01 nov '23

‘Ik ga niet naar mijn werk,
ik ga naar mijn serre’

1825
door Anne Peeters
In de jaren 60 waren er in de regio Overijse-Hoeilaart een 3.000 serristen actief, nu blijven er nog amper 10 over. Philip Dewit is blij dat ook de vijfde generatie Dewit voor de druiven kiest.

Ik ben de vierde generatie Dewit in de druiventeelt en ik ben daar trots op. Vandaag zijn we misschien de grootste, maar honderd jaar geleden was dat anders.’ Hoe word je druiventeler? ‘Tja, ik heb het met de paplepel binnen gekregen. Toen we klein waren, mochten we – moesten we – mee helpen en na een tijd vond ik er plezier in om de druiven te zien groeien. Ik kreeg de microbe te pakken en heb beslist om thuis te blijven om mee te werken in het bedrijf van mijn vader Urbain. Als serrist ga je eigenlijk nooit met pensioen. Mijn vader is ondertussen 92 jaar. Tot een jaar of twee geleden kon hij het niet laten om nog mee te helpen. Hij sprong bij in de verkoop en deed geregeld een babbeltje met de mensen. Druiventeler ben je, het zit in je bloed, en dat stopt niet. Als ik binnen een paar jaar recht heb op mijn pensioen ga ik ook niet meteen stoppen. Ik zal mijn zoon Koen blijven helpen zolang ik kan.’

Het is een zware en onzekere stiel. Veel familiebedrijven zijn ermee gestopt. Het is niet evident voor de volgende generatie om erin te stappen. Jouw zoon Koen (33) heeft besloten om dat wel te doen. Hij is daarmee de jongste professionele teler van het land. Wat betekent dat voor jou?

‘Ik ben heel blij en trots dat de vijfde generatie mee in het bedrijf stapt. Het betekent dat ik niet hoef af te bouwen. Het getuigt ook van een positieve ingesteldheid. Als je je vader elke dag uit de serre ziet komen en hoort klagen dat het hard werken is en dat je niks verdient, dan is de kans klein dat je zin krijgt om verder te doen. Als je je vader hoort zeggen dat het plezant is en hoort vertellen wat er allemaal is gebeurd die dag, dan is dat iets anders. Het is een mooi vak. Het is hard werken, maar je kan doen wat je wil, je deelt zelf je dag in. In dat opzicht heb je veel vrijheid. Ons grote geluk is dat elke generatie er vol voor gegaan is. Hoe klein het ook was in het begin, elke generatie is mee geëvolueerd en heeft telkens gemoderniseerd. Dat heeft ervoor gezorgd dat we nu staan waar we staan: een groot, modern bedrijf. Dat maakt het voor de volgende generatie natuurlijk wat makkelijker om het bedrijf over te nemen. Wij werken ondertussen computergestuurd. Dat betekent dat je niet continu thuis moet blijven. Vroeger moest er iemand thuis zijn om de serres vanaf januari tot na de oogst te verluchten, zoals een landbouwer bij zijn dieren moet blijven. Dat was voor veel jonge mensen een reden om ermee te stoppen. Ze wilden niet altijd aan huis gebonden zijn.’

‘Koen werkt ondertussen al ruim tien jaar mee. Toen hij 18 jaar was, wilde hij thuisblijven en helpen. Op dat moment hebben mijn vrouw en ik hem toch ‘verplicht’ om in Leuven te gaan studeren, net zoals zijn twee zussen. Na twee jaar had hij meer van het nachtleven gezien dan van de leslokalen … Toen werd duidelijk dat hij hier in het bedrijf meer kon doen. Hij is er mee ingestapt en tot nu toe hebben wij ons dat geen minuut beklaagd. Het is een intensieve job, maar er zit heel veel afwisseling in: snoeien, aanbinden, oogsten, verkopen, aan de serres werken, … Vervelen doe je je nooit.’

Druiventeler ben je, het zit in je bloed, en dat stopt niet.

Zou je er opnieuw voor kiezen met alles wat je nu weet?

‘Absoluut. Ik heb het altijd met veel plezier gedaan, geen dag tegen mijn goesting gewerkt. Ik ga niet naar mijn werk, ik ga naar mijn serre. Ook op zaterdag en zondag, ook als er niks te werken valt, ik ga graag kijken. Je ziet de druiven elke dag groeien en veranderen. Dat is zo mooi, het hele jaar door. Mensen denken vaak dat er in de winter niets te doen is, maar vergis je niet, eens de oogst achter de rug moet in de serres alle blad van de vroege soorten geplukt worden. Voor die soorten is het al winter. Geplukt, gesnoeid, analyse van de grond, bemesting, … Dat moet allemaal gebeuren, zodat in januari de verwarming aan kan en de druiven kunnen beginnen groeien. Het onderhoud van de serres, da’s ook winterwerk. Ik kan je garanderen dat er genoeg te doen valt. Mensen verkijken zich daar wel eens op. Op de markt noemen ze me soms een luxebeest, want ik sta er maar vier maanden. Doe jij soms een winterslaap of zo?, vragen ze dan. Totdat ik hen vertel wat er allemaal moet gebeuren. Ook de mensen die de Belgische druiven heel duur vinden, beseffen niet goed hoeveel werk erin kruipt. Op de Dag van de Landbouw zetten we de deuren van onze serres open, dan kunnen mensen komen kijken en zien ze wat er allemaal bij komt kijken. En ze gaan met een mooi verhaal naar huis.’

Kan je het vak aanleren?

‘Ja, maar het zal met vallen en opstaan gaan. Een klein probleem kan uitgroeien tot een groot probleem als je het niet meteen hebt opgemerkt. Toen ik begon, gaf mijn vader me vaak raad: hé jongen, kijk daar eens naar. Dat advies is goud waard. Als je dat niet krijgt, is het een pak moeilijker. Mijn grootvader is gestorven toen mijn vader amper 17 jaar was. Hij zei geregeld: Als ik vroeger de hulp had gehad die jij nu hebt, dan had ik ondertussen veel verder gestaan. In dat opzicht heb ik het geluk gehad om veel van thuis uit mee te hebben gekregen.’

Bestaat er een specifieke opleiding voor?

‘Twee jaar geleden heb ik met de Boerenbond en de provincie Vlaams-Brabant meegewerkt aan een opleiding voor landen tuinbouwers: Tafeldruif zoekt teler. Er was veel interesse, maar uiteindelijk zijn er maar tien kandidaten afgestudeerd. Tja, de druiventeelt is en blijft heel intensief en dat schrikt mensen af.’

Welk advies zou je geven aan mensen die druiven willen telen als hobby?

‘Informeer je goed. Lees veel. Volg een cursus. Het helpt als je groene vingers hebt en graag in de tuin werkt. Besef dat er veel werk komt bij kijken, zelfs in een kleine serre. Het uitkorrelen bijvoorbeeld, het handmatig bijknippen van elke tros zodat de kleine en middelgrote druifjes eruit gaan en de grote druiven plaats krijgen, daar ben je in een kleine serre een week lang, elke dag tien uur mee bezig. Begin je pas? De eerste drie jaar kweek je geen druiven, maar blad. Véél blad. Dat is nodig om de stok goed te laten wortelen. Je mag dat niet forceren. Pas als je goede wortels hebt, krijg je opbrengst. Qua ras zijn de muskaatdruiven en de Leopold III-druiven die wij hebben moeilijk te kweken in niet verwarmde serres, al lukt dat door de klimaatopwarming misschien toch ondertussen. Dan kies je beter voor een ras als Royal en Ribier.’

De regio van Overijse en Hoeilaart staat bekend als de druivenstreek. Toch zijn er steeds minder telers.

‘In de jaren 60, toen mijn vader het bedrijf leidde, waren er 3.000 druiventelers. In de jaren 80 waren we nog met een kleine 500, nu zijn we nog met 10. Het is sterk achteruit gegaan. Natuurlijk, de bedrijven van nu zijn veel groter dan die van 100 jaar geleden, maar toch.’

Minder bedrijven betekent minder concurrentie?

‘We zijn collega’s. Eens de verkoop begint, zijn we concullega’s. Logisch: iedereen wil zijn oogst verkopen. Vroeger was de concurrentie veel scherper. Ondertussen zijn we met zo weinig dat er meer vraag is dan aanbod. Dat maakt het gemakkelijker om goede collega’s te blijven.’

Druiven telen is meer dan een economische activiteit, het is ook een stukje behouden van de cultuur en eigenheid van de streek. Ben je daar actief mee bezig?

‘We werken samen met de toeristische dienst, geven rondleidingen in onze serres, … Daarmee dragen we bij om de geschiedenis van het Glazen Dorp te vertellen. Je vindt hier in de streek nog prachtige serristenvilla’s in een specifieke bouwstijl met veel wit houtwerk. Het zijn niet altijd serristen meer die erin wonen, maar ze vertellen nog altijd het verhaal van onze streek.’