01 mei '19

Dieren met
een tweede leven

904
door Michaël Bellon
Voor sommige dieren bestaat het hiernamaals. Het edele beroep van de taxidermie maakt het mogelijk om beesten, die het bijltje erbij neergelegd hebben, een tweede leven te bezorgen in een museum, een school, een wetenschappelijke instelling of een hip interieur.

Als taxidermist van het Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen weet Christophe Demey uit Opwijk hoe dat moet. Langs een wirwar van gangen, trappen en zalen leidt hij ons naar het nieuwe gebouwtje achter het museum waar zijn atelier is gevestigd. Hij is, samen met Ellen Carlier, de enige taxidermist van het Instituut. In de ruimte hangen een aantal vogels – waaronder een kraanvogel – waarheidsgetrouw te vliegen. ‘Momenteel zijn we bezig aan de voorbereidingen van de tentoonstelling Vogels in vlucht die in 2020 zal plaatshebben. Daarom zijn we nu vogels aan het naturaliseren.’

Dat is onze eerste les: zeg niet langer ‘dieren opzetten’, maar ‘dieren naturaliseren’. Demey: ‘Taxidermie evolueert. Vroeger vulde men de dieren op met stro. Nu plaatsen we het vel van het dier over een body uit kunststof.’ Zo’n body kan je op verschillende manieren bekomen. Demey haalt een dikke catalogus tevoorschijn met de modellen die op internet te koop zijn. Ook om ogen te bestellen hoef je de Latijnse soortnaam en de maten maar in te voeren en je krijgt ze geleverd. 

Toch blijft het een uitdagend ambacht. ‘Als je iets artistieker bent aangelegd, zoals wij, dan kan je de body’s ook zelf maken door afgietsels te maken of de contouren van het dier te sculpteren.’

KNEPEN VAN HET VAK

Demey en zijn collega werken enkel voor we tenschappelijke en educatieve  doeleinden, niet voor particulieren. ‘Daarvoor verwijs ik door naar een collega­taxidermist zoals Carlos Heymans van Second Life Art. Mensen laten vaker hun huisdier naturaliseren en taxidermie is ook meer en meer in trek voor modeshows of binnenhuisarchitectuur. Je hebt zelfs bedrijven die dieren prepareren voor verhuur.’

Toch zullen er nog altijd weinig kinderen zijn die zeggen dat ze later taxidermist willen worden. ‘Ik had dat zelf ook nooit gedacht. Ik ben hier in de afdeling Vertebraten begonnen en toen ik mijn voorgangers aan het werk zag, wist ik meteen dat ik dit ook wilde. In België is er geen opleiding taxidermie, je leert de knepen van het vak van een collega. Je moet handig zijn en tegen een spatje bloed kunnen.’

Wat zijn die knepen van het vak? ‘Elk dier dat hier binnenkomt gaat eerst voor minstens drie weken in de diepvries om de parasieten te doden. Na het ontdooien beginnen we met villen. Daarna wordt de huid gewassen en gelooid. Ondertussen maken we de body waar het vel overheen kan. Natuurlijk past het vel niet altijd perfect op de body en moet je aanpassingen doen. Bij zoogdieren is de expressie belangrijk. Als de ogen niet goed staan, heb je een probleem, want de ogen bepalen veel.’

Zijn alle dieren even makkelijk? ‘Vissen en reptielen doen we in het instituut niet meer omdat daarvoor de bewaarplaats ontbreekt. Die gaan in bokalen met alcohol. Insecten worden in een andere afdeling gedroogd en opgeprikt. Ikzelf doe het liefst vogels. Schildpadden met hun harde karkas zijn het moeilijkst.’

DIERENLIEFDE

Hoe komen de dieren hier terecht? ‘Dat kunnen donaties zijn van mensen die dieren vinden op straat. We werken ook samen met de Zoo van Antwerpen, en mijn collega’s gaan regelmatig naar revalidatiecentra waar ze dieren ophalen die het niet gehaald hebben. Natuurlijk moet je ook de wetgeving naleven en die is in België behoorlijk strikt.’ Aan werk is er geen gebrek. We mogen even een kijkje nemen in de diepvriesruimte waar nog een hele zoo aan wasberen, herten en zelfs een gevilde komodovaraan ligt te wachten. ‘Het is een gevarieerde job. Onlangs kregen we de kans om de laatste tijger van de Zoo van Antwerpen te naturaliseren. Na drie maanden was Jessie klaar. Zij zal voor het eerst te zien zijn op de permanente tentoonstelling Levende Planeet. Voelen jullie dierenliefde tijdens het werk? ‘Ja, anders zouden we het niet doen. Wij geven deze dieren een tweede leven.’