01 jun '17

‘Gedaan met
de platte kindjes’

1012
door Patrick Gijssels
In het kinderdagverblijf Tinkelbel in Sint-Genesius-Rode krijgen alle 39 kinderen elke morgen een knuffel en een kus, een goede morgen en een b(r)abbel.

Toch is de opdracht er met de jaren niet eenvoudiger op geworden. Je voelt het, dit wordt een verhaal over quality-time, maxi-cosy, overprikkelde kinderen, lawaai  speelgoed, wiegendood en de dagelijkse, liefdevolle inzet van een hecht team met een pak ervaring. Zeven kinderbegeleidsters, een sociaal assistente en een verpleegster zijn elke dag bezig met de drie groepjes: de baby’s, de kruipers en de peuters.

Wat is er veranderd sinds de tijd dat je hier begon?
Nora (gestart in 1977): ‘Heel veel. Vooral de kinderen. Vroeger had je uitzonderlijk eens een huilbaby. De anderen sliepen veel, zaten wat rechtop, deden weinig en gingen opnieuw slapen. Platte kindjes, noemden wij ze. Die bestaan bijna niet meer in het kinderdagverblijf. Nu slapen baby’s een half uurtje, alsof ze het baby-zijn hebben overgeslagen. Misschien omdat ze wat ouder zijn als ze voor het eerst komen na een ouderschaps- of borstvoedingsverlof? Misschien ook omdat ze in deze tijd meer prikkels krijgen dan vroeger?’

Elke (20 jaar dienst): ‘Vroeger had een kind een rammelaar en een bijtring. Nu vaak lawaaispeelgoed. Sommigen worden overal mee naartoe genomen. Vroeger sliep het kind in een bedje in de auto en nadien thuis verder in dat bedje. Nu zitten ze in de auto in een maxi-cosy. In sommige gevallen wordt het kind er niet uitgehaald omdat het makkelijker is voor de ouders.’

Nora: ‘Van jonge mensen wordt veel meer verwacht dan vroeger, onder meer flexibel werken. Dat heeft een effect op het kind. De kleintjes slapen thuis met grote knuffels en soms op hun buikje. Hier mag dat niet van Kind & Gezin. Dat is dikwijls een hele aanpassing voor het kind.’

Elke: ‘De wenweek is wel een goede evolutie. De eerste dag komt het kind een half uurtje meemaken hoe het hier verloopt. De tweede en derde dag komt het een halve dag, de volgende dag blijft het slapen tot 14 uur en de vijfde dag blijft het tot 16 uur. Hierdoor is de kans op wiegendood veel kleiner.’

Ilse: ‘Dat klopt. Statistisch onderzoek heeft uitgewezen dat wiegendood mogelijk veroorzaakt wordt door stress bij baby’s. Na een doopfeest, tijdens de eerste dag bij de onthaalmoeder, tijdens de start in de crèche.’

Nora: ‘Nu is er ook veel meer papierwerk dan vroeger. Opvolgsystemen, observatiefiches, oudertevredenheidsenquêtes. Eigenlijk moet je tijd aan kinderen besteden in plaats van aan heen-en weerschriftjes.’

Ilse: ‘De observatiefiche gaat onder meer over het welbevinden van het kind en over fijne motoriek. Het doel is om enkel het positieve te benoemen. Niet meer ‘uw kind is achter met dit of dat’, wel benoemen wat het al wel kan. Dat is beter dan vroeger.’

‘Van de ouders wordt verwacht dat ze flexibel werken. Dat heeft een effect op de kinderen.’

Sofie (9 jaar dienst): ‘Ouders laten nu meer toe. We zien ze zo weinig, dus zien we het door de vingers.’

Nora: ‘Sommigen halen hun kind op en zijn er een uur heel intensief mee bezig voordat het naar bed moet. De zogenaamde quality-time. Ik denk dat je op zulke momenten vooral bezig bent met wat het kind graag doet. Dat is niet verkeerd, maar toch denk ik dat het kind daardoor minder snel voelt dat mama of papa grenzen stellen. Ze zouden het kind bijvoorbeeld in een park kunnen plaatsen terwijl zij huishoudelijke taken uitvoeren. Dat gebeurt minder. Omdat ouders van nu vaak te weinig tijd hebben.’

Elke: ‘De kindjes van nu zijn slim en dikwijls merken de ouders niet dat hun kind weet wat er gebeurt. Ik gaf een opmerking aan een moeder over haar kindje van nog geen twee jaar. Het luisterde mee, wuifde met het handje, stapte weg en trok de mama mee.’

Sofie: ‘Zelfs baby’s begrijpen veel. Als je dezelfde boodschap poezelig brengt of kordater, weten ze aan je intonatie of het ernstig is of om te lachen.’

Zijn er veel anderstaligen?
Ilse: ‘Heel weinig buitenlanders. De ambassades die hier bestonden in de jaren 80 zijn er niet meer. Kansarmen zijn ook niet talrijk. De ouders zijn meestal Belgen, waaronder veel gemengde gezinnen met een Nederlandstalige en een Franstalige ouder. Ook Franstaligen die in het Nederlands school liepen en nu hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs brengen.’

Nora: ‘Dat is een heel groot verschil met pakweg de jaren 70. Ouders doen nu erg hun best om Nederlands te spreken.’

Elke: ‘En als kindjes niet kunnen aarden omdat ze geen Nederlands verstaan, spreken we weleens een woordje Frans en herhalen het in het Nederlands, maar dat is heel uitzonderlijk.’