01 dec '22

Bunker

213
door Tine De Wilde
Geen vrede zonder wapens. In vredestijd bereidt men zich voor op oorlog. Mastodonten van bunkers liggen nog steeds als stille, grijze getuigen hiervan in het landschap.

Om zijn grondgebied te beschermen, bouwde België vanaf 1936 een netwerk uit van vaste versterkingen in gewapend beton. Halle telt nog zes van de oorspronkelijk acht bunkers. Ze maakten deel uit van de linie Waterloo-Halle-Ninove die net voor WO II werd uitgebouwd om de strategische ingangswegen naar Brussel te verdedigen en een aanval vanuit Frankrijk op te vangen. De uitbouw vergde een gigantische investering. Terreinstudie, het ontwerp van de linie, hindernissen, zoals cointet-elementen (zware metalen hekken), en de effectieve bunkers. De vormgeving en indeling ervan zijn telkens dezelfde, aangepast aan de specifieke ligging: een monoliet, afgerond blok met de toegang aan de achterzijde, afgeschermd door een betonnen muurtje. Ook de schietopeningen konden niet rechtstreeks door de vijand onder vuur worden genomen. Binnenin was plaats voor twee tot drie machinegeweren om het terrein onder vuur te houden tot net voor de volgende bunker. Om weerstand te bieden tegen artillerievuur was een muurdikte van 1,3 meter gewapend beton noodzakelijk. In landelijk gebied werd de muur bepleisterd met ‘ronde bolletjes’ en geverfd in camouflagekleuren. Omdat de Duitse aanval vanuit oostelijke richting kwam, konden deze bunkers en de rest van de verdedigingslinie geen rol van betekenis spelen in de strijd. De militaire technologie evolueerde. Na WO II werden de bunkers gedeclasseerd en bleven ze leeg achter. Sommige van hen werden inmiddels ingericht als vleermuizenhabitat.