19 aug '16

Ondertussen in de Rand: Vlieger vlieg

2074
door Gerard uit Brussel
Ik beken, ook ik heb in de grote vakantie het vliegtuig genomen op een onzalig vroeg uur. Uit alle oogjes van mijn medereizigers sprak dezelfde vraag: waarom moet dit nu zo vroeg?

Ik beken, ook ik heb in de grote vakantie het vliegtuig genomen op een onzalig vroeg uur. Uit alle oogjes van mijn medereizigers sprak dezelfde vraag: waarom moet dit nu zo vroeg? Wat de oogjes van de grondbewoners, volop in hun REM-slaap, bij het overvliegen van onze jet zeiden, kon ik natuurlijk niet zien, maar ik kan het mij wel voorstellen: waarom moet dit zo vroeg? Verdomde vliegtuigmotoren op die onzalige zondag 24 juli laten brullen om 6 uur ’s morgens, kan dat niet wat later? Terechte vraag.

Eerlijk: ik heb mij vooraf, weliswaar om egoïstische redenen, echt afgevraagd of ik die vakantie wel kon boeken. Je moet twee uur op voorhand op de vlieghaven zijn en vroeg opstaan is niet mijn fort, dus: waarom moet dit zo vroeg? Een pijnlijke affaire, voorspelde ik, en dat werd het ook. Maar goed, enkele uurtjes later aan de rand van een zwembad op een Grieks eiland, cocktail en stukje feta in de hand, was die bekommernis snel verdwenen. Zo zit een mens in elkaar.

Eenmaal terug thuis in de Noordrand van Brussel viel het mij op dat er op sommige dagen, als de wind tegenzit, om de vijf minuten een vliegtuig passeert, zo laag dat je het bijna grijpen kan. Wat verderop, in de tuin van een vriend in Wemmel, vallen bij de luidruchtige passage van alweer een vliegtuig de gesprekken stil. Mensen uit de Noordoostrand hebben zich bijzonder bekwaamd in een speciale discipline: gesprekken in stukken en brokken. Moest het op het programma staan, hier zit een Olympische medaille aan te komen.

In een overmoedige bui zegt mijn vriend wel eens dat die vliegtuigen zijn relatie hebben gered. ‘Het is wat oefenen’, zegt hij, ‘maar telkens als er met mijn vriendin een ruzie in de lucht hangt (sic), gebaar ik van krommenaas en wijs ik naar boven in de lucht, zoals voetballers na het scoren van een doelpunt een fictieve God aanwijzen. Ik versta jou niet, vorm ik de woorden met mijn lippen. De potentiële vlucht ruzie waait dan voorbij.’ Hij lacht, mijn vriend. Een kei in strategie is hij, ik wist het, en toch geloof ik hem niet, want daarvoor heeft hij gewoon een veel te lieve vriendin.

Maar goed, moeten we het vliegtuiglawaai er stilaan bij nemen zoals de files? Moeten we niet wat minder het vliegtuig nemen, zoals ook de wagen? De al voor begin dit jaar aangekondigde nieuwe vliegwet zou onder meer een evenwichtige spreiding van het vliegtuiglawaai moeten regelen. De vorige federale minister van Mobiliteit, Jaqueline Galant (MR) brak er, na een hobbelig parcours, haar tanden op stuk, de nieuwe, François Bellot (MR), houdt het bij dat ‘er werk van wordt gemaakt’.

Ondertussen ondertekenden negentien gemeenten uit de Noord- en Oostrand een platform voor een eerlijke spreiding van het vliegtuiglawaai. Zij roepen de federale regering op om eindelijk werk te maken van die vliegwet en vragen een evenwicht tussen lasten en lusten. Opvallend: ook faciliteitengemeenten Kraainem en Wezembeek-Oppem ondertekenden het platform. Twee gemeenten die in het verleden altijd schipperden tussen de realiteit van het lawaai boven hun hoofd en het standpunt van het Brussels Gewest. Het is een nieuw en duidelijk standpunt. Moedig ook, want meestal kauwen Franstalige politici uit de Rand Brussel maar wat na. Zou het te ver gaan om te zeggen dat deze Franstalige gemeentebesturen de Vlaamse Rand zo stilaan als een eigen regio aanzien met eigen wetmatigheden? Misschien wel.

Het is alleszins een heel andere beslissing dan bijvoorbeeld het niet willen verhuren van lokalen in de gemeenteschool voor lessen Nederlands aan anderstaligen (Kraainem), of de vraag van de Franstalige oppositie naar de terugkeer van een politiezone voor het eigen grondgebied (Wemmel), of - minder communautair - de aanschaf van een dure BMW als bedrijfswagen voor de gemeentesecretaris (Wezembeek-Oppem) en andere ongein.