01 mei '18

 Tuinwijk 

270
door Tine De Wilde
Arme gemeente? Ja, tot eind 19e eeuw was Rode door zijn geïsoleerde ligging aan het Zoniënwoud en onvruchtbare bosgronden een arme, kleine gemeente van een duizendtal inwoners. Het nieuwe treinstation en verbindingswegen brachten daar na WOI verandering in.

De buurt rond het station breidde uit. Gefortuneerde Brusselaars bouwden hier hun villa in de groene pracht. In de Nieuwrodelaan realiseerden de architecten Pompe en Rubbers en aannemer Duhoux een ander woonmodel: de tuinwijk Pompe-Rubbers (1925-1927). De Engelse stedenbouwkundige E. Howard bedacht in 1898 de tuinstad, een autonome leefgemeenschap met dorps karakter op het platteland met intensieve participatie van de bewoners als leefbaar alternatief voor de miserabele arbeiderswoningen in de industriestad. Dit oorspronkelijk model kende niet veel navolging, maar kleinere tuindorpen en -wijken aan de rand van de stad wél. Pompe en Rubbers tekenden twaalf eengezinswoningen in drie woninggroepen.

Elke woning heeft zijn eigenheid, bij de vijf aaneengeschakelde woningen door de trapsgewijze schikking, erker, inkompartij, terras en voor-en achtertuin. Door de schuine inplanting van de leefruimtes valt er overvloedig daglicht binnen. Voor elk huis werden dezelfde materialen gebruikt: rode baksteen, gele Belvédèresteen, geschubde leien voor de erkers en rode pannen voor de daken. Het is een fijn visueel geheel. De uitzonderlijke leefkwaliteit van de woningen trok vaak middenklasseburgers aan. Zo hadden Pompe, Rubbers en Duhoux hier zelf een woning. Een actieve verkavelingspolitiek was ingezet. Wie had gedacht dat nog geen 100 jaar later de betonstop zou worden aangekondigd?