01 apr '23

‘Ik ben altijd een verteller geweest’

4173
door Anne Peeters
Nadja Van Sever (57) is al meer dan dertig jaar juf in de gemeentelijke basisschool van Tervuren. Zo’n juf van wie kinderen zich jaren later zullen herinneren hoe goed ze kon vertellen. Een juf die samen met hen een boek schreef, en zo zelf jeugdboekenschrijfster werd.

Juf of schrijfster: wat doe je het liefste?

‘Mijn eerste droom was leerkracht worden, mijn tweede om iets met schrijven te doen. In de lagere school was ik het kind dat haar opstellen mocht voorlezen, in de middelbare school deed ik niets liever dan schrijfopdrachten. Als kind was ik een fervente lezer. Ik schreef ook zelf verhalen, deed mee aan wedstrijden die ik af en toe won. In het middelbaar had ik een fijne leerkracht die het schrijven aanmoedigde. Ik voelde dat ik er goed in was. En hoe gaat dat dan? Je doet het graag, je schrijft veel, je wordt er beter in.

Een beetje schrijven is één ding, maarhoe schrijf je een heel boek?

‘Toen ik een aantal jaren voor de klas stond, heb ik een schrijfcursus gevolgd bij de Lodewijk De Raet-stichting. Want ja, een boek schrijven, hoe begin je daaraan? Daar heb ik geleerd hoe je structuur aanbrengt, een plot uitwerkt, wat je met hoofd- en zijpersonages kan doen. Kortom het hele schrijfproces. Een jaar of tien geleden stond ik in het vierde leerjaar en mocht ik met de hele school een project uitwerken. Ik besloot een boek te schrijven. Leerlingen gaven hun input op briefjes, verzonnen samen het verhaal en ik werkte het verder uit. Dat was heel intensief, maar ook heel tof. Overdag met de kinderen werken aan dit schrijfproject, ’s avonds en in het weekend redigeren. Zo is De magische pen ontstaan, het verhaal van Mats, een jongen met dyslexie die gepest wordt op school.’

‘Omdat ze er mee aan geschreven hadden, vonden de kinderen het natuurlijk een superleuk boek. Ik voelde ook dat het verhaal een vraag of zelfs een nood opvulde. Hoe begrijp je wat dyslexie betekent voor een kind? Hoe ga je ermee om, in de klas, thuis? Dat zou voor andere scholen, klassen en kinderen ook waardevol kunnen zijn. Zou het lukken om het boek uitgegeven te krijgen? Ik heb het manuscript opgestuurd naar uitgeverij Clavis die het wilde publiceren. Alle kinderen kregen een gratis exemplaar en op school kwam Karrewiet langs voor een reportage. Daarmee was mijn eerste boek gelanceerd. Op De magische pen heb ik veel positieve commentaren gekregen.’

Het was uit het leven gegrepen?

‘Inderdaad. Ik heb gemerkt dat thematisch werken mij ligt. Met Het gelaarsde varkentje heb ik verhaaltjes over dieren geschreven, maar daar haalde ik toch minder voldoening uit. Een koekje van eigen deeg gaat over pesten. Fien gaat over ASS of autismespectrumstoornis en hoe anders de wereld er dan uitziet. Weg met de juf gaat over een jongen met ADD, een aandachtstoornis. Samen op de vlucht is het waargebeurde verhaal van twee Afghaanse jongens op de vlucht. Het zijn niet altijd toegankelijke of gemakkelijke thema’s. Het geheim van meester Daan gaat bijvoorbeeld over transgenders. Met mijn boeken hoop ik zo’n thema’s meer bespreekbaar te maken, ook bij kinderen.

Met mijn boeken hoop ik zware thema’s meer bespreekbaar te maken, ook bij kinderen.

Hoe ik die thema’s vind? Zij vinden mij. Ik geef vaak lezingen in scholen en bibliotheken. Na zo’n lezing sprak de bibliothecaris van Tervuren mij aan over een mama die een boek zocht om aan haar zoontje te vertellen over haar sterrenkindje, het doodgeboren zusje. Zo is De rode ballon er gekomen. Met een verhaal worden moeilijke dingen vaak meer bespreekbaar.’

Het zijn toch heftige onderwerpen.

‘Die reactie krijg ik vaker van volwassenen: Da’s toch heel zwaar, is dat niet te belastend voor kinderen? Het zijn geen sprookjes, geen detectives, dat klopt. Het is een confrontatie met de realiteit zoals ze is, maar wel op een leuke manier gebracht, met de nodige fantasie en humor. Fantasie is heel belangrijk. Meester Daan wordt bijvoorbeeld een zeemeermin dankzij een toverdrankje. Kinderen willen leren hoe de wereld werkt. Er zit ook altijd spanning en avontuur in mijn boeken. De bedoeling is moeilijke zaken bespreekbaar te maken en begrip te vragen voor de mensen die ermee geconfronteerd worden. Misschien is het een kind uit je klas, of je buurmeisje, of een neef, of …’

Schrijf je al je boeken samen met je klas?

‘Nee, De magische pen was eenmalig. Op dit moment sta ik in een OKAN-klas (onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers). De taalvaardigheid in het Nederlands is er niet sterk genoeg. Met hen werk ik op andere manieren aan hun taal- en schrijfvaardigheden. Dat maakt het onderwijs zo boeiend: je bent telkens op een andere manier bezig met taal, met lees- en schrijfbevordering. En met inclusiviteit. Al die aspecten komen samen in het lesgeven en in mijn boeken.’

Zijn school en schrijven nu strikt gescheiden?

‘Nee, helemaal niet. Wanneer ik een boek heb geschreven, lees ik het voor op school voor het naar de eindredacteur gaat. Aan de reacties van mijn leerlingen merk ik waar ze mee zijn in het verhaal, waar ze enthousiast over zijn, wat ze grappig of spannend vinden, maar ook wat ik nog moet bijschaven. Eigenlijk is lesgeven niet zo heel verschillend van jeugdboeken schrijven. Als leerkracht ben je ook een verhalenverteller. Dat moet ook. Zo kan je kinderen boeien en hun aandacht vasthouden. Ik ben eigenlijk altijd een verteller geweest. Als we met een groep op stap gaan, ben ik altijd diegene die spontaan begint te vertellen. Ik ben heel gedreven om de kinderen hun wereld te verbreden. Ik vertel verhalen over geschiedenis, andere culturen, andere landen.’

Ondertussen werk je halftijds als leerkracht en halftijds als schrijfster.

‘Anders is het niet haalbaar om te blijven schrijven. Het schrijven zelf is een vrij eenzame bezigheid, waar je de nodige discipline voor moet opbrengen. Ik ben daar strikt in. Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag zit ik van half negen tot twaalf uur aan mijn bureau en schrijf ik. Dat gaat niet in één ruk, je moet regelmatig herlezen, herschrijven, schaven tot het af is. Als je het leest, ziet het er – hopelijk – uit alsof het er in een keer is uitgerold, maar de realiteit is anders. Een boek groeit in je hoofd, en dat kost tijd. Bovendien doe ik altijd uitgebreid research. Dat is zeer verrijkend voor mezelf.’

Hoe krijg je kinderen aan het lezen?

‘Voorlezen, voorlezen, voorlezen. Voorlezen is een must, thuis en in de klas. Je moet het aanbieden en voordoen. Elke keer weer opnieuw, tot je kind ontdekt dat er met elk boek een nieuwe wereld opengaat. En: het juiste boek voor het juiste kind vinden, is belangrijk. Soms gaat dat over herkenning, soms over spanning of fantasie. Het grootste compliment is wanneer ouders zeggen: Mijn kind leest nooit, maar jouw boek heeft hij/ zij verslonden!

Zal je ooit een boek voor volwassenen schrijven?

‘Ik denk het niet. Voorlopig heb ik nog genoeg kinderboeken in mijn hoofd. Nu ben ik bezig aan een boek over kansarmoede. Dat verschijnt volgend jaar. Oorlogshelden is voor dit jaar. Het gaat over de Tweede Wereldoorlog en speelt zich af in Wezembeek-Oppem en Leuven. Ik werk in Tervuren, woon in Duisburg maar ben afkomstig uit Wezembeek. Mijn vader heeft de oorlog meegemaakt, zijn ouders waren boeren. Ik heb papa en zijn broer uitgebreid geïnterviewd over hoe zij als kind de oorlog hebben ervaren. Mijn schoonmoeder komt uit Brugge, zij was de dochter van een officier. Ze heeft de oorlog op een heel andere manier meegemaakt. Haar verhaal heb ik naar een andere stad, naar Leuven getransponeerd. Ik denk dat dit thema goed zal aanslaan, zeker omdat het op waargebeurde feiten is gebaseerd en ik ook vertel over de razzia die plaatsvond in het Joodse weeshuis van Wezembeek-Oppem. Dankzij wijlen Reinier Heinsman, een medewerker van de Kazerne Dossin die hier research over deed, kwam ik in contact met Henri Wolfe. Hij overleefde de oorlog, woont in New York, maar we hebben regelmatig contact.’

‘Er speelt nog een ander idee door mijn hoofd. In Duisburg ben ik actief in de Mutoto-groep, een organisatie die zich inzet voor straatkinderen in Congo. In de paasvakantie vertrek ik naar Lubumbashi. Het koloniale verleden, de bijzondere band met Congo, het Afrikamuseum hier in Tervuren; daar zit potentieel in. Dat zou wel eens een bijzonder boek kunnen worden.’