01 sep '20

Op bezoek
bij de ajuinen

147
door Herman Dierickx
De huidige centrumstad Aalst ontstond op een eiland in de Dender en heeft zich intussen ontwikkeld tot de tweede grootste stad van Oost-Vlaanderen. Tijd voor een bezoek.

Voor de meeste randbewoners is Aalst een nobele onbekende omdat het geen echte toeristische of shoppingbestemming is. En toch valt er heel wat te ontdekken. De Grote Markt is een aanrader omdat er veel historische gebouwen op een kluitje bij elkaar staan. Het Stadhuis, het Landhuis en het werelderfgoed van het Belfort, dat uit drie aparte gebouwen bestaat, liggen zowat in elkaars schaduw. Iets verderop was er eeuwenlang een begijnhof, maar daar blijft intussen nog weinig van over. Toch is het een aangenaam stadsdeel aan de Dender. Op wandelafstand ligt de groene long van de stad: Osbroek-Gerstjens. Op zonnige weekenddagen gaan veel inwoners daar op uitstap. Het is er altijd fijn wandelen en je kan er rustig de natuur observeren.

Tegenwoordig kan je ook aardige trajecten fietsen langs de Dender. In de brochure Fietsgids Denderstreken krijg je vijf interessante routes voorgeschoteld. De Dendervallei en omliggende dorpen liggen veelal in een landelijke omgeving. In deze coronatijden kan je er rustig ademhalen en genieten van de diverse, maar zeker niet altijd even mooie landschappen.

Hop, ajuinen en industrie

Aalst heeft lang een intense band gehad met landbouw. Daar spongen twee teelten uit. Onder invloed van de Abdij van Affligem kwam er een bloeiende hopteelt in het gebied tussen Aalst en Asse. Die taande langzaam, maar zeker vanaf de Tweede Wereldoorlog, toen massale invoer vanuit het buitenland onze teelten kelderden. De jongste jaren zijn er schuchtere pogingen om deze bijzondere landbouwvorm nieuw leven in te blazen, maar voorlopig blijft het bij een meer folkloristische aanpak.

De tweede teelt bezorgde de inwoners van Aalst hun bijnaam: de uienkweek (ajuinen) die vooral in de negentiende eeuw een hoogtepunt kende. Ook die teelt kelderde vanaf de Tweede Wereldoorlog. Nu is er nog nauwelijks sprake van. Ondanks dat er in België steeds meer uien worden gekweekt, komt de streek rond Aalst hiervoor niet meer in beeld. Vanaf tweede helft van de negentiende eeuw vervormde Aalst tot een industrie- en arbeidersstad, met bekende figuren die tot de verbeelding blijven spreken: priester Daens, Louis Paul Boon, Dimitri Verhulst, … die elk op hun manier gestalte geven aan die nieuwe wereld waarin de stad terechtkwam. Als we nog verder terugkijken in de tijd denken we aan wat drukker Dirk Martens voor de boekdrukkunst betekende. Reeds in de vijftiende eeuw bracht hij relatief goedkope boeken op de markt voor de Leuvense universiteit. Het was de aanzet tot het vulgariseren van het lezen van boeken, tot dan een bezigheid bestemd voor de elite.

De voorbije jaren verdween het geïndustrialiseerde aspect steeds meer naar de achtergrond, waardoor Aalst naarstig naar nieuwe horizonten zoekt om zich verder te ontwikkelen. Toch blijft het arbeiderskarakter van Aalst hier en daar overeind, onder meer met grote fabrieken als Tereos Syral (ex-Amylum) vlak aan de Dender.

Aalst Carnaval

En dan hebben we natuurlijk Aalst Carnaval, het handelsmerk en identiteit van de stad. Carnaval neemt een onvervangbare plaats in in het leven van (bijna) elke Aalstenaar. Neem het carnaval af van een geboren en getogen Aalstenaar en hij of zij is op sterven na dood. Zonder onvoorziene omstandigheden gaat deze driedaagse volgend jaar door van 14 tot 16 februari. Veel mensen zijn al bezig met de voorbereidingen ervan. Voor een buitenstaander is het soms wat onwezenlijk, voor een Aalstenaar is het een reden van bestaan. Zowat elke Aalstenaar vindt dat je met alles en iedereen, ook met jezelf, moet kunnen lachen. Dat het niet altijd zo onschuldig is, bewijst het schrappen van Aalst Carnaval van de lijst van immaterieel cultureel erfgoed van de Unesco. Dat gebeurde naar aanleiding van een praalwagen die Joodse karikaturen voorstelde, en daar kon een deel van de internationale gemeenschap niet mee lachen.

Aalst-Dendermonde

En dan is er natuurlijk nog de eeuwenoude vete tussen Aalst en Dendermonde. Die draaide in eerste instantie over de tol die Dendermonde schepen oplegde om Aalst te bereiken. Eeuwen later bediende Napoleon Dendermonde met een rechtbank, een kazerne en een spoorlijn. Aalst viel telkens uit de boot. En natuurlijk speelt ook het Dendermondse Ros Beiaard een rol, want Aalst had daar geen volwaardig equivalent voor.

Een studentengrap in 1952 rakelde de ingedommelde vete weer op, en sindsdien is het conflict vooral folklore, waar de huidige burgemeesters gretig op inspelen om hun stad te profileren en te promoten. En zo houden de Aalsterse ajoinen en de Dendermondse kopvleesfretters mekaar in stand, tot vermaak van henzelf en de buitenwereld.