01 sep '19

De zoektocht naar de juiste klank

591
door Anne Peeters
Een beetje verborgen in het golvende groen van de streek rond Galmaarden ligt het atelier van instrumentenbouwer Joris Potvlieghe. Zijn werk wordt wereldwijd geapprecieerd door liefhebbers van de pure, zuivere muziek.

Hoe wordt iemand klavierbouwer? Het is meer dan een beroep. Het is een vak, een ambacht, een passie en misschien zelfs een roeping. Dat merk je als je Joris Potvlieghe (51) ontmoet. In zijn atelier in Tollembeek bouwt hij orgels en clavichorden. ‘Van toen ik op mijn vijfde in het atelier van mijn vader tussen de houtkrullen speelde, wist ik dat ik instrumentenbouwer wilde worden.’ Joris zijn vader is de orgelbouwer Ghislain Potvlieghe, zijn moeder is beeldhouwster Gis De Maeyer. Op zijn zeventiende bouwde Joris zijn eerste clavichord. Jos Van Immerseel was meteen gecharmeerd door dit allereerste instrument van de tiener. Ondertussen heeft hij een wachtlijst aan bestellingen. Potvlieghe heeft een sterke reputatie bij de muziekkenners. Barokspecialist Miklós Spányi koos bijvoorbeeld voor een instrument van Potvlieghe voor zijn opnames van het verzamelde klavierwerk van Carl Philipp Emmanuel Bach, dé clavichord-componist.

EEN VAK APART

De jongen van toen is ondertussen een in binnen- en buitenland gerenommeerde orgel- en clavichordenbouwer geworden. Voor de barokke Sint-Michielskerk in Leuven is Potvlieghe een Contius-orgel aan het bouwen, een prestigieus project. Het wordt een groot Bach-orgel met 39 registers. In zijn atelier staat de onderbouw van het Contius-orgel dat hij aan het bouwen is voor de gemeente Wondelgem. Een windlade waar de orgelpijpen in moeten komen, staat ervoor. ‘Van eik. Soms wordt ook lindenhout gebruikt, maar daar komt sneller houtworm in.’ Hij toont het snijwerk, legt uit hoe en waarom hij zelf zijn beenderlijm en vislijm maakt. ‘Het lijkt wel of die één wordt met het hout; synthetische lijm vormt toch een dunne film die absorberend werkt bij trillingen en dat heeft dan weer invloed op de klank.’

Hij vertelt over het hout dat hij hoogstpersoonlijk gaat selecteren in de Jura en dat gekliefd moet worden met de vezel mee om de perfecte klank te krijgen. ‘Gewoon verzagen is geen optie.’ Hij toont de speciale tinlegering die hij gebruikt om platen te gieten waarmee de orgelpijpen worden gemaakt. ‘Da’s zwaar werk, manueel allemaal, maar echt nodig, want als je dat machinaal doet, is de klank niet goed.’ In de Sint-Servaasbasiliek van Grimbergen staat zijn eerste compleet zelfgebouwde orgel dat door kenners sterk wordt geapprecieerd. Volgens de bekende organist Kamiel D’Hooghe is het ‘een meesterworp’. Zijn allereerste grote orgel-opdracht was de restauratie van het grote Jean Le Royer-orgel uit 1662 in de Sint-Pieterskerk in Turnhout, Potvlieghe was toen een prille twintiger.

ONDER DE VLEUGELS VANDAAN

In 1991 begint hij in Tollembeek met zijn eigen atelier. Hij vindt er een huis met atelier dat groot genoeg is. ‘Dat werd tijd’, zegt hij daar nu over. ‘Als kind heb ik natuurlijk ontzettend veel van mijn vader geleerd. Begrippen, inzichten, materiaalkennis, techniek, ik kreeg het allemaal automatisch mee. Er bestond geen enkele opleiding waar je dat kon leren. In die zin is het echt een ambacht. Deze zaken zijn voor mij heel vanzelfsprekend omdat ik ermee ben opgegroeid. Maar: het werd tijd om onder de vleugels van mijn vader uit te komen. Hij had zo zijn principes. Dat je als muzikant geboren wordt: je hebt het of je hebt het niet. Zoals Mozart, weet je wel? Maar je mag natuurlijk niet vergeten dat vader Leopold Mozart de meest begaafde muziekpedagoog van Europa was in zijn tijd. Dat spontane en intuïtieve, daarin was mijn vader natuurlijk beïnvloed door zijn tijd, door het vrijheidsdenken van de jaren 1960. Zelf voelde ik de behoefte om mijn kennis over instrumentenbouw ook theoretisch te onderbouwen. Ik ben eerst enkele jaren musicologie gaan studeren in Leuven en daarna muziekgeschiedenis aan het conservatorium van Brussel, en klavier aan het conservatorium van Mechelen. Ik ben geen virtuoos, maar ik vind wel dat ik goed genoeg moet kunnen spelen om muzikanten te begrijpen als ze praten over hoe een instrument hun spel beïnvloedt.’

CLAVICORD WAS POPULAIR

Hoe komt een zeventienjarige erop om een vergeten instrument te bouwen? ‘In de 17e en 18e eeuw waren clavichorden heel populair. In die tijd werden ze belangrijker gevonden dan het clavecimbel of de pianoforte. Nadien zijn ze op de achtergrond geraakt. Maar Johann Sebastian Bach’s pedagogische klassieker Das Wolhtemperierte Klavier is geschreven voor clavichord, al kan je het natuurlijk op alle klavierinstrumenten spelen: clavichord, clavecimbel, orgel. Met het Duitse woord Klavier, dat eigenlijk alle toetseninstrumenten aanduidt, werd in de eerste plaats het clavichord bedoeld.

‘Ik ben geen virtuoos, maar ik vind wel dat ik goed genoeg moet kunnen spelen om muzikanten te begrijpen.’

Het was het leerinstrument dat in je in die tijd in de huiskamers terugvond, maar ook het instrument voor professionele muzikanten. Het was het instrument waarop Bach, Mozart en Beethoven werkten voor hun composities. De klank is zacht en lijkt op die van een luit. Door de typische techniek – op het einde van elke toets zit een messing plaatje, een tangent die tegen de bovenliggende snaar slaat – zijn heel veel klanknuances en zelfs een vibrato mogelijk.’

Op zijn zelfgebouwde clavichord – opus nummer 50 – in zijn woonkamer speelt Potvlieghe een van de Franse suites van Bach. Die klinkt, ondanks de complexiteit, verrassend eenvoudig, helder en puur. De zoektocht naar de juiste klank beheerst zijn werk. Hij bouwt zijn clavichorden naar Saksisch model, zoals de instrumenten van 17e en 18e eeuwse collega’s als Gottfried Silbermann, Gottfried Joseph Horn en Philipp Jacob Specken, maar het zijn geen exacte kopies.

ELK INSTRUMENT IS UNIEK

‘Bij mijn twaalfde clavichord in 1991 heb ik geprobeerd een nauwkeurige kopie te maken van een Horn-clavichord. Ik had alles tot op de millimeter opgemeten, maar toen de instrumenten naast elkaar stonden in het museum bleek de klank toch helemaal anders, ook al zagen ze er hetzelfde uit. Toen besefte ik dat je bouwt naar wat je (her)kent, maar dat er nog heel veel is wat je níet weet als bouwer. Mijn ontzag is groot voor de kennis over de materialen die bouwers uit die tijd hadden. En ik begon te beseffen: de eigenschappen van elk instrument vloeien voort uit de keuzes die de bouwers hebben gemaakt qua materialen en toepassingen. In onze tijd van gestandaardiseerde productie is dat nog moeilijk te begrijpen. Elk instrument is uniek, een meesterwerk op zich door de keuzes van zijn maker. Ik heb vanaf mijn eerste clavichord geëxperimenteerd met kleine en soms grotere wijzigingen, om telkens het best mogelijke instrument te bouwen. Ik bouw mijn instrumenten ook niet meer op basis van precieze afmetingen, maar vertrek van een cirkel in een twaalfdelig stelsel, volgens een systeem van proporties. Dat klopt verrassend goed, de oude meesters gebruikten het volgens mij ook. Dan gebruik je ook oude lengtematen zoals voet en duim, je werkt niet meer in het huidige decimale stelsel. Het is een manier van denken die we verleerd zijn, maar die perfect klopt. In de muziek, in de harmonie zit ook een soort wiskundige schoonheid. De gulden snede is ook van toepassing op de bouw van orgels en clavichorden.’

 Wil je meer weten over de instrumenten en de projecten van Joris Potvlieghe? www.clavichord.be