01 nov '23

Iemandsland

1746
door Koen Demarsin
In Petit-Bruxelles is er niet veel dat aan Brussel doet denken. Het is een groep boerderijen langs een straat die de naam van het gehucht draagt. Rond het gehucht liggen wat eentonige kouters. Akker volgt op akker. Wie naar de weidsheid kijkt, begrijpt hoe de taalgrens hier liep, soms langs families, soms langs gehuchten, soms langs de dorpen, meer een gebied dan een lijn.

Perspectiefwissel

De taalgrens lijkt hier vanouds meer bepaald door de leegte en door het vacuüm tussen de talen dan door de contacten ertussen. Vandaag loopt de officiële grens hier zo’n 100 meter noordelijker als een lijn tussen gemeentegrenzen. Op een kruispunt verderop wijst ‘wegomlegging’ naar de ene kant en voor bestuurders vanuit de tegenovergestelde richting wijst ‘déviation/wegomlegging’ naar de andere kant. De aannemer raapte samen wat hij nog aan borden in zijn loods had en ging ervan uit dat iedereen het hier wel best zou vinden. Ondanks de officiële lijn doet de grens zich hier nog voor als een gebied.

Het Waalse Petit-Bruxelles ligt ten zuiden van Bever in Vlaanderen, ervan gescheiden door een snelweg en een beek. Petit-Bruxelles is een oud gehucht van Silly. Warissaet er net naast is sinds zijn overheveling in 1962 haar nieuwste gehucht. Perspectiefwissels zijn hier geworteld in het land en de talen. Met de taal die verandert, verandert ook de kijkrichting. Vanuit Vlaanderen kijken we vanuit het lagere land naar het hoge in het zuiden, vanuit Wallonië is dat omgekeerd. Silly - Opzullik - ligt hoger dan haar deelgemeente Bassilly, dat lager ligt maar gewoon Zullik is in het Nederlands.

Pendelen

De leegte hier bood naast goede landbouwgrond ook perspectieven op andere ontwikkelingen. Van oost naar west kruist de Pavé d’Ath de kouters, een rechte weg die vanuit Edingen richting Aat en Doornik loopt. Rond 1866 kreeg ze gezelschap van de spoorlijn vanuit Halle richting Aat. Het spoornet was toen in volle expansie. Grondstoffen als ertsen en kolen moesten verbonden worden met fabrieken, mijnen, havens én met werkkrachten om ze te delven en te verwerken. Die arbeiders waren midden 19e eeuw vaak Vlaamse boeren die niet langer konden leven van wat de grond hen opbracht. Zij kwamen onder druk van de opkomende mondialisering en industrialisering van de landbouw. Importgraan was goedkoper, mechanisering zorgde ervoor dat de vraag aan handwerk daalde, ook op het land, maar vooral de voedselcrisis en de daaruit volgende hongersnood van 1846 bracht vele boeren aan de rand van de afgrond. Hun families waren te groot en hun percelen te klein. Naast boer werden ze arbeider, bijvoorbeeld in de steengroeves net ten zuiden van de taalgrens. De groeves van Quenast of Lessines boden een eeuw werk aan boeren uit de streek, maar niet genoeg om de vele monden te voeden. Wie niet naar de groeves ging, trok naar de steden of verder naar de steenkoolmijnen.

Rond 1867 opende de spoorweg tussen Dender en Mark. Ze verbond de haven van Gent met ‘s Gravenbrakel waar er aansluiting was met de mijnen van Le Centre: Bois-du-Luc, Maurage, St-Vaast of Strépy-Bracquegnies. Van de stations langs de lijn trokken de boeren dagelijks naar de put. De boeren werden fossemannen. Hun nieuwe werk gaf hen een nieuwe identiteit. Ze moesten soms nog een uur of meer lopen van thuis tot aan de trein, van het gehucht Achter den Bos bijvoorbeeld, achter Galmaarden. Ook het gehucht kreeg een bijnaam, net als zijn bewoners: de Congoberg. Die lag niet alleen ver, ze was omwille van zijn bewoners die ‘s ochtends vuil van de kolen naar huis keerden, zwart.

De trein hielp de boeren aan een overleefbaar leven en maakte van hen de eerste pendelaars voor wie thuis en werkplaats niet noodzakelijk samenvielen. Vandaag pendelen de treinen niet meer naar het zwarte land. Er zijn nog enkele gedenkplekken langs de spoorlijn die de herinnering nog even vasthouden: een overgedimensioneerde mijnwerkerslamp in Tollembeek, een beeld van een fosseman aan het werk in Galmaarden, maar voor wie? Pendelen doen de boeren nog steeds, al weten ze nog maar vaag over hun vroegere bestaan. Nachtwerk werd geregeld werk tussen 9 en 5 onder betere voorwaarden. Na de Tweede Wereldoorlog was er een andere trein vertrokken en die was meer politiek en lokaal gestuurd dan nationaal.

De trein naar Brussel

‘Er reed een trein naar Brussel ’s morgens. De mensen noemden het de trein van Cardoen’, herinnert Simon Driscart zich, de oud-burgemeester van Bever. Georges Cardoen was burgemeester van het naburige Galmaarden, maar daarnaast was hij ook volksvertegenwoordiger en bekleedde hij nog een rist andere functies in netwerken en kabinetten van katholieke signatuur. De halve streek lijkt zijn welvaart aan hem te danken te hebben. Het was geven en nemen. In ruil voor politieke steun, bezorgde hij streekbewoners beter werk, bij de post bijvoorbeeld, properder dan in de mijnen én met uitzicht naar buiten vanuit de ambtenarijen in Brussel. Het was patriarchaal in de oud Belgische traditie, maar met een naoorlogse dimensie. De kansen waren gekeerd. De trein vertrok nu ‘s ochtends naar Brussel, de Cardoenisten pendelden hun nieuw verworven sociale zekerheid achterna. Nog altijd waren ze herkenbaar, niet door hun mijnlamp maar door hun thermos en brooddoos, de tekenen van hun stijgende welstand, het etiket op hun kop vanuit de blik van de Brusselaars.

Als je met een voornaam personage sprak, gebeurde dat in het Frans. Als het met gewone mensen was, in het Brabants.

Dat vele inwoners van de grensstreek toen behoorlijk tweetalig waren, van huis uit of omwille van het onderwijs, hielp hen een stuk op weg. ‘De mensen in Edingen die een beetje Frans en een beetje Vlaams spraken, hadden voorrang. In Brussel bij de post, bij de spoorweg, overal. Ze waren tweetalig’, zo herinnert Michel Faucq het zich, zelf een tweetalige Edingenaar en stadsgids.

De trein trok de grensstreek uit haar isolement. Het station van Edingen, zelf op een steenworp van de grens, is met zo’n 3.600 reizigers per dag het vervoersknooppunt voor de grensstreek tussen Halle, Geraardsbergen en Aat. Maar naast slechters van grenzen werden de sporen ook nieuwe grenstrekkers. ‘In Lettelingen is er de spoorweg Brussel-Edingen’, zegt Faucq, die er tussen 1946 en 1960 deels zijn jeugd doorbracht. ‘Aan de ene kant van het oude station, de noordkant, was het Vlaams. De overkant, de kern van het dorp naar de kerk, was Frans of Waals. Mijn grootouders woonden ten noorden van de spoorweg. Ze spraken Brabants. Er waren veel mensen die ten zuiden van de spoorweg de twee spraken. Als we daar waren, spraken we dialect, als we iemand uit de stad op bezoek kregen, was het Frans.’

De hoed en de quidam

Zo lijkt het ook elders te gaan rond Edingen. Bij Sint-Pieters-Kapelle volgt de grens een beek en een overweg. Officieel vormt de beek hier de grens, een streep water waar je gemakkelijk over springt. Maar ook hier werd de spoorweg langs de beek een duidelijker buffer al is ze ook hier niet absoluut. Attention au chien/Hier waak ik hangt er aan de afsluitingen. Aan de huisdieren kennen we de eigenaars. Het dorp van Sint-Pieters-Kapelle zelf ligt hogerop. Vandaag hoort Sint-Pieters-Kapelle bij Vlaams-Brabant. Tot 1962 was dat anders en was het Henegouwen, net als het dorpje Mark dat er net onder ligt. Wie wil weten hoe het er in Mark aan toeging, moet naar de begraafplaats. Dehandschutter, Meuleneyser, Deboeck, Durant. Het zijn courante namen ten noorden en ten zuiden van de taalgrens. Soms zijn ze verfranst als Clinckart of D’Hasseler. Soms liggen er namen die in het noorden minder opduiken: Deroux, Cambron, Cheron. ‘Als je met een voornaam personage sprak, gebeurde dat in het Frans. Als het met gewone mensen was, in het Brabants. Met iemand met een hoed sprak je Frans, met iemand met een gewone quidam van den buiten sprak je Brabants’, vertelt Faucq. Meertaligheid heet hier het beheersen van verschillende taalregisters, het volkse en het burgerlijke. Het bepaalde het dorp dat balanceert tussen de talen, soms als gebied, soms als een lijn. ‘In Mark spraken ze Frans en Brabants. Het was een scheidingslijn, fictief voor de meeste mensen. Of toch. Langs de kant van Mark is er de Verte Cache, de Groenkeitsestraat. Ik noem dat de taalstraete’, zegt Faucq, ‘want ten zuiden daarvan in Abeele sprak men Waals en Frans, ten noorden in Mark was het grotendeels Brabants.’

Daar lag vroeger de grens. Nu is ze officieel naar het noorden opgeschoven. Bovendien zijn er intussen zo veel barrières bijgekomen dat het moeilijk in te beelden is hoe het hier pakweg een eeuw geleden uitzag. Terwijl de oude spoorweg de rol van de Groenkeitsestraat nu overneemt, verknippen het nieuwe hst-spoor en de snelweg het land verder in stukken. Het zijn barrières die het overschrijden van de grens tussen noord en zuid er niet eenvoudiger op maken en die dorpen als Mark en Abeele isoleerden van de dorpen in het noorden als Bever en Sint-Pieters-Kapelle.

De vriendschap

Beneden aan de kerk van Mark bij het plein ligt Cardinael. Het is een naam in Mark, als restaurant en als lokale pleisterplaats. Kris Poelaert wijst op de streep op de toog. Zo hoog stond het water hier. Toen Pepinster overstroomde, stond het water van de Mark hier kniehoog. De kleine Markrivier gaf het dorp haar naam en de streek haar molens en welvaart, maar nu het klimaat grilliger wordt, toont ze haar onvoorspelbare temperament. Ook Poelaert is burgemeester, sinds 2001. Hij zet de traditie van zijn vader verder die eerst burgemeester van Sint-Pieters-Kapelle was en later van de fusiegemeente Herne. Onder vader Poelaert werd Sint-Pieters-Kapelle Vlaams en dat had veel met de plaatselijke veldwachter te maken.

‘De champetter staat op de roepsteen bij de kerk’, zegt Poelaert. ‘Hij was Vlaamsgezind en heeft de talentelling gedaan. Hij vroeg: spreekt gij een woordje Nederlands? En hij noteerde dat. In Bever was de champetter eerder Franskiljon. Spreekt gij een woordje Frans, vroeg die, en zo is Bever aan zijn faciliteiten gekomen. Dat was dus afhankelijk van de invulling van de champetter.’ Of het nu over een champetter of burgemeester gaat, elk dorp of stad hier in de buurt heeft zijn figuur die het onontkoombare lot in zijn voordeel trachtte om te buigen. Nu staat de champetter als beeld op zijn oude roepsteen aan de kerk. Kapelle werd Vlaams en verhuisde van provincie. Mark bleef Henegouws. Elk dorp hier schrijft zijn eigen taalgeschiedenis naar de ene of de andere kant, mee bepaald door het politieke toeval van de lagere politieke echelons.

Elk dorp hier schrijft zijn eigen taalgeschiedenis, naar de ene of de andere kant.

Pierre Poelaert legde zijn eed af in Henegouwen, maar werd begin jaren 60 burgemeester van een Vlaamse gemeente. Veel veranderde er aanvankelijk niet. Pierre bleef nog altijd de majeur van het dorp. Simon Driscart, oud-burgemeester van Bever, was een goede vriend van vader Poelaert. Driscart liet me een foto zien waarop zich buiten hen twee nog een twaalf andere burgemeesters van rond de taalgrens verzameld hadden. Driscart staat achteraan, Cardoen vooraan. Vooraan centraal op de foto staat koning Albert, geflankeerd door Georges Cardoen en Raymond Langendries, burgemeester van Tubize en toen voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Met Vivre ensemble - Samen leven wilden ze in 1998 de samenwerking tussen burgemeesters rond de taalgrens hechter maken, want nu de provincie Brabant drie jaar eerder was gesplitst, werd de samenwerking daarrond niet eenvoudiger.

Nieuwe Vlaams-Waalse allianties

Twee jaar later stierf Cardoen plots. Het nog nieuwe station van Galmaarden, dat met twee schachtbokken naar de mijnen van Le Centre verwijst, sloot niet veel later. Het station vanwaar de Cardoenisten hun reis begonnen, werd een halte met een perron. Meer dan een feit was zijn plotse dood het einde van een tijdperk. Ook het jonge old-boys netwerk van de burgemeesters zou hem niet lang overleven. De federale logica dreef de gemeenten een eigen kant op en de katholiek-liberale grensstreek werd politiek veelkleuriger en in de achtergrond roder in het zuiden en Vlaamser in het noorden. De foto toont een andere tijd waarin relaties over de grens directer waren en de burgemeesters nog meer speelruimte hadden. Dat de verschuivingen en het verminderen van contacten alleen met de nationale politieke verschuivingen te maken zouden hebben, relativeert Poelaert. ‘Tien jaar geleden was er meer tijd en aandacht. Er bestaat een filmke van die bijeenkomsten met de burgemeesters met mijn vader waarop ze petanque speelden in het park van Edingen. Er was geen spanningsveld. Ik heb het ervaren als een leuke tijd. Nu heeft iedereen een drukker bestaan, ons eigen leven is anders, maar dat heeft niets met politiek te maken.’

Vandaag vinden de burgemeesters elkaar vooral in de politieke en regionale netwerken aan de eigen kant van de grens binnen de contouren en de logica’s van het eigen Vlaamse of Waalse gewest. De samenwerking over de grenzen heen werd niet minder hartelijk volgens Poelaert, maar wel pragmatischer en meer ad hoc en doelgericht. ‘Tijdens de overstromingen is de burgemeester van Edingen naar de crisiscel gekomen met een ambtenaar die perfect tweetalig was’, zegt Poelaert. Het is niet het enige voorbeeld van grensoverschrijdende allianties. In 2017 was er nog het gedeelde protest tegen de komst van de windturbines van Eoly op de Heyselvlakte in Kapelle nabij Mark. Beide besturen verenigden zich in een gezamenlijk protest. Eoly blies de plannen af, maar niet voor lang. In 2022 maakte het nieuwe plannen bekend voor een nieuwe reeks windmolens enkele kilometers verder in het minder bebouwde gebied nabij Petit-Bruxelles. Het leverde opnieuw grensoverschrijdend en gemeentelijk protest op, ditmaal vanuit Herne en Bever.

Plannen, weerstand opvangen, de forcing voeren en verplaatsen, het lijkt een manoeuvre van de grote projecten te zijn. Eoly verplaatst haar windmolens naar lager gebied langs de snelweg A8/E429, in de verwachting daar op minder weerstand te stoten. De komst van die snelweg vanaf de jaren 70 stootte ook op weerstand, maar hij kwam er toch. De weerstand tegen het oorspronkelijke tracé, dwars door het Pajottenland was te groot, want het was niet duidelijk hoe het nationaal belang het regionale belang kon dienen zonder de gaafheid van de streek in gevaar te brengen. Het tracé werd afgebogen naar het zuiden, langs de schemerzone tussen de talen tussen Halle en Silly waar door het gebrek aan een duidelijke identiteit het protest stiller klonk. Dat land leek niemand toe te behoren en werd daardoor van iedereen. Kort daarop volgde in 1997 het snelspoor van Brussel naar Rijsel en Parijs. Het stille protest stierf weg en maakte plaats voor het asfalt met binnenkort misschien de windmolens van Petit-Bruxelles tussen de afritten Mark en Bassilly.

 

Dit artikel werd gerealiseerd met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek.