volle borst. Hun zang, als een rammelende sleutelbos, hangt nog steeds vast in mijn oor. En hoeveel nesten van leeuweriken zou ik met mijn vader hebben gezien in de peterselievelden waarop we toen werkten? Het waren ook de beginjaren van vogels die we nooit eerder hadden gezien en die in steeds grotere getale op de akkers en graslanden kwamen zitten. We hadden er geen flauw benul van welke vogels dat waren. Mijn vader noemde ze ‘zwarte meeuwtjes’. Enkele jaren later wist ik dat het om kieviten ging die hun leefgebied verlegden van de kust naar het binnenland.

De witte kwikstaart broedde op een steunpilaar van het karrenhuis, bijna vier meter hoog. Vanaf het dak van de garage aan de overkant van de binnenkoer kon ik ze met de verrekijker observeren. Ondertussen passeerden de appelvinken bij bosjes in de  boomgaarden en vochten ze een robbertje uit met de talloze spreeuwen die nesten maakten in de holle fruitbomen. Een mol kwam bovengronds, meteen bedreigd door een onverlaat die hem wilde doodtrappen. Ik duwde de man achteruit en in geen tijd had het fluwelen beestje opnieuw zijn toevlucht onder de grond gezocht. Ongelooflijk aan welke snelheid dat ging! Op een paar seconden was hij helemaal verdwenen, veilig en wel. En ik was blij dat ik hem van een gewisse dood had gered.

Het was de tijd dat we de ratten uit hun gangen spoten in het kippenhok met honderden kippen. Een ervan kroop in de broekspijp van mijn neef die ze er met de hand moest uithalen, want er op kloppen kon niet, anders zou zijn been gekwetst zijn geweest... Ja, ik zie en hoor het nog steeds helder, alsof het gisteren was. Ik heb er mijn liefde voor de natuur gevonden, een rijkdom die ik nooit meer afgeef.

Herman Dierickx