01 nov '21

Wat is de temperatuur
bij de gemeenten?

485
door Liesbeth Bernolet
De voorbije maanden legden vzw ‘de Rand’ en het Team Vlaamse Rand van het Agentschap Binnenlands Bestuur hun oor te luister bij de lokale besturen in de Vlaamse Rand.

Met deze ‘Ronde van de Rand’ willen ze de noden van de gemeenten uit de regio beter detecteren, zodat uitdagingen meer op maat kunnen worden aangepakt.

Nu zo goed als elke gemeente is bevraagd, is het stilaan tijd voor de conclusies. Eén grote gemene deler blijkt duidelijk: de snelheid waarmee de bevolking in de Rand toeneemt en verandert, stelt de lokale besturen voor een aantal niet te onderschatten uitdagingen. ‘De gemeenten en steden in onze regio hebben nood aan bijkomende beleidsinstrumenten, extra financiering en een gerichte ondersteuning op maat, want zij kunnen deze snelheid van evolutie niet volgen’, zegt Jo Van Vaerenbergh, algemeen directeur van vzw ‘de Rand’.

De lokale besturen in de Vlaamse Rand hebben het niet gemakkelijk, weet Van Vaerenbergh. ‘De bevolking wordt almaar meer divers en blijft aan een grote snelheid toenemen, waardoor de gemeentebesturen steeds vaker worden geconfronteerd met uitdagingen die in het verleden uitsluitend aan de grotere steden werden gelinkt. Hun bestaand beleid is daar niet altijd op voorzien. Zeker niet als je weet dat gemeenten in de Rand gemiddeld ook minder mensen in dienst hebben dan andere Vlaamse gemeenten.’

Te weinig volk, te weinig geld

Behalve de beperkte bestaffing hebben de lokale besturen in de Rand ook te weinig middelen om die uitdagingen aan te pakken. ‘Integratie speelt zich vooral af in de lokale context en is dus logischerwijs een opdracht van de lokale besturen’, aldus Van Vaerenbergh. Alleen zijn de middelen die Vlaanderen uitreikt voor bijvoorbeeld jeugdbeleid of integratie via het planlastendecreet onderdeel geworden van de reguliere gemeentefinanciering. Die middelen zijn vastgelegd op basis van de toekenning in 2014. Maar in de Rand evolueert de situatie veel sneller dan voorzien, waardoor de middelen al lang niet meer toereikend zijn en we achter de feiten blijven aan lopen.’ Ondertussen bestaat de Vlaamse top 20 van gemeenten met inwoners van vreemde herkomst voor de helft uit randgemeenten. Al die gemeenten zouden onder het oude systeem meer middelen krijgen. Nu is dat niet het geval. Meer zelfs: vijf van die tien gemeenten krijgen helemaal geen middelen. Ook de meeste andere gemeenten uit de Vlaamse Rand, zoals Meise en Overijse, geven aan absoluut prioriteit te willen geven aan onthaal en integratie, maar ook zij krijgen daarvoor geen extra middelen. Het wordt dringend tijd dat we daar op Vlaams niveau een oplossing voor vinden.’

Jo Van Vaerenbergh: ‘Ik pleit voor meer gemeentelijke middelen om de integratieuitdagingen op maat te kunnen aanpakken.’

Transitiezone

Van Vaerenbergh pleit niet alleen voor meer gemeentelijke middelen om de integratieuitdagingen op maat te kunnen aanpakken, hij wijst ook op de unieke situatie in de Rand die een bovenlokale aanpak vergt. ‘Eigenlijk is de Vlaamse Rand een soort van doorgeefluik, een transitiezone. Mensen verhuizen vanuit Brussel in eerste instantie naar de meest nabije Rand. Om dan na een paar jaar door te trekken naar gemeenten als Lennik, Liedekerke, Zemst en Herent of Ninove of Denderleeuw. De verhuisbeweging vanuit de Rand gaat nu al vanuit het noordoosten tot Mechelen en Leuven, vanuit het westen tot Geraardsbergen, Zottegem en Aalst. Dus wat gemeenten in de Vlaamse Rand in een lokale context doen, heeft ook een onmiddellijke impact voor de rest van Vlaanderen. Je kan niet verwachten dat lokale besturen dat vanuit hun eigen middelen blijven doen.'

Nieuwe aanpak nodig

De Ronde van de Rand legt nog een ander pijnpunt bloot inzake subsidiëring. ‘Vlaanderen zet de laatste jaren enorm in op beleidsvoering via projectoproepen’, legt Van Vaerenbergh uit. ‘Lokale besturen met veel slagkracht tekenen daar gretig op in. Kleinere besturen, met even grote noden maar minder mankracht, hebben daar veel minder de ruimte voor. En als er dan eens ingetekend wordt, zoals onlangs met de projectoproepen Vernieuwende Projecten voor de Huizen van het Kind, blijkt dat achteraf voor acht van de negen lokale besturen in de Rand vergeefse moeite te zijn geweest. Ik kan de boosheid bij die acht besturen helemaal begrijpen. Waarom zouden ze nog moeite doen? Machelen heeft procentueel het hoogst aantal geboorten in anderstalige gezinnen van alle gemeenten in Vlaanderen, maar ziet ook deze keer de middelen weer naar vooral centrumsteden gaan.’

De snelheid waarmee de bevolking in de Rand toeneemt en verandert, stelt de lokale besturen voor niet te onderschatten uitdagingen.

Volgens Van Vaerenbergh is er nood aan een nieuw beleid en geven de lokale besturen dat ook aan. ‘Integratie stopt niet aan de gemeentegrenzen en dus werken besturen almaar meer samen. Dat moet nog meer gestimuleerd worden. Wat als de gemeenten in de Rand zich op eenzelfde manier zouden organiseren als de districten in Antwerpen? Worden we dan ook op eenzelfde manier gefinancierd en ondersteund?’, vraagt hij zich af.

Taal leren op de werkvloer

Ook de Vlaamse kijk op het onthaal van nieuwe inwoners van vreemde herkomst is dringend aan een actualisering toe. ‘Zo is het NT2-aanbod nog altijd te veel gericht op nieuwkomers die nog niet actief zijn op de arbeidsmarkt, terwijl we een grote instroom van tweeverdieners met kinderen hebben. Die mensen moet je overdag geen Nederlandse les aanbieden, maar bijvoorbeeld ’s avonds tijdens de voetbaltraining van de kinderen.’

Die nieuwe inwoners naar de arbeidsmarkt leiden, biedt ook mogelijkheden. ‘Er zijn zoveel bedrijven die met een personeelstekort kampen. Laat die plaatsen innemen door anderstaligen die de taal nog aan het leren zijn en laat hen op de werkvloer begeleiden door een taalcoach. Dat kan alleen maar renderen: die nieuwe inwoners dragen sneller bij aan de sociale zekerheid én ze verhogen hun kennis van het Nederlands.’

Onderwijs is zorgenkind

Omdat het vooral gezinnen met jonge kinderen zijn die hun weg naar onze regio vinden, liggen de grootste uitdagingen binnen de domeinen onderwijs, jeugd en sport. De nood aan extra ondersteuning is dan ook groot. ‘Het gaat zo snel dat de voorzieningen niet kunnen anticiperen. Bovendien is er in onze regio al een historische achterstand wat de onderwijs- en welzijnscapaciteit betreft.’ Vooral het onderwijs baart Van Vaerenbergh zorgen: ‘De druk die leraars ervaren om in een klas met bijvoorbeeld achttien verschillende thuistalen toch de leerdoelen te halen, is niet te onderschatten. Het is belangrijk dat zij extra ondersteund worden, want integratie is generatiewerk en het onderwijs is daar, samen met de sportclubs en de jeugdverenigingen, de motor voor.’ Voor vzw ‘de Rand’ is de ondersteuning van die beleidsdomeinen dan ook de absolute prioriteit voor de komende vijf jaar.

Kansen geven om Nederlands te oefenen

Vzw ‘de Rand’ wil ook meer inzetten op bewustmakingscampagnes en beeldvorming naar de ontvangende samenleving. ‘We horen iemand moeite doen om zich in het Nederlands uit te drukken en schakelen vanuit een aangeleerde reflex zelf over naar het Frans. Voor veel van die nieuwe inwoners is dat Frans ook maar de tweede of derde taal. We onderschatten nog te veel de resultaten die dankzij het Vlaamse beleid in Brussel worden bereikt via ons onderwijs en het Huis van het Nederlands. Geef die mensen die het Nederlands nog aan het leren zijn de kans om dat Nederlands ook effectief te oefenen. Het neemt misschien wat meer van je tijd, maar het loont op lange termijn.'

Van Vaerenbergh eindigt met een positieve noot. ‘70% van de nieuwe inwoners van de Rand komt uit Brussel en velen onder hen kiezen bewust voor onze regio. Voor hen gaat het om een soort van sociale promotie. Ze geven aan bewust te kiezen voor het aangename wonen in de Groene Rand, kiezen voor de kwaliteit van ons Nederlandstalig onderwijs en voor de toekomstige werkgelegenheidskansen van hun kinderen. Het Nederlands wordt meer en meer gezien als de taal van kansen en succes. Vijftien jaar geleden was dat nog een heel ander verhaal. Reden te meer om de lokale besturen dan ook de nodige middelen te geven om hiermee aan de slag te gaan.’