01 dec '22

Bloemen noch kransen

1203
door Koen Demarsin
Dilbeek, Kraainem en Ukkel. Wat hebben deze gemeenten gemeen? De doden van de joodse gemeenschap, die er hun laatste rustplek vonden. De grafstenen vertellen het verhaal van de joodse gemeenschap in Brussel.

Nadat de Tweede Wereldoorlog in 1944 tot een eind was gekomen, kon het land beginnen met de schade opmeten. Een nieuwe start was niet evident en al zeker niet voor de joodse gemeenschap van Brussel. Hun Societé Assistance Inhumation kreeg in datzelfde jaar in Dilbeek een perceel ter beschikking grenzend aan de gemeentelijke begraafplaats. Een teken dat ook voor de joden het leven weer op gang kwam. Twee jaar later namen ze de Dilbeekse begraafplaats in gebruik, maar begroeven ze ook in Kraainem een eerste dode op een eigen begraafplaats.

Begraafplaatsen voor iedereen

Om de band tussen de joodse gemeenschap en de Rand te begrijpen, moeten we terug naar het Brussel van 1867. In dat jaar nam de gemeente Ukkel een nieuwe begraafplaats aan de Dieweg in gebruik. Brussel groeide snel en het oude dorp was in de 19e eeuw deel van de stad geworden. De bevolking explodeerde zowat, maar de onmiddellijke aanleiding voor de aanleg van de begraafplaats was een grote cholera-epidemie die de stad het jaar voordien had getroffen. Na afloop namen Brussel en haar omringende gemeenten maatregelen om de leefomgeving te verbeteren, waaronder de aanleg van nieuwe begraafplaatsen.

Zo ook in Ukkel. Hier kwamen de grote namen uit de Brusselse en Belgische geschiedenis te liggen, zoals conservatief politicus Charles Woeste of architect Jean-Pierre Cluysenaer. Hun grafmonumenten zijn overdadig en verbeelden in neostijlen en art nouveau de opgang van de natie. Hun grafmonumenten lezen als bladzijden uit een vaderlands geschiedenisboek met daarin een bijzondere katern voor de joodse gemeenschap.

Achteraan de begraafplaats liggen de perken waar zij haar doden kon begraven. Toch was de aanwezigheid van deze gemeenschap hier geen evidente, want het is pas kort daarvoor, in 1859 om precies te zijn, dat de liberale regering van premier Frère-Orban het beheer van de begraafplaatsen aan de gemeenten toevertrouwde. Door het eenvoudige feit dat het niet meer de plaatselijke kerkfabrieken waren die het beheer ervan verzorgden maar de gemeentebesturen konden ook andere geloofsovertuigingen op de begraafplaatsen terecht. Zo waren joden niet langer verplicht om een eigen begraafplaats in te richten. Van deze gelegenheid zouden zij snel gebruik moeten maken, want in 1877 stond de Brusselse joodse gemeenschap voor een probleem: haar begraafplaats in Sint-Gillis was te klein geworden. Ze moest op zoek naar een nieuw perceel waar zij niet alleen haar doden kon begraven, maar waarvan ze ook zeker was dat ze eeuwigdurende concessies kon afsluiten, een belangrijke voorwaarde voor heel wat joodse families.

De keuze voor Ukkel is mogelijk versneld dankzij de band die de liberale burgemeester Louis De Fré onderhield met Elie-Aristide Astruc, toenmalig opperrabbijn van het Centraal Israëlitisch Consistorie. Het kwam tot een overeenkomst die de gemeente geen windeieren legde, want de meeste joden die zich lieten begraven, kwamen niet uit de gemeente en moesten het dubbele tarief neerleggen voor hun eeuwigdurende concessie. Mettertijd werd de begraafplaats voor een derde gevuld met joodse bijzettingen, de grootste van Brussel in de vroege 20e eeuw. De scheiding tussen niet-joodse en joodse graven in de Dieweg is vaag. De praalgraven in de hoofddreef vloeien organisch in elkaar over. Er zijn graven die een eigen symboliek dragen zoals afbeeldingen van thorarollen, een Davidsster of twee handen, maar het valt vooral op hoe gelijkend joodse en nietjoodse graven vaak zijn. De rijke graven zijn net zo pompeus en niet zelden van de hand van architecten als Victor Horta, Paul Hankar of Henry Van de Velde. Met het strenge verbod op het maken van beelden van goden of mensen wordt flexibel omgesprongen. Medaillons met portretten van de gestorven familieleden zijn geen uitzondering. De joodse gemeenschap lijkt op te gaan in de jonge groeiende natie.

Meer dan 140 jaar na de eerste joodse bijzetting in de Dieweg bereiken we opnieuw het punt waarop het ooit begon: met plaatsen waar zowel niet-joden als joden samen worden begraven.

De joodse gemeenschap kreeg in het jonge België een bijzondere plaats toebedeeld. In het hart van de Brussel ligt haar grote synagoge langs de Regentschapsstraat in gezelschap van het Rekenhof, het Museum voor Schone Kunsten en het Justitiepaleis. In het liberale België was er ruimte voor een joodse gemeenschap die de aard van de staat mee in de verf zette. In 1889 schilderde Eduard Brandon een doek dat zich in de grote synagoge afspeelt. De menora, de zevenarmige kandelaar, is prominent aanwezig. Aan weerskanten van de synagoge houden mannen keurig uitgedost en met buishoed, en jongens in het zwart, de blik op de lezenaar gericht. Het gebouw zit vol. De sfeer is plechtig en ernstig. De titel van het werk luidt Gebeden voor Leopold II, Koning der Belgen, in de synagoge. De joodse gemeenschap staat met volle overtuiging ten dienste van koning en staat, vertelt het werk ons. De gemeenschap stelt niet alleen zichzelf voor, maar ze neemt een publieke plek in, in het hart van de stad en op de plaats van de macht.

Vervreemding

Het einde van de 19e eeuw bracht niet enkel schittering. De vorming van de natiestaten en de nood om daarbinnen eenduidige identiteiten te vormen, maakte de aanwezigheid van bevolkingsgroepen die moeilijk tot die eenheid te herleiden waren niet evident. Dat ondervonden ook de joodse gemeenschappen in verschillende Europese landen. In 1894 raakte Frankrijk in de ban van het Dreyfusschandaal, waarin de Frans-joodse officier valselijk van spionage werd beschuldigd.

Twee jaar na dit voorval schreef Theodor Herzl een pamflet die een mijlpaal werd in de geschiedenis van het joodse denken. Herzl, afkomstig uit het Hongarije van de Habsburgers, was onder de indruk van het antisemitisme dat hij om zich heen zag grijpen en waarvan hijzelf slachtoffer was geworden. Hiervan aangedaan verliet hij de gedachte dat joden volledig konden opgaan in de westerse cultuur, zoals vele van zijn tijdgenoten probeerden te doen. In een omgeving waarin de natiestaat centraal stond, kon de oplossing voor dit probleem ook alleen gezocht worden in het ontstaan van een eigen staat waarin joden zelf de natie vormden en waarin ze geen rekenschap dienden af te leggen. In Der Judenstaat beschreef hij deze oplossing en zaaide er mee de kiemen van de zionistische beweging die na de Tweede Wereldoorlog tot de oprichting van Israël zou leiden.

De anti-joodse gevoelens leidden zelfs tot echte verdrukking toen in Rusland antisemitische pogroms de joodse gemeenschappen op de vlucht dreef naar het westen. België, dat in 1830 het jodendom als eredienst had erkend, was voor deze vluchtelingen een aantrekkelijke bestemming. Tot aan de Tweede Wereldoorlog trokken vele joodse migranten en hun families naar België met een stijgende bevolking tot gevolg. Aan de vooravond van de oorlog waren er in ons land ongeveer 100.000 joden waaronder 35.000 in Brussel, terwijl hun aantal aan het begin van de 19e eeuw voor heel het land rond de 800 lag. Met hun komst werd de joodse gemeenschap ook diverser. De Asjkenazische levensstijl van de Oost-Europese migranten leek in de verste verte niet op die van de vaak geassimileerde joden uit Brussel. De nieuwe inwijkelingen herkenden zich niet in het Belgische verlichte Consistorie en richtten eigen gemeenschappen op. Het mondaine Brussel en het ruwe Oost-Europese land waren twee aparte werelden en daar kon een gedeelde overtuiging niet veel aan veranderen.

Versteende migratie

De groei van de joodse gemeenschap deed de nood aan begraafplaatsen stijgen. In de Dieweg was er in 1927 al een tekort aan plaats. Ook de oude Societé Assistance Inhumation, die sinds 1878 instond voor de begraving en die bestuurd werd vanuit het Centraal Consistorie van België, kon niet meer aan de vraag voldoen. Dit leidde in 1922 tot de oprichting van de nieuwe begraafvereniging Chessed Chel Emeth. Zij verwierf een perceel op de begraafplaats van Etterbeek dat op het grondgebied van Wezembeek-Oppem ligt. Ook in Oudergem konden de joden intussen terecht.

Brussel groeide als stad en als metropool en dat werd ook in de begraving duidelijk. Achteraan op de Everse begraafplaats liggen de eregraven van de notabelen. Op het joodse perk kregen de notabelen even grote monumenten als op het ereperk ernaast, maar toch was er iets veranderd. Anders dan in Ukkel gaan de graven niet meer ongemerkt in elkaar over, maar scheidde het joodse perceel zich subtiel af van de andere perken. De joodse gemeenschap assimileerde niet meer zoals in Ukkel, maar ze werd een eigen gemeenschap. Ook de wijzigende verhoudingen in de gemeenschap komen scherper naar voor. Naast plaatselijke namen als Brilleslyper of Lelyveld en Van Straten in Ukkel, valt het grote aantal Duitse en Oost-Europese namen op. Zo helt het zwaartepunt van de joodse gemeenschap stilaan over naar het oosten. Weliswaar zijn de kleine en grote graven met hun arduinen zerken en bronzen belettering nog gelijkend met niet-joodse graven, maar het toevallige verdwalen zit er niet meer in. Herzls roep naar eigen identiteit komt in stilte dichterbij.

Na de oorlog begint de opbouw van de natiestaten, waarin de West-Europese joden zich een kamer hadden toegeëigend, scheuren te vertonen. Ook in ons land. België wordt minder het bindmiddel en meer het territorium waarop culturele en sociale groepen een plaats zoeken en zelfs in concurrentie treden. In dit giftige klimaat delft de joodse gemeenschap het onderspit. Haar merites waren tot een nadeel geworden. Assimileren is niet meer gewenst, want het was verdacht en manipulatief. De offers die ze brachten en hun verdiensten volstonden niet meer in een radicaliserende omgeving die een zondebok zocht om de economische malaise van de jaren 30 te bezweren. De rest is geschiedenis. Kort na de oorlog in 1945 stelde de gemeente Ukkel de begraafplaats van de Dieweg buiten gebruik. De inwoners van Ukkel zochten na de oorlog een nieuwe begraafplaats in het gehucht Verrewinkel. De joodse gemeenschap ging zelf op zoek naar een eigen plek, want ook de begraafplaats in Oudergem was stilaan vol en enkel in Etterbeek waren er nog uitbreidingsmogelijkheden. Een band met de oude Brusselse gemeentes waarvan zij vroeger deel uitmaakten, was niet meer noodzakelijk. Nieuwe plaatsen vonden ze in de Rand rond Brussel, in Dilbeek en Kraainem.

Geen bloemen, geen foto’s

De vroege joodse graven in Dilbeek en Kraainem lijken misschien nog op nietjoodse graven, maar dit veranderde in de decennia daarop. Dit is vooral goed zichtbaar op de begraafplaats van Kraainem, waar graven vormen aannemen van bollen, tabernakels, boeken of Davidssterren. De begraafplaats van Dilbeek is soberder. Maar op beide begraafplaatsen is de verdere evolutie naar een eigen identiteit met een strenger uitzicht merkbaar. En al zijn er doorsteekjes naar de gemeentelijke begraafplaatsen ernaast, ze hebben een eigen toegang of worden gescheiden door een muur.

‘Il est strictement défendu de fleurir les tombes et de placer des photos sur les monuments funéraires… Chessed Chel Emeth se réserve le droit d’enlever les objets litigieux.’ Geen bloemen, geen foto’s. In Kraainem windt de begraafvereniging er geen doekjes om. De traditionele begraving kwam steeds nadrukkelijker in handen van meer conservatieve groeperingen, die niet alleen een grote afscheiding van andere geloofsovertuigingen nastreefden, maar die er ook striktere religieuze principes op nahielden. Al snel na de ingebruikname verdwenen de foto’s van overledenen die de eerste graven nog kenmerkten. Het strenge voorschrift is ook elders regel geworden, zoals in Dilbeek. Wat nog van versieringen overblijft, zijn de herkenbare oude tekens als de menora of de Davidster. De Europese sterftedata worden vaak vervangen door deze van de joodse kalender.

Pendelbeweging

Als gewoonten regels worden en regels een dwingend karakter krijgen, groeit er vaak weerstand. Niet iedereen herkende zich in de strengere begraafpraktijken. Niet iedereen wenste via een aan een synagoge verbonden vereniging begraven te worden. Bovendien werden joden die niet de volledige joodse familielijn volgen niet op de traditionele perken aanvaard. Voor sommige nabestaanden is nabijheid belangrijker dan de plek in de gemeenschap, waardoor ze opteren voor een graf in Brussel in plaats van op een strikt joods perceel en vonden families hun weg naar andere begraafplaatsen in het Brussels Gewest, bijvoorbeeld op de joodse percelen van de multi-confessionele begraafplaatsen van Anderlecht, Vorst en vooral Schaarbeek. Brussel werd de laatste decennia steeds diverser waardoor de vraag naar aangepaste begraafplaatsen steeg.

Meer dan 140 jaar na de eerste joodse bijzetting in de Dieweg in 1879 bereiken we daardoor opnieuw het punt waarop het ooit begon: met plaatsen waar zowel niet-joden als joden samen worden begraven. De pendel van de geschiedenis slaat daarmee opnieuw terug de andere kant uit. Maar anders dan toen, is dat de verschillen in opvattingen binnen de gemeenschap zichtbaarder aanwezig zijn. De diversiteit van de joodse gemeenschap weerspiegelt zich nu ook in de laatste resten die ze nalaat aan het eeuwige herdenken.