01 apr '18

‘Ontmoeting is alles’

1281
door Ines Minten
Alles draait om ontmoetingen. Ze sturen je leven, je keuzes, je werk. Ze verrijken je. Daarvan is François Beukelaers, éminence grise van het Belgische theater, doordrongen.

Van een gezapig pensioen is bij Beukelaers geen sprake. Net 80 is hij, maar hij lijkt door het leven te flaneren als een prille dertiger. Vorige week Londen, morgen Parijs, het interview past er nog net tussen. ‘Ik beweeg veel, ja. Het is onderdeel van de stiel, maar ik reis niet alleen voor het werk. Ik wil ook gewoon dingen zien en horen: een toneelstuk, tentoonstelling of concert.’ In maart stond Beukelaers nog op de planken in de herneming van Het leven en de werken van Leopold II, in een regie van Raven Ruëll voor de KVS. ‘In mei doe ik een kortfilm en daarna begin ik met Michaël De Cock en Filip Jordens aan L’Homme de la Mancha, een productie die in september in première zal gaan.’

‘Er zijn zoveel redenen om bezig te blijven. Een nieuwe tekst verstrekt je informatie over de wereld waarin je leeft en die je zelf dikwijls niet opmerkt. Boeiend. En dan de ontmoetingen. Die bende met wie we Leopold II hebben gemaakt, zijn zulke fantastische mensen. Ik ben graag bij hen. Het is aangenaam en leerrijk. Het is een avontuurlijk beroep.’

er zit niets tussen

‘Theater is synoniem voor ontmoeting’, vindt Beukelaers. ‘Theater is een gemeenschapskunst. Het is de laatste plaats waar mensen elkaar ontmoeten. Je zult misschien zeggen dat dat op de tram ook gebeurt, maar het is toch anders. De communicatie in theater is rechtstreeks, er zit niets tussen, versta je? Je komt een theaterzaal binnen en er is niets: een lege ruimte. Het doek gaat op en dan begint het. Er wordt gesproken over haat en liefde, miserie en geluk. Het doek zakt, en het is voorbij. Je hebt iets unieks meegemaakt, want de voorstelling komt nooit terug, ’s anderendaags is het toch weer anders. Dat vergankelijke van theater vind ik fantastisch.’ 

Op theater is alles vals; het is een van de mooiste omschrijvingen van theater die hij ooit heeft gehoord. De bomen zijn geen bomen, de whisky is thee. ‘In film is alles echt, maar wat ervan overblijft, zijn vlekken op een wit doek. Op een podium daarentegen staat een levend wezen zoals jijzelf, iemand waar je je direct in herkent, eerder nog dan in het verhaal.’

vagebondsziel

Zijn woonruimte in Ukkel is gevuld met kunst. De rekken staan vol met boeken, aan de wanden hangen schilderijen, vooral van bevriende kunstenaars die hij ergens onderweg is tegengekomen. ‘Als ik eens wat centen heb, durf ik ook wel wat te kopen’, lacht hij. Hij praat er enthousiast over. Over schilder Philippe Vandenberg bijvoorbeeld, die in 2009 zelfmoord pleegde, en van wie drie werken prominent aanwezig zijn. ‘L’esprit est voyageur, l’âme est vagabonde’, citeert Beukelaers uit diens oeuvre. Hij omringt zich graag met kunst. ‘Je kijkt ernaar, het houdt je even stil, het voedt je denken of het voert je terug naar herinneringen. Er gebeurt vanalles met die dingen die hier rond me staan en hangen.’ 

‘Het vergankelijke van theater vind ik fantastisch.’

Uit een kunstminnend milieu komt Beukelaers nochtans niet. ‘Nee, van thuis heb ik het niet.’ Maar als zevenjarige ontdekte hij de literatuur. ‘Ik moest wel, ik kon niets anders’, zegt hij laconiek. Beukelaers werd geboren met een torticollis of draaihals. ‘Ja, wat is dat? Er zit iets vastgegroeid aan je sleutelbeen en je kop staat scheef. Toen ik zeven was, ben ik geopereerd en daarna moet je leren om je hoofd rechtop te houden, want vanzelf kan het dat niet. Nu doen ze dat met plastic dat je kan bijschroeven, maar toen kreeg ik een plaasteren helm.’ Enfin, zo erg is dat allemaal niet, maar het is zwaar en je kunt niks. De andere kinderen speelden op straat. Ik lag in mijn bed en ik las.

Zo’n tien jaar later moest hij een studiekeuze maken. ‘Ik wist niet wat. Ik wou schilderen, gedichten schrijven, iets om de onvrede te bedwingen, zeker? Wat is het leven als je achttien bent? Dat weet je toch nog niet? Ik alleszins niet. Mijn droom was om met een rode sjaal langs de zee te lopen’, lacht hij. De keuze viel op architectuur in La Cambre. Een architect verdient zijn boterham, maar het heeft toch ook iets artistiekerigs, vond zijn omgeving. Een middenweg. De veilige optie. ‘Ik ben er twee jaar gebleven en het was allerminst verloren tijd. Er liep daar nogal een bende artiesten rond. Alleen de architectuur zelf vond ik tijdverlies. Een lastenboek schrijven is zo vervelend! En een architect moet uiteindelijk altijd doen wat de opdrachtgever wil, niet wat hij zelf wil.’ 

Hij hield zich liever bezig met toneel. Hij stichtte het Théâtre de la Cambre en, samen met Charles Cornette, Theater 61. ‘We hadden daarvoor een theatertje met 80 stoelen gemaakt in een oude hangar.’ Herman Teirlinck, docent aan La Cambre, zag hem aan het werk. ‘Meneer Beukelaers’, zei hij, ‘als u toneel wil spelen, moet u naar mijn school in Antwerpen gaan.’ Zo kwam hij in de befaamde Studio terecht. ‘Tot dan had ik zelfs niet van die opleiding gehoord.’ Het was begin jaren 60 en voor de goegemeente was acteren geen vanzelfsprekende keuze. ‘De mensen wisten niet wat het was. Tot ze je voor het eerst op televisie zagen. Dan was alles vergeven. Teirlinck, ja, dat was zowat de enige in die tijd die iets zinnigs over theater kon zeggen.’ Bij de tijdelijke heropening van het Herman Teirlinckhuis in Beersel in november vorig jaar nam Beukelaers het  woord.

DE KUNST MOET HET DOEN

Waar kwam die hang naar kunst vandaan? Beukelaers kan er niet helemaal de vinger op leggen. ‘Er was iets aan het bewegen. Tijdens de oorlog was er in Europa niks gebeurd. Niks! De mensen mochten niet denken, niet schilderen, niet schrijven, er werd niets gepubliceerd. Er was zelfs geen papier. In de jaren na de oorlog was er geen richting. Het existentialisme was in trek: het absurde, de zinloosheid van het leven. Aanhangers kleedden zich graag in het zwart. Het was nogal een verschil met wat ons vanuit Amerika bereikte: jazzmuziek, films met Marlon Brando en James Dean.

‘Zekerheid hebben we niet, maar áls er ooit verbetering komt in dit bestel, zal het langs de kunst gaan.’

Wanneer je voor je het eerst een abstract schilderij ziet, weet je toch niet wat je overkomt? En dan auteurs als Alan Ginsberg, William Burroughs, Jack Kerouac! Het kwam hier allemaal binnen in dat kapotte Europa, met een gedrevenheid en een energie die uitschreeuwden dat er wél een toekomst was. Volgens mij zijn wij alleen daardoor overeind gebleven. En van daar is mijn interesse voor kunst gekomen.’ Hij is er rotsvast van overtuigd dat het via de kunst moet gebeuren. ‘Het kan en zal niet via de politiek gaan. Zekerheid hebben we niet, maar áls er ooit verbetering komt in dit bestel, zal het langs de kunst gaan.’

JE MOET WEGGAAN

Hoewel hij in Vilvoorde opgroeide, voelt Beukelaers zich 100% Brusselaar. ‘Ik ben al van in 1959 weg uit Vilvoorde. Sinds de Middeleeuwen!’ Maar ook daarvoor voelde hij zich al volop thuis in de hoofdstad. ‘In Vilvoorde was niets te beleven. Je had er het groepje rond Rik Poot en zijn broer, er waren cinema’s en twee feestzalen waar ze amateurtheater speelden. Daarmee was de kous af. Dus trokken we naar Brussel. Daar had je het Paleis voor Schone Kunsten. En ik herinner me nog de tiende verjaardag van de Hot Club de Belgique, eind jaren 50. Toen heb ik op één weekend mannen als The Jazz Messengers, Lester Young en Thelonius Monk gezien. En dan was er natuurlijk Expo 58. Het was om de hoek en het bracht de wereld voor ons mee.’

Het was logisch dat hij uit Vilvoorde weg zou gaan. Als je jong bent, moet je weggaan. ‘Je kunt maar beter wat in de wereld rondlopen om te kijken wat er gebeurt. Ik heb het geluk gehad dat ik heb kunnen filmen in Afrika, wonen op Bali en in Marokko. Ik trek er nog altijd graag op uit, maar ik kom ook telkens graag terug thuis. Echt waar. Ik heb er wat mee te maken, met dit klimaat, de plantengroei, de mensen, de taal. Het zijn affiniteiten die ik met een ander land niet heb. En als je kijkt wat we hier vandaag hebben? Met groepen als tg Stan en FC Bergman hebben we het beste theater van de wereld. De beste dans, de beste muziek, die vind je hier. Ook de schilderkunst staat hoog aangeschreven. En zelfs de film is kwalitatief goed. Dus voilà.’