01 apr '13

Ecce homo, zie de mens

1447
door Ingrid Laporte
Naar muziek luister je, zijn schilderijen moet je zien. Samen met Dillemans peil ik naar wat schilderkunst is, of zou moeten zijn. Authors, is een reeks portretten van voor het leeuwendeel bewonderde schrijvers, obsederend sterke koppen die doorheen het kasteel van Gaasbeek spoken.

‘Blind heb ik me getekend toen ik jong was. Voor mij is tekenkunst de basis van alles. Ik gaf mijn leerlingen de opdracht om een knie te tekenen, en dat weken aan een stuk. De meerderheid haakte af, maar die paar die bleven komen, konden uiteindelijk tekenen. Zo heb je ook Degas, die tijdens zijn jeugd de helft van het Louvre heeft gereproduceerd. Niet om te kopiëren, maar om te leren, om zichzelf te confronteren met de traditie, met zijn voorgangers. En vergelijken kán, want echte kunst overstijgt haar periode. Al het overige zal de tand des tijds onherroepelijk verslinden.’

De thema’s van Dillemans zijn eenvoudig. De impact van zijn werk is onmiddellijk. De uitvoering getuigt van decennia métier. ‘Liefde voor mijn onderwerp – de naakten, de oude meesters, de boksers en nu auteursportretten – dat is het beginpunt van de osmose. Ik volg mijn natuur. Enthousiast. Ik ga zo ver in mijn onderwerp op als dat nuttig is voor mijn werk. Als ik er te dicht op zit, wordt het gevaarlijk want dat werkt blokkerend. De schilder komt dan naar boven. Hij concentreert zich op de vorm.’ Dillemans’ universum bevindt zich op lichtjaren van conceptuele kunst, van gemakkelijke provocatie. ‘In het huidige kunstklimaat komt een video waarin iemand gedurende 10 minuten waka waka roept al in een museum terecht. Europa is moe. Sinds de dood van Picasso is het om zeep. Wat iedereen kan maken, is voor mij geen kunst maar plastische fraude. De verkoop van gebakken lucht heeft het pleit gewonnen’, stelt de consequente outsider vast. Is het echt zo? De laatste ronde is nog niet gestreden.

Ik volg mijn natuur. Enthousiast. Ik ga zo ver in mijn onderwerp op als dat nuttig is voor mijn werk.

‘Wie een verhaal wilt, leest beter een boek. Een boodschap, maatschappijkritiek, let op, het mag van mij, maar een schilderij moet bovenal goed geschilderd zijn. Picasso, de grootste van de twintigste eeuw, heeft nooit een verhaal verteld. Op de Guernica zie je geen indicaties van oorlog, bombardementen, geweren, maar wel lichamen. Ecce homo. Dat is de mens.’
Dillemans toont me zijn Jack Kerouac. ‘Kijk, ik kan je perfect uitleggen waarom, wat en hoe er iets gebeurt op elke vierkante centimeter van het doek. Waarom ik die witte lijn door zijn wenkbrauw trek, hoe de twee oorlellen van elkaar moesten verschillen.  Alles heeft zijn reden.’ Het draait om subtiele maar magistrale verschillen. Trefzeker keuzes maken. Hij raapt een verfkwast op en laat die over de grond van zijn atelier dansen. Een lichte, fijne zwarte lijn die hij dan aandrukt, een zwenking. Een contour. ‘Zie je, hoe schilderen… tekenen is?’

Verrassend bij de nieuwe portretreeks zijn de achtergronden. Dillemans heeft op hout, tapijt tot zelfs plastiek gewerkt. Hij overschildert oude doeken waarvan enkele uit de kringwinkel. Alleen zijn die zo naadloos geïntegreerd in het portret dat ze niet eens opvallen. ‘Vroeger had ik zoiets niet gekund. Mijn Chesterton gaat daar het verst in: als ik hem op zijn zij draai, zie je een volledig landschapsschilderij.’ Welke schrijver op welke achtergrond komt? Dat noemt Dillemans ‘zijn toeval’.

‘Ik ben vrij realistisch begonnen om abstract te eindigen. Na meer dan 300 portretten kan ik het me permitteren om me te laten gaan. De laatste zijn enkel nog zwarte verf op wit canvas. Herleid tot de essentie. Dat houdt een verhoogd risico in. Je kunt amper corrigeren. Het doek zelf is dan je licht. Kleur is voor mij eveneens ondergeschikt aan vorm. Als ik lees dat Degas ooit zei ‘mocht ik alles kunnen overdoen, dan zou ik uitsluitend in zwart/wit werken’, dan slaat zoiets in als een bom. Daar eindigt deze reeks dan ook. Ik zal de nabijheid van die genieën missen, het intimistisch werken hier naast de stoof.’