01 apr '21

Tuut tuut, daar gaat de digitale trein

1998
door Michaël Bellon
Een treinticket bestellen aan een station zonder loket. Online toegang tot je medisch dossier. Als de digitale revolutie zaken eenvoudiger maakt, doet ze dat niet altijd voor iedereen. Corona maakt nog duidelijker dat we ook moeten omkijken naar wie niet mee is. En dat zijn er meer dan we denken.

De geschiedenis zal uitwijzen welke rol de coronacrisis heeft gespeeld als katalysator voor de digitale (r)evolutie, maar dat we in een stroomversnelling zitten, is duidelijk. Volgens een rapport van de onderzoeksgroep Media, Innovatie en Communicatietechnologieën MICT van Imec en UGent is het smartphonegebruik van de Vlamingen tijdens de coronacrisis alvast verdubbeld. Oma moet aan de WhatsApp, papa aan de Zoom en dochterlief wordt op Smartschool verwacht. Hebben we nog wel voldoende oog voor wie niet mee is met digirecorders, touchscreens en QR-codes? En hoe kunnen we met e-inclusie de digitale kloof dichten?

Digitale uitsluiting

Met haar eerste Barometer van de digitale inclusie, gerealiseerd door onderzoekers van VUB en UCL, bracht de Koning Boudewijnstichting eind augustus vorig jaar de digitale kloof in beeld op drie verschillende vlakken. Cijfers over ongelijke toegang tot digitale technologieën tonen dat 10% van de Belgen thuis geen internetverbinding heeft. Bij de lage inkomens onder de 1.200 euro loopt dat cijfer op tot 29%. Bij de hoge inkomens van meer dan 3.000 euro neemt het af tot 1%. Die kloof van 28% is veel hoger dan in de ons omringende landen Duitsland en Frankrijk (21%), Luxemburg (7%) en Nederland (4%).

Andere cijfers gaan over digitale vaardigheden. Wie internet en digitale toestellen heeft, moet er immers ook weten mee om te gaan. Wat dat betreft: naast de 8% van de Belgen die het internet nooit gebruikt, heeft 32% zwakke digitale vaardigheden. Dat wil zeggen dat in totaal dus 40% het risico op digitale uitsluiting loopt; bij de lage inkomens is dat 75%. Het derde deel van de barometer monitort het effectieve gebruik van essentiële digitale diensten: 85% van Belgen gebruikt het internet dagelijks voor onlinedienstverlening, e-banking, en e-commerce. Tegenover 57% van de internetgebruikers met een laag opleidingsniveau.

Technologisch fatalisme

Dat de helft van de senioren niet in staat is berichten te versturen of te videochatten, zal niet minder verbazen. Net zo hebben jongeren uit kwetsbare milieus, laaggeletterde mensen, alleenstaanden en vrouwen gemiddeld sneller moeilijkheden om aan te klampen. Maar het is ingewikkelder dan dat.

Ilse Mariën, deeltijds verbonden aan de Imec-SMIT-VUB onderzoeksgroep en deeltijds raadgever e-inclusie voor het kabinet van Minister Bart Somers (Open VLD), doet al dertien jaar onderzoek naar digitale in- en uitsluiting. Zij hanteert dertien indicatoren om in totaal acht profielen van digitale gebruikers te bepalen. Vijf indicatoren komen uit het sociale veld. Zoals inkomen en tewerkstelling, opleiding, welbevinden, of participatie in netwerken. Want hoe groter je persoonlijk netwerk hoe meer kans dat je formeel en informeel met ICT in aanraking komt. Acht indicatoren komen uit het digitale veld. Zoals digitale toegang, vaardigheden als mediawijsheid en mediageletterdheid, en softskills zoals contact kunnen leggen om hulp te vragen. Soms zijn die indicatoren op een ‘logische’ manier met elkaar verweven, maar niet altijd. Ilse Mariën: ‘Zo heb je enerzijds mensen in armoede die thuis geen computer hebben maar wel veel digitale competenties en anderzijds ceo’s en professoren die helemaal niet mee zijn. Je hebt mensen met een hoog persoonlijk welbevinden die het digitale helemaal uit hun leven bannen. Andersom heb je mensen – zelfs 10% van de jongeren – die wel digitaal geconnecteerd zijn, maar te kampen hebben met technologisch fatalisme, omdat ze het te moeilijk, te veel en te druk vinden, waardoor hun welbevinden er onder lijdt. Bij hoogopgeleiden die zich afsluiten van digitaliseren, zie je wel dat zij mensen uit hun netwerk inschakelen om hun digitale taken te doen. Andersom vinden mensen die in een media-arme omgeving werken niet altijd de nodige ondersteuning om bijvoorbeeld online hun verlof aan te vragen.

Praktijkvoorbeeld volwassenenonderwijs

Mariën is het ermee eens dat mensen de digitale geletterdheid in de samenleving overschatten. Dat heeft gevolgen in alle aspecten van iemands leven. Onderwijs is letterlijk en figuurlijk het schoolvoorbeeld. Volgens armoede-expert professor Wim Van Lancker van de KULeuven heeft 12% van de Belgische kinderen tot 15 jaar geen geschikte plek om huiswerk te maken of te studeren, 9% van de kinderen tot 18 jaar woont in een huis dat overbevolkt is. Internationale indicatoren van de OESO wijzen erop dat de digitale kloof in het Vlaamse onderwijs zeer diep is.

Ook in het volwassenenonderwijs, waar mensen via tweedekansonderwijs en levenslang leren sociale promotie kunnen maken, blijft de kloof groot. In het Centrum voor Volwassenenonderwijs CVO Semper Campus Vilvoorde zetten ze alle zeilen bij om alle mensen bij de les te houden met digitale cursussen, maar ook met contactonderwijs. ‘Gebrek aan toegang tot digitale kennis of infrastructuur kan een reden zijn om af te haken’, zegt directrice Anke Wolfs. ‘Om goed les te volgen, heb je goed internet nodig, een eigen laptop, een webcam, goed geluid. Veel cursisten hebben dat niet. Sommigen volgen de les op hun smartphone, maar dat is eigenlijk niet te doen.’ CVO Semper probeert de nood te lenigen door laptops uit te delen, docenten digitaal bij te scholen,…

Allemaal digitaal?

Hoe gaan we die digitale kloof dichten? Daarvoor wordt gekeken naar het onderwijs, het middenveld en de praktische inzet van ICT-studenten. Met Radicaal Digitaal heeft de Vlaamse overheid tot 2024 een vijfjarenplan lopen voor de uitbouw van de digitale kennis. Minister voor Gelijke Kansen Bart Somers (Open VLD) trekt daarvoor 50 miljoen euro uit. Daarvan gaat dertig miljoen naar het bereiken van de meest kansarmen, twintig miljoen euro dient voor het versterken van digitale vaardigheden. De Koning Boudewijnstichting zet dan weer in op sensibilisering en financiële steun voor verenigingen die werken rond de digitale kloof. Het platform www.123digit. be zet in op kansarmoede-organisaties en actoren voor sociaal-professionele inclusie en OCMW’s.

De digitale geletterdheid wordt flink overschat.

Mariën: ‘Na het uitbreken van de Covid-crisis is er ook een Taskforce e-inclusie opgericht door de VUB, waar organisaties als Samenlevingsopbouw, Netwerk tegen armoede, MediaWijs en lokale besturen in vertegenwoordigd zijn.’ Ook de Vereniging Van Steden en Gemeenten (VVSG) heeft een werkgroep e-inclusie. Centra voor Algemeen Welzijn en Centra voor basiseducatie kunnen dan weer problemen signaleren.’ Wat vaardigheden van gebruikers betreft, wordt ook gerekend op de aangepaste eindtermen in het onderwijs, levenslang leren en bijscholing door werkgevers. Aan de kant van de aanbieders is inclusion by design dan weer een belangrijke werf. ‘Veel ontwikkelaars gaan er te snel van uit dat het gebruik van hun producten duidelijk is. Zij zouden in de ontwerpfase onder de gebruikers risicoprofielen moeten inschakelen om te voorkomen dat digitale systemen angst en stress bevorderen in plaats van wegnemen’, zegt Mariën.

Digitale buddy

Nog fijnmaziger is het netwerk van digibuddies dat de minister stimuleert. Mariën: ‘Wie geluk heeft, krijgt digitale hulp van een familielid of een collega. Digibuddies komen mensen thuis ondersteunen, want alles verandert zo snel dat iedereen op een gegeven moment ondersteuning zal kunnen gebruiken.’ Een sociaal ondernemend bedrijf als Beego zet ICT-studenten in om mensen thuis bij te staan met basisvaardigheden als e-mailen, documenten online bewaren, accounts met paswoorden beheren, bankieren of meer geavanceerde computerproblemen. Om de kwetsbare doelgroep beter te bereiken lanceerde het bedrijf de digicheque. ‘Dat is een waardebon zoals de ecocheque of de maaltijdcheque die via lokale besturen, het OCMW of andere partners bij mensen terechtkomen om onze hulp-aan-huis in te schakelen’, zegt Frederick Scraeyen van Beego. Sinds vorige maand biedt het bedrijf zijn activiteiten aan in Brussel en de Rand.