01 feb '22

Is het vrije woud
nog vrij?

3222
door Koen Demarsin
De bossen en parken in de Rand helpen ons te ontspannen, een balans te vinden in ons jachtige leven. Maar dat was niet altijd zo. Hun geschiedenis is nauw verwant met de zoektocht van gewone mensen naar vrijheid en zelfontplooiing.

Hun belang voor stads- en randbewoners wordt groter met – o ironie – een toegenomen druk op het groen als gevolg.

Vrijbuiter

Het was met Pasen in het jaar 1343 dat Jan Ruusbroec op weg trok naar Groenendaal. De 50-jarige Ruusbroec had er een hele carrière opzitten aan het kapittel van de Brusselse Sint-Goedelekerk toen hij er de stadspoorten achter zich liet. Ver weg van de stedelijke drukte begon het tweede deel van zijn leven. Liefde voor en nabijheid tot God waren cruciaal voor hem. Zijn gedachten die hij in de volkstaal, en niet in het Latijn, neerschreef, maakten hem in de wijde omtrek bekend.

Al werd hij aangevuurd door de Heilige Geest, zonder wereldlijke hulp had hij de tocht niet kunnen maken. Zijn compagnon de route, Vrank van Coudenberg, had contacten met het Hof van de Brabantse hertogen en het is aan hertog Jan III te danken dat hij de kluis in Groenendaal ter beschikking kregen. De kluis werd al snel een priorij en nam enkele jaren later de leer van Augustinus aan en verzekerde zich zo van de steun van de kerkelijke overheid. Het gaf Jan de vrijheid om zijn mystieke gedachten verder te ontwikkelen en te delen met bezoekers, geestelijken en leken uit Brussel en de wijde omtrek. Deze vrijheid hing af van de positie die hij bekleedde. Voor boeren uit de buurt, die gebonden waren aan grond en heer, was de bewegingsruimte beperkter. Een mentale vrijplaats in het bos was niet voor iedereen weggelegd.

Heerlijke vluchtburchten

Brussel groeide verder uit tot de politieke draaischijf van de Nederlanden. De Habsburgse aartshertogen Albrecht en Isabella regeerden begin 17e eeuw vanuit Brussel over de Zuidelijke Nederlanden, nadat de Noordelijke Nederlanden kort daarvoor zich van hun Spaanse meesters hadden losgemaakt. De hertogelijke levensstijl inspireerde de Brusselse rijken. In hun ‘hoven van plaisantie’, die van Ukkel tot Tervuren rond de stad lagen, ontwierpen ze hun kleine en grote paradijzen. Nieuw was dat allemaal niet. Oude Romeinse aristocraten deden het al en dankzij de Italiaanse renaissance raakte het gebruik ook bij ons verspreid.

Een aantal parken die toen het licht zagen, gaan terug op oudere kasteeldomeinen, zoals de middeleeuwse burchten van Gaasbeek, Beersel en de verdwenen burcht van Tervuren die Brabant en Brussel moesten beschermen tegen aanvallen, bijvoorbeeld vanuit Vlaanderen of Henegouwen. Toen de burchten na de middeleeuwen hun militair nut verloren, werden ze mondaine verlengstukken van de stad, soms zelfs buitensporige fantasiewerelden. De 19e eeuwse verbouwing van Gaasbeek had veel weg van een sprookjesslot waarin Markiezin d’Arconati Visconti als page door haar zelfverzonnen droom kon bewegen. Eigenaars namen ook de omliggende landerijen onder handen. Rondom de kastelen en landhuizen legden ze elegante tuinen aan, maar ook de aanpalende bossen namen ze onder handen. Ze waren vooral aantrekkelijk voor de jacht, de adellijke sport bij uitstek. Ook hier gaven de Habsburgse landvoogden de maat aan met hun uitgestrekte jachtgronden van de Tervuurse Warande en het Zoniënwoud en de noordelijke bossen van het Saventerlo bij Zaventem. Samen met kerkelijke bosbezitters zoals de abdij van Ter Kameren, zorgde de adel ervoor dat er een aanzienlijk bosbestand bleef bestaan, al droeg het statuut van Vrijwoud dat het bos aan het begin van de 15e eeuw kreeg daar ook toe bij. Dankzij dit samenspel blijven met het Zoniënwoud en haar uitlopers in het Terkamerenbos, het Hallerbos en het Laarbeekbos belangrijke stukken woud bewaard die hun wortels kennen in één van Europa’s oude bosgebieden: het Kolenwoud.

Weldoeners

Bankier Jean-Joseph Walckiers de Gammerage keek letterlijk op Vilvoorde neer toen hij in 1778 op zijn domein Drie Fonteinen als eerste in onze streek een landschapspark in Engelse stijl aanlegde. Hij was daarmee een voorloper. De komst van de Fransen aan het eind van de eeuw zorgde er echter voor dat vele parken en tuinen de woelige periode niet overleefden. Vanaf 1815 brak er onder het Hollands bewind een nieuwe bloeiperiode aan waarbij de Engelse landschapsstijl verder opmars maakte. Maar ondanks de eerdere Franse belofte van vrijheid en gelijkheid, bleef het recht op groen beperkt tot wie het zich kon veroorloven, al verschoof de macht van de adel naar het kapitaal van industriëlen en stedelijke burgers. Op hun beurt voegden zij nieuwe domeinen toe aan de groene ring rond Brussel. Aan het eind van de 19e eeuw bouwde notaris Charles Claes uit Halle op een heuvelrug tussen de Pajotse akkers een eclectisch kasteel en omringde het met een weelderig park dat hij liet ontwerpen door landschapsarchitect Emile Edmond Galoppin die in opdracht van Leopold II al verschillende parken en squares ontwierp. Claes’ domein Groenenberg ligt pal tegenover de burcht van Gaasbeek: de oude adel en het nieuwe geld slechts gescheiden door een weg.

Leopold zette met zijn parken niet alleen de adellijke gewoonte verder; hij gaf er een heel eigen dimensie aan, al is het ditmaal niet de megalomanie die opvalt, maar wat hij in Laken deed. Sinds 1782 nam Laken de taak over van de gesloopte vorstelijke residentie van Tervuren. Bij het paleis legde Leopold een groot park aan mét een publiek gedeelte. Zo trad het parkenlandschap van de Rand de stad binnen. De nieuwe stadsparken voorzagen de stedelijke burgerij van nieuwe plaatsen om te zien en gezien te worden. Daarnaast hielpen ze ook als tegengewicht voor de snelle groei van de stad met vele nieuwkomers, nieuwe wijken en vervuilende industrie langs het kanaal. Maar Leopold sloot vooral goed aan bij de tijdsgeest, want de trend was ook in andere Europese steden merkbaar. Zijn borstbeeld in het Dudenpark in Vorst roemde hem als ‘Weldoener van de openbare parken’. Roemde, want intussen verwijst alleen nog het bijbehorende bordje naar de rol die hij speelde voor het openbare groen.

Bevrijding van het groen

Zowat de helft van al het aangelegde groen in en rond Brussel gaat op de 19e eeuw terug en het gros van de stedelijke parken van toen vormt nog steeds de ruggengraat van de open ruimte in de stad. Maar nog altijd bleef groene ruimte een privéaangelegenheid. Ze waren er zeker niet om het leven van de vele armen uit de stad te verlichten. Wie frisse lucht wou, moest vrije tijd hebben en tijd was er alleen voor wie zich die kon veroorloven. Maar, al was het niet zo bedoeld, de kentering was ingezet. In de 20e eeuw kwamen verschillende domeinen in handen van de overheid. De redenen hiervoor zijn uiteenlopend. Gaasbeek was een opvolgingskwestie. Markiezin d’Arconati Visconti schonk haar goed in 1921 aan de Belgische staat bij gebrek aan opvolgers. Niet veel later kocht de staat ook het domein van Meise. Vilvoorde kocht in 1956 de Drie Fonteinen en was daarmee Brussel te snel af die er een geschikte plek voor een begraafplaats in zag.

Sociale veranderingen speelden ook een rol. Kort nadat de Belgische werknemers het recht op vakantie verkregen, kocht de toenmalige provincie Brabant in 1938 het kasteeldomein van Huizingen. De stijgende welvaart speelde ook in het nadeel van de kasteelheren. Dienstboden, meiden en tuinmannen, die instonden voor het onderhoud en het huishouden, vonden na de Tweede Wereldoorlog elders werk en de wet uit 1970, die huispersoneel eindelijk de nodige zekerheid bood, maakte het kostenplaatje niet goedkoper. Op korte tijd wisselden verschillende domeinen van eigenaar. In de jaren 1980 kwamen Ter Rijst in Pepingen, Groenenberg en het Colomakasteel in Sint-Pieters-Leeuw in overheidshanden, waarmee de ring van parken en bossen rond Brussel stilaan sloot. Voor de gewone man was al dat toegankelijke groen een fijn neveneffect bij zijn toegenomen rechten.

De mozaïek van bos- en park- gebieden uit de 16e eeuw vormt de blauwdruk van het groenscherm dat de hoofdstad nu omringt.

Een nieuwe worsteling

Zo vormt de mozaïek van bos- en parkgebieden uit de 16e eeuw de blauwdruk van het groenscherm dat Brussel omringt. Al groeide deze ring eerder organisch, de reden waarom ze nu nog zichtbaar is, heeft meer met politiek dan met toeval te maken. De eerste echte aanzet om de Rand bewust groen te houden, kwam uit urbanistische hoek. Eind jaren 1950 dook het idee van een groene gordel voor het eerst op in plannen om de verstedelijking van de stadsrand af te remmen. Alweer kwam de inspiratie uit Engeland. Politiek vond het concept van zo’n groene buffer weerklank, want het leek ook voor een ander doel bijzonder interessant: de indijking van de verfransing van de Rand die de groeiende stad met zich meebracht. Zo kreeg het Groene Gordelbeleid in de loop van de volgende decennia vorm in opeenvolgende gewest- en structuurplannen van de Vlaamse overheid. De vrijwaring van groengebieden en de beperkingen voor flatgebouwen, maakten het contrast met het Brussels Gewest steeds groter. Zo kneedde de Groene Gordel mee aan de Vlaamse Rand. Een merkwaardige ommekeer omdat net de stedelijke Franstalige klasse ze mee had gevormd. De Groene Gordel werd niet zomaar een gebiedsnaam. Het is intussen de merknaam waarmee de provincie Vlaams-Brabant de streek promoot. Eens te meer een strategische keuze, want maar weinig bewoners verbinden zich met de naam. In het Pajottenland blijven ze liever Pajot.

15 km politieke moed

Op vrije dagen zakken die Pajotten en bewoners van de westelijke stadsrand naar Gaasbeek af. Het plaatselijke ijssalon doet er gouden zaken. In het park Drie Fonteinen klinken de talen van de picknickende families zuiderser dan van de flaneurs in dreven van Tervuren, waar Engels, Duits of Frans de toon bepalen. De parken zijn een afspiegeling van hun omgeving. Maar de band met de stad blijft broos. Van de oorspronkelijke 20.000 ha blijven er van het Zoniënwoud ca. 4.400 ha over. In wat rest, doorsnijdt de drukke R0 het woud. De druk van de stad op het groene ecosysteem dat haar omringt, blijft hoog, maar het draagvlak voor de opwaardering van de groene ruimte stijgt evenzeer. In Groenendaal verbindt een ecoduct intussen de twee wouddelen die door de Ring gescheiden waren en in het Horizon+ -programma vormen beekdalen de link tussen het Meerdaalwoud, het Zoniënwoud en het Hallerbos. Ecologische ontsnippering is daarbij het uitgangspunt. De oprichting van een Nationaal Park Brabantse Wouden dat de bossen van het Kolenwoud opnieuw moet verbinden, lijkt een volgende logische stap. De toegenomen aandacht voor het groen doet sommige bestuurders ook verder dromen, over een 15 km lange overkapping van de Ring tussen Waterloo en WezembeekOppem, een ontsnippering op zijn Antwerps. Maar wie rommelt in de marge van de grootstad, kan geheid op protest rekenen. De schaarse ruimte blijft beperkt. De landbouwers bij monde van de Boerenbond vrezen voor een hogere druk op de landbouwgebieden in de Rand. De strijd om de resterende open ruimte woedt permanent.

De weg van Ruusbroec

De groene ruimte rond Brussel blijft voor vele stads- en randbewoners belangrijk. Ruusbroec was in zekere zin een voorloper. Al was zijn motivatie religieus geïnspireerd, zijn uitgangspunt blijft herkenbaar: weg van de prikkels in de stad, zocht hij de rust van het bos om zich te richten op wat echt belangrijk was. Het bos werkt nu ook nog als remedie tegen de druk van alledag. Die helende werking is voor het Agentschap Natuur en Bos intussen een overtuigingsargument geworden. Het benoemt het tekort aan groene ruimte zelfs als nature deficit disorder, een psychologische aandoening waarvoor natuurwandelingen het beste antidotum zijn.

Maar de openstelling van al dat groen heeft ook een keerzijde, niet het minst voor de natuur zelf. In het voorjaar is het in het Hallerbos intussen koppen lopen tussen de paarse hyacinten. De natuur bood voor velen ook één van de weinige ontspanningsmogelijkheden tijdens de voorbije lockdownperiodes. Daardoor was het in het bos bij momenten drukker dan in de stad. Wandelaars, fietsers en joggers moesten opletten om niet over elkaars voeten of wielen te struikelen. En de bosbewoners zelf, die moesten er maar mee kunnen leven.

Nu het groen in de Rand van iedereen is, krijgt de vraag over de vrije bewegingsruimte in de natuur een nieuwe dimensie.

Nu het groen in de Rand van iedereen is, krijgt de vraag over de vrije bewegingsruimte in de natuur een nieuwe dimensie. De vraag is niet meer van wie het groen is, maar wel hoeveel van de overblijvende natuur we ons toe-eigenen en hoeveel we overlaten aan de natuur zelf. Dat is een ethische afweging. Gaan we bossen met elkaar verbinden of gaan we ze ook meer promoten? Hoeveel plaats maken we bijvoorbeeld voor recreatie en ontsluiting? En vooral, kunnen we ervoor zorgen dat de groene ruimte een ander soort plek blijft en niet op een groene versie van de stad gaat lijken met verkeersborden, gescheiden wegen voor wandelaars en fietsers apart en steeds meer regels om natuurgebruik beheersbaar te houden? Want dan blijft er van balans zoeken niet veel meer overeind. Iets om over na te denken tijdens een volgende wandeling in Groenendaal.