01 apr '21

Woonwagengeluk

1237
door Koen Demarsin
Woonwagenbewoners reizen al eeuwen door onze streken, maar sporen lieten ze amper na. We kennen ze vooral uit doorvertelde verhalen, waarschuwingen of zelfs mythes, maar zelden echt persoonlijk.

Voor dorps- en stadsbewoners lijken ze haast ongrijpbaar. Hun pogingen om hier te kunnen leven en toch hun eigen cultuur te behouden, doet hen vaak wankelen. De richting waarheen het rad van fortuin voor hen uitdraait, blijft onduidelijk.

Gelukszoekers

Behoedzaam balanceert ze met beide benen op twee grote circusballen. Met haar armen breed houdt ze zichzelf in evenwicht. Ze is nog jong, een tiener wellicht. Langs haar nek valt een donkere zwarte vlecht tot op over haar borst. Ze beweegt op de tonen van de muziek. Ze is hier niet alleen. Tegen een boom geleund, kijkt een man haar lachend toe. Zijn handen houdt hij losjes achter de rug. Links naast haar keuren twee vrouwen haar bewegingen, een moeder met haar pasgeboren kind en een oudere vrouw. In de verte staat een kind naast de open deur van een woonwagen. Samen met de muzikant die aan haar voeten op een xylofoon de maat aangeeft en een hond, zijn dit de weinige toeschouwers die haar kunsten bewonderen. Buiten is het warm. De jongen bij de woonwagen en het balancerende meisje dragen enkel een korte broek. Hun bovenlichamen zijn bloot. Tussen de schaduwrijke bomen en de woonwagen hangen grote zeilen die de blikken van voorbijgangers moeten weren. Buitenstaanders zijn hier niet gewenst.

Deze kleine familie en de buitenwereld lijken maar weinig met elkaar te maken te hebben. Ze leven gescheiden van elkaar. Aan het andere eind van het veld ligt een klein afgelegen huis aan de rand van het bos, het eenzame eind van een gehucht, een dorp, een stad misschien. Schilder, houtsnijder en graficus Edgard Tytgat keek binnen in het leven van deze woonwagenbewoners en noemde het La fortune de la roulotte. Hij maakte de houtsnede in 1933. Tytgat liet zich vaak inspireren door wat hij zag in de omgeving waar hij woonde, op dat moment was dat Sint-Lambrechts-Woluwe aan de oostrand van de stad.

Woonwagengeluk. De rijkdom is meer dan de kleine familievrede of de zigeunervrijheid van deze ongebonden familie waar romantische kunstenaars graag van dromen. Hun geluk zit ook in het jonge meisje dat het nodige geld moet verdienen om haar familie te helpen onderhouden. Misschien oefent ze haar kunsten wel voor een kermis in de buurt? Het veld op de achtergrond is leeg. Nu de oogst binnen is, kunnen de boeren feesten. Woonwagenbewoners en dorpelingen leven niet helemaal los van elkaar.

TE PAARD

Zeven jaar later, op een winterse vrijdag in 1940, trok een andere groep woonwagenbewoners van Oost-Vlaanderen naar Brussel. Manoch Modest had daar een goede reden voor. Hij was paardenhandelaar en op vrijdag bracht hij zijn dieren naar de grote paardenmarkt van Molenbeek. Hij trok vanuit het westen langs de Brusselsestraat, de grote weg die tussen Ternat en Groot-Bijgaarden de dorpen met de stad verbindt.

Het lot was Manoch niet goed gezind. Zijn vrouw Anna-Maria was zwaar ziek. Ze stierf de dag later op de plaats waar de familie halt had gehouden, een grasveld in Sint-Ulriks-Kapelle op de kruising van de Brusselstraat en de Moerstraat. Anna-Maria Rosenberg kreeg haar laatste rustplaats vlakbij de kerk. Manoch trok verder, maar hij bleef aan zijn vrouw denken. En zo gebeurde het dat zo’n 13 jaar later, toen hij zelf het aardse met het hemelse verwisselde, hij op dezelfde begraafplaats werd bijgezet. Met zijn dood begon een nieuwe traditie. Sindsdien komen leden van deze clan naar het dorp om er hun doden dicht bij elkaar te begraven. Intussen liggen ze niet alleen op het oude kerkhof maar ook op de nieuwe begraafplaats van het dorp, zo’n kilometer verderop en op zichtbare afstand van de plaats waar Manoch halt hield toen zijn vrouw stierf.

Eigen gezicht

De graven van Manoch en Anna-Maria verschillen niet veel van de omliggende graven. Een steen, een geboorte- en een sterfdatum, een foto en een Christushoofd. Alleen hun namen zijn anders. Naarmate meer familieleden zich lieten bijzetten, kregen hun graven ook een eigen gezicht. Het begon onopvallend. Naast de namen als Modest, Rosenberg, Peterbos of Boudain zorgden de foto’s van de vrouwen met hun hoofddoeken, hun fleurige en losse kledij, lange donkere vlechten en zichtbare juwelen voor een kleurrijk verschil met de meer ernstige grafportretten rondom hen. Deze vrouwen droegen wat ze dicht bij zich hadden. ‘We eren onze doden en vieren het nieuwe leven. Reizen zit in ons bloed’, schreven verschillende woonwagenbewoners over zichzelf in een gedicht. Hun grafstenen zijn de beelden die bij deze woorden passen, versierd met antieke zuiltjes en frontons en frivole foto’s van koppels in het park of al dansend op café. Steevast is Jezus een vaste reisgezel op weg naar het volgende leven. Met zijn herdersstaf leidt hij de dode, net zoals hij zijn schapen – de moderne nomaden – de goede richting wijst.

Al lijkt dit uiterlijk vertoon voor buitenstaanders misschien pompeus en overladen, de familie laat zo haar gehechtheid en respect zien voor wie ze moesten achterlaten. Maar met hun graven geven de woonwagenbewoners zichzelf een eigen zelfbewust gezicht. Het zijn de weinige herkenbare resten die ze in hun omgeving achterlaten.

Egyptenaren, tovenaars en kabouters

Eeuwenlang al trekken mensen zonder woonplaats van stad naar stad. 501 jaar geleden, op 3 januari 1420, trok een groep vreemde mensen naar Brussel. Hun leider noemde zich Andries, de hertog van Klein-Egypte. Gelijkaardige groepen Egyptenaren of Gipten – gypsies in het Engels en gitanes in het Frans – zouden steeds regelmatiger opduiken. Waarom zij zich zo noemden, is niet duidelijk, net als de redenen die ze aangaven waarom ze hier terechtkwamen. Waren het door Saracenen verdreven christenen of geloofden ze dat ze net als de joden uit Egypte wegvluchtten en zo op de dool raakten? Wellicht waren ze al eeuwen onderweg nadat ze uit hun thuisland India (het huidige Pakistan) waren vertrokken. Reizen was voor deze Sinti of Manoesjen, zoals we ze vandaag noemen, na al die tijd een levensstijl geworden. Omdat ze alsmaar onderweg waren, lieten ze maar weinig sporen na. Wat ze hadden, droegen ze met zich mee en hun inzichten gaven ze mondeling door. Mensen die hen ontmoetten, kenden hen als paardenhandelaren, maar ook als toekomstvoorspellers of mensen die zich bezighielden met toverij. Hun toegang tot duistere machten kon helpen maar ook gevaarlijk zijn. Voor buitenstaanders waren ze ongrijpbaar.

De weinige plaatsen die naar hen genoemd zijn, hebben vaak te maken met hun raadselachtig voorkomen. In Gooik ligt aan de oude doorgangsweg tussen Brussel en Geraardsbergen de oude afspanning In de Drie Egypten. De inwoners spreken over ‘t Zjiept. De afspanning staat er sinds de 17e eeuw, maar daarvoor stond er een ouder gebouw dat reizigers ontving op weg naar de stad of op bedevaart naar de nabijgelegen Woestijnkapel. Naar verluidt zouden ooit drie zigeunervrouwen of zjiepenéssen de afspanning uitgebaat hebben en zo hun naam aan het gebouw en het gehucht hebben gegeven. Maar de zjiepten zouden ook kleine wezens als kabouters of feeën geweest kunnen zijn die in de herberg verbleven en die mensen uit de buurt hielpen met allerlei huishoudelijke taken. Wat meer is: deze wezens doken niet alleen in Gooik op, maar ook in Archennes in Waals-Brabant, niet zo ver van Ottenburg. In het Bois des Egyptiènnes of het Bois des Gipsies zouden niet alleen zigeuners verbleven hebben die volgens bronnen uit 1767 en 1779 ook tovenaars en Egyptenaren genoemd werden, maar volgens de dorpsverhalen die er de ronde deden, leefden er onder de grond in het bos ook tovenaressen die net als in Gooik de dorpelingen met huishoudelijke taken hielpen. Het bos zou volgens deze verhalen naar hen zijn genoemd.

Wie vandaag met een woonwagen de baan op wil, doet dat met veel onzekerheid.

De echte verklaring voor de Drie Egypten in Gooik spreekt wat minder tot de verbeelding en verwijst niet naar de zigeuners of kabouters, maar naar drie geulen of zijpen niet ver hiervandaan. Maar het is vooral opmerkelijk dat zeker in de 18e eeuw de bewoners in de dorpen in deze streek de Egyptenaren die zij voorbij zien komen in verband brachten met plaatselijk onverklaarbare en magische verschijnselen en dat hoefde niet per se negatief te zijn.

Ontketend

Anders dan deze Egyptische Sinti waarvan nu nog afstammelingen in België wonen, kwam Manoch Modest pas aan het einde van de 19e eeuw naar België. Hij werd geboren in Noorwegen, zijn vrouw in Berlijn. Hun leven samen brachten ze in België door. Zijn familie behoorde tot de Roms. ‘Nadat de slavernij in Roemenië en de rest van Oost-Europa was afgeschaft, raakten zij zonder werk. Ze moesten daardoor hun rijke broodheren verlaten en omdat ze zelf geen onderkomen hadden, sloegen ze op de vlucht. Zo begon hun reizend bestaan’, zegt Kim Janssens, die zich als beleidsmedewerker bij het Minderhedenforum al jaren het lot van de woonwagenbewoners in Vlaanderen aantrekt.

Brussel was voor de woonwagenbewoners, maar ook voor de zogenaamde voyageurs, Belgen die rondreisden om aan de kost te komen, een aantrekkelijke omgeving. In de marge van de stad konden ze hun handelsactiviteiten opstarten om in hun levensonderhoud te voorzien. De Sinti en de Roms legden zich toe op paardenhandel, stoelen matten, ophalen van oud ijzer en ketels lappen, terwijl de voyageurs van deur tot deur gingen om allerlei waren aan de man te brengen. Zo maakten ze voor zichzelf een radertje in de economische machine en konden hun eigen positie verstevigen en in hun onderhoud voorzien. Hun uitvalsbasis lag langs het kanaal in Molenbeek.

De situatie kantelde in de jaren 1970. ‘De woonwagenbewoners moesten toen weg van het kanaal en ze verspreidden zich over kleinere terreintjes in en rond Brussel en kwamen onder meer terecht in Molenbeek, Anderlecht, Halle en Sint-Pieters-Leeuw. Deze terreinen waren vooral privé-eigendom en de gemeenten hebben hen er lang gedoogd. Van hieruit hadden ze een snelle verbinding met de rest van het land dankzij een snelle toegang via de Brusselse Ring om hun handel verder te zetten’, legt Janssens uit.

Het rad van fortuin

Hoewel leven in een woonwagen intussen officieel erkend is in Vlaanderen en in Brussel namen de spanningen tussen de woonwagenbewoners en de lokale overheden en plaatselijke bewoners toe. De onrust en nervositeit straalt af van de krantenkoppen die de komst van woonwagenbewoners melden: 2011 in Groot-Bijgaarden, 2012 in Kampenhout, 2013 in Zemst en Grimbergen, 2014 in Boutersem, 2017 in Huldenberg, Meise en Merchtem en 2018 opnieuw in Merchtem. Ze lezen als een triest palmares van niet geslaagde contacten. Ze zoeken hun weg en een rustplaats langs invalswegen rond Brussel en stoten met hun ‘onaangepaste’ leefwijze op verzet. Waar ze opduiken, vrezen lokale bewoners voor inbraken of inname van hun gronden. Veel bewegingsruimte is er ook niet in het verkavelde Vlaanderen, waar elk stuk grond intussen met een eigen kleur op de kaart een bestemming heeft gekregen als industrieterrein, woonuitbreidingsgebied of natuurgebied. Janssens: ‘Lokale besturen treden ook strenger op tegen hun aanwezigheid op niet vergunde terreinen. De familiale terreinen van de Roms in Anderlecht werden gesloten en ook op bestaande doortrekkersterreinen kunnen ze niet steeds terecht. Momenteel is het terrein in Huizingen gesloten en het doortrekkersterrein in Zellik is vaak overbezet.’

Voor wie in het overvolle Vlaanderen vandaag met een woonwagen de baan op wil, doet dat net als vele generaties voorouders van conflict naar conflict en met veel onzekerheid. Al worden woonwagenbewoners om hun levenswijze niet meer vervolgd, toch lijken ze geïsoleerder te leven dan vroeger. Burgers, zoals woonwagenbewoners mensen met een vast huis noemen en zigeuners hebben elkaar niet meer nodig. De beroepen die zij uitoefenden, zijn minder gevraagd en de magische kunsten die hen ooit hielpen, kunnen ze nog maar moeilijk inzetten om hun positie in de maatschappij te versterken. Het leven op de rand blijft. De vraag is naar welke kant het rad van fortuin hen straks duwt.

 Ken jij erfgoed van woonwagenbewoners in jouw buurt (woonplaatsen, begraafplaatsen, plaatsen naar hen genoemd, verhalen, gebruiken,…)? Deel het op de Facebook-pagina van RandKrant. Auteur Koen Demarsin reageert. 

Met dank aan Kim Janssens (Minderhedenforum) en Sven Steffens (Momuse).

 


 

Literatuur

  • Callewier, Hendrik. 1420. De Egyptenaren komen naar Vlaanderen. In ‘Wereldgeschiedenis van Vlaanderen’, Marnix Beyen et alii red. P 147-152
  • Janssens, Kim.2019. Een leven lang opgejaagd. De plek van woonwagenbewoners in Vlaanderen.Tielt.
  • Jespers, Jean-Jacques. 2005. Dictionnaire des noms de lieux en Wallonie et a Bruxelles. Brussel. P 147
  • Google Books
  • Roesems, Herman. In ‘Monumenten in sint-Ulriks-Kapelle. Grote geschiedenis van de kleinste deelgemeente’, in Anne-Mie Havermans en Kathleen Leys red. Dilbeek 2017. P 29-30.


Websites

Kaart AR Gooik:

Afbeelding

Perceelskaart Archennes: