01 mrt '18

Telkens opnieuw

427
door Karla Goetvinck
Klassen waar iedereen in alle verscheidenheid zichzelf kan zijn. Waar leerkrachten didactisch sterk genoeg staan om van die diversiteit een pluspunt te maken. Het Nederlands als iets wat mensen verbindt, niet verdeelt.

Plaats voor iedereen. Scholen met de poorten wijd open. En bovenal doorzettingsvermogen en een groot hart om dat proces telkens opnieuw te herbeginnen. Het is de droom van topvrouw van het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap Raymonda Verdyck.

MEERTALIGE REALITEIT

‘Toen ik meer dan dertig jaar geleden les gaf in Koekelberg en Sint-Agatha-Berchem was dat aan witte klassen. Nu zie je in Brussel en de Rand één en al kleur. Onze scholen zijn superdivers, zowel qua herkomst, taal als levensbeschouwing. De evoluties gaan snel, maar ik ben hoopvol. Vorige week nog zag ik enkele van onze allochtone leerlingen het onthaal doen op een studiedag, in perfect Nederlands, hoewel dat niet hun moedertaal is. Ik zie veel positieve verhalen.’

‘De realiteit in de Rand is meertalig. Veel kinderen spreken van thuis uit geen Nederlands meer. Zo’n 7% van de leerlingen in de Rand woont in Brussel, het overgrote deel komt uit de Rand zelf. Zij worden aangetrokken door de goede kwaliteit en reputatie van ons Nederlandstalig onderwijs.’

‘Wij proberen positief om te gaan met die meertaligheid. Waar er vroeger soms bestraffend werd opgetreden tegen het gebruik van andere talen is het nu onze bedoeling om andere talen te gebruiken om kinderen toe te leiden naar het Nederlands. Wees gerust: Nederlands blijft onze schooltaal, en het is de bedoeling dat elke leerkracht ook een leerkracht Nederlands is, niet dat onze leerkrachten alle thuistalen leren. Maar kan het kwaad dat een klasgenootje eens uitleg geeft in een andere taal? Je kan achteraf nog vragen om dat nog eens over te doen in het Nederlands. Als je de thuistaal als iets positiefs benut, leg je bruggen met de thuisomgeving, voelt een kind zich veilig en gerespecteerd. Dan gaat het leren eens zo vlot.’

‘Het is belangrijk dat we kinderen leren dat het Nederlands niet enkel de schooltaal is, maar ook een communicatietaal. Dat Nederlands niet louter iets is dat ze in de klas moeten gebruiken, maar dat het de taal wordt die ze delen met vrienden. Wat betreft immersieonderwijs, waarbij je kinderen bijvoorbeeld geschiedenis of aardrijkskunde laat volgen in een andere taal: wij zijn daar zeker voor gewonnen. Maar kinderen moeten zich toch eerst en vooral de schooltaal eigen maken, en dat is in de Rand al een opdracht op zich.’

NIEUWE DIDACTISCHE METHODES

‘Onze klassen worden alsmaar meer divers, ook door het M-decreet (dat waarborgt dat ook kinderen met een beperking les kunnen volgen in een gewone school). We moeten onze leerkrachten en aspirant-leerkrachten de mogelijkheden en vaardigheden aanreiken om daarmee om te gaan. Onze scholen spelen daar op in, en niet enkel met de klassieke differentiatie binnen de klas. In steeds meer scholen wordt er ook aan co-teaching gedaan: twee leerkrachten voor één klas, waardoor je aparte groepjes kan maken met een wisselende samenstelling naargelang de noden. Of teamteaching, waarbij een groep van leerkrachten verantwoordelijk wordt voor een groep van leerlingen en waarbij je traditionele lesmomenten afwisselt met verdieping voor wie snel met de leerstof weg is en herhaling voor wie meer moeite heeft. Je kan ook afwijken van een strak lessenrooster. Sommige scholen koppelen dat aan nieuwe technologieën: ze nemen cruciale lessen op en zetten die op het digitale platform Smartschool voor wie ze nog eens wil bekijken. Ook handig voor wie ziek is geweest. Er is ook zelfontdekkend leren, waarbij we jongeren zelf de competenties laten verwerven die ze nodig hebben.’

‘Wij zijn absoluut niet gewonnen voor een systeem van segregeren, van homogene groepen van leerlingen, met diegenen die trager zijn apart van diegenen die heel snel vooruitgaan. We vinden wel dat we moeten zorgen dat we de twee groepen uitdagen: de ene om te zorgen dat ze de eindmeet halen, de andere om de snelheid te pakken die ze hebben. 

‘We proberen positief om te gaan met meertaligheid in het onderwijs.’

Wij vinden principieel dat je kinderen in contact moet brengen met de hele samenleving. Als je in een homogene klas zit en je komt op straat iemand tegen die totaal anders is dan je zelf bent: dat betekent dat je ook niet meer weet hoe die andere is. We willen dat onze leerlingen leren samenleven, dat ze met iedereen leren omgaan. Ze moeten veel leren, dat is uiteraard belangrijk, maar ze moeten ook volwaardig mens worden, weten wat er aan verscheidenheid bestaat.’

DRIE NODEN

‘De nood aan bijkomende infrastructuur in de Rand is groot. Het capaciteitsprobleem heeft zowel te maken met de demografische groei in de Rand zelf als met het aantal Brusselaars dat op zoek is naar een Nederlandstalige school. Brussel en de Rand zijn communicerende vaten. Er staan projecten op stapel, maar het capaciteitsprobleem is te laat gedetecteerd en nu hollen we achterop. Meer leerlingen betekent ook nood aan meer leerkrachten. Op dit ogenblik lukt het nog min of meer, maar op de duur gaan we onvoldoende mensen hebben om voor de klas te staan, ook omdat er van langsom minder studenten kiezen om leraar te worden. Een derde nood in de Rand is de groeiende kansarmoede. We proberen daarop in te spelen via kostenbeheersing en betaalbare schoolfacturen, en we springen bij waar nodig. Maar het blijft een zorg.’

DEUREN OPEN

‘Belangrijk is ook om de ouders te betrekken. We stimuleren dat ouders Nederlands leren. Zo kunnen ze hun kinderen ondersteunen. Maar ook voor henzelf is sociale participatie belangrijk. We moeten schoolgebouwen openstellen, we moeten scholen laten participeren aan de gemeenschap. Scholen zijn te dikwijls eilanden. Maar het is niet genoeg om zogenaamde brede scholen te creëren. We moeten ook de maatschappij opentrekken. Ik denk dan zelfs aan maatregelen op het vlak van urbanisatie. Mensen van dezelfde gemeenschap gaan dikwijls samen wonen. Dat er zo homogene wijken ontstaan, is begrijpelijk. Maar voor de samenleving zou een grotere mixiteit beter zijn. Dat zou de betrokkenheid en de participatie vergroten.’

‘De grootste uitdaging voor het onderwijs in de Rand is dat we steeds moeten herbeginnen.’

‘Maar dé uitdaging in de Rand is toch dat we steeds moeten herbeginnen. Er is steeds een nieuwe instroom. Het blijft een eeuwigdurende opdracht. Het is niet voldoende om bijvoorbeeld de kleuterparticipatie te verhogen via samenwerking met Kind & Gezin en door peuters vanuit eigen crèches naar instapklasjes toe te leiden. Anderstalige kinderen stappen niet altijd in de eerste kleuterklas over naar het Nederlandstalig onderwijs, maar vaak ook veel later. En ook die kinderen moeten we snel een basis meegeven. We moeten kunnen schakelen. Elke dag zie ik leerkrachten flexibel, met een groot hart en veel passie met die diversiteit omgaan. Ik ben niet negatief, ik ben heel hoopvol, maar ik ben me er ook van bewust dat het iets is waar we continu aan moeten blijven werken.’

Raymonda Verdyck

  • Geboren in Peer op 15 december 1955
  • Woont in Strombeek-Bever
  • Master Moraalwetenschappen aan de VUB
  • Sinds 2009 afgevaardigd bestuurder van het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap