01 feb '21

De rafelrand

282
door Herman Dierick
Op mijn wandelingen en fietstochten in de Rand kreeg ik de laatste tijd opnieuw een indringend beeld van de lokale ruimtelijke ordening. Ongelooflijk wat voor een mozaïek dat is. Alles wisselt af met alles, om het kort samen te vatten.

En uiteraard zorgde corona voor bizarre toestanden. Bijvoorbeeld het grote aantal wandelaars dat mijn pad kruiste tijdens de mooie wandeldagen, maar ook hoe weinig bereikbaar de gemeentelijke administraties waren voor wat extra informatie over de Trage Wegen waarover ik een nieuwe reeks schrijf in RandKrant (zie pg.12). Ook opvallend: viel er wat regen, dan was er plots geen kat meer te zien. Ik heb het niet geteld, maar het aantal mensen met een hond was zeker in de meerderheid, op de voet gevolgd door fietsers en mountainbikers. Groepjes mensen kwamen vaak voor, duidelijk meer dan eenzaten. En de joggers lieten zich evenmin onbetuigd.

Wat sprong er uit? Hoog gehielde dames die het zichzelf moeilijk maakten om uit te waaien op onverharde wegen. Omgeploegde trajecten lieten op sommige plaatsen een waar slagveld achter van getraumatiseerde stedelingen of fietsers die hoopten op propere rijstroken. Soms was het echt gortig met putten tot een halve meter diep, al dan niet gevuld met regenwater, of modderige plaatsen waar wandeltracés en fietsroutes samenvallen met ruiterparkoersen. De bogen eromheen werden alsmaar groter, soms te midden van pas ingezaaide wintergraanpercelen of groenbemesters. Tja, wat doet een wandel- of fietsmens in nood?

Sommige winterse landschappen waren prachtig. Een uitgesproken reliëf, een eenzame boom in vlakke akkerpercelen, een diep ingesneden beek waarvan de oevers uitspoelen door erosie, de pittoreske dorpskernen luierend in de open ruimte eromheen… Het bestaat allemaal, en weet je wat? Je vindt het in de Rand.